|
|
|
| ECLI:NL:GHSHE:2025:3513 | | | | | Datum uitspraak | : | 09-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 23-02-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof 's-Hertogenbosch | | Zaaknummers | : | 200.356.323_01 | | Rechtsgebied | : | Aanbestedingsrecht | | Indicatie | : | Didam 1- geschil. Gemeente het in dit geval, gegeven de haar toekomende beleidsruimte, selectiecriteria opgesteld die objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Aan die criteria voldoet de particuliere gegadigde niet. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | burgerlijk wetboek | | | koopovereenkomst | | | landbouwbedrijf | | | snl | | | subsidies | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.356.323/01
arrest van 9 december 2025
in de zaak van
[appellante] , h.o.d.n. [X] Agrarisch Bedrijf,
wonende te Voerendaal,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellante] ,
advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,
tegen
Gemeente Voerendaal,
gevestigd te Voerendaal,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de gemeente,
advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht,
op het bij exploot van dagvaarding van 25 juni 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 mei 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiser en de gemeente als gedaagde.
1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/340888 / KG ZA 25-141)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
de memorie van antwoord;
de mondelinge behandeling, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en waarbij het hof aan partijen heeft gemeld op internet het Programma van eisen Certificering SNK 2023 voor natuurbeheerders en (agrarische) collectieven te hebben geraadpleegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Samenvatting van deze zaak en uitspraak
De gemeente heeft een drietal natuurgebieden die ze wil verkopen omdat het beheer en onderhoud haar teveel is. De gemeente heeft criteria opgesteld waaraan een geïnteresseerde koper moet voldoen. Die criteria zijn geformuleerd naar aanleiding van de voorwaarde van de gemeente(raad) dat zij gewaarborgd wil zien dat een koper in staat is de natuurgebieden een duurzame toekomst te bieden voor de gemeente en haar bewoners. De criteria komen erop neer dat de koper een gecertificeerd natuurbeheerder moet zijn met voldoende kennis en ervaring om de natuurgebieden en de daarin aanwezige natuurwaarden en cultuurhistorische waarden te onderhouden en beheren. [appellante] heeft zich als geïnteresseerde koper ingeschreven. Hij vindt dat hij door de samenwerking met de coöperatieve vereniging Bosgroep Zuid Nederland (hierna: de Bosgroep) aan de gestelde criteria voldoet. De gemeente vindt dat dit niet het geval is omdat [appellante] niet zélf gecertificeerd natuurbeheerder is en ook niet zélf aan de overige criteria voldoet. Het hof oordeelt in deze zaak dat de criteria zo moeten worden begrepen dat de inschrijver zélf aan de criteria moet voldoen en dat deze criteria de toets dat ze objectief, redelijk en toetsbaar zijn, kunnen doorstaan. Het hof oordeelt ook dat de gemeente bij [appellante] niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij door de samenwerking met de Bosgroep aan de gestelde criteria voldoet. Het hoger beroep van [appellante] slaagt daarom niet.
3De beoordeling
De feiten
3.1.1.
De voorzieningenrechter heeft in overweging 2.1. tot en met 2.11. van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die hij voor de beoordeling relevant achtte. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht, zodat deze feiten in hoger beroep vaststaan. Het gaat in deze zaak om de volgende feiten.
3.1.2.
De gemeente is eigenaar van de percelen gelegen in de drie natuurgebieden
Cortenbacherbos, Cortenbacherweides en Haerenbos (hierna ook: de percelen). Het betreft
respectievelijk Natura 2000-gebied met een unieke vegetatie (alluviale bossen), natuurgebieden met weides en een gebied met (loof)bos. De gemeente heeft op enig moment besloten over te gaan tot verkoop van deze percelen.
3.1.3.
De percelen grenzen deels direct aan gronden die in eigendom toebehoren aan [appellante] en liggen deels in de buurt van die gronden. [appellante] exploiteert op zijn landerijen en de daarop gelegen monumentale kasteelhoeve een landbouwbedrijf.
3.1.4.
Tussen de gemeente en [appellante] is vanaf 2022 contact geweest over de percelen. [appellante]
heeft in de correspondentie tussen partijen zijn interesse kenbaar gemaakt om de percelen te
kopen.
3.1.5.
Op 3 september 2024 heeft de gemeente op zijn verzoek aan [appellante] een link
toegestuurd waarin de nadere duiding van ‘gecertificeerd natuurbeheerder’ te vinden is. De
gemeente heeft voor de definitie van gecertificeerd natuurbeheerder verwezen naar het
programma van eisen Certificering SNL 2023 voor natuurbeheerders en (agrarische)
collectieven (hierna: het programma van eisen) en daarbij onder meer gemeld dat de inschrijver moet kunnen voldoen aan de eisen in hoofdstuk 7: "Eisen Natuur - beheerders < 200 hectare".
De gemeente heeft [appellante] verzocht haar vóór eind september 2024 te berichten of hij hieraan kan voldoen.
3.1.6.
[appellante] heeft de gemeente vervolgens in een e-mail van 26 september 2024 als volgt
bericht:
“Wij kunnen voldoen aan de eisen van natuurbeheerder.”
3.1.7.
De gemeente heeft [appellante] vervolgens op 2 december 2024 erop gewezen dat de
mogelijkheid tot formele inschrijving in het Gemeenteblad van 4 december 2024 bekend zal
worden gemaakt. In het Gemeenteblad van de gemeente Voerendaal van 4 december 2024 is
vervolgens onder andere het volgende opgenomen:
“Bekendmaking openbare verkoop Cortenbacherbos, Cortenbacherweides en Haerenbos
Informatie over de natuurgebieden
De natuurgebieden worden verkocht zodat de natuurgebieden een duurzame toekomst tegemoet gaan. Dit willen we bereiken door de natuurgebieden te verkopen aan een partij die beschikt over specialistische kennis en ervaring ten aanzien van natuur en cultuurhistorie. Op deze wijze kunnen onze bewoners ook in de toekomst genieten van de bossen en weides en kan de potentie worden ontwikkeld.
(…)
Minimale eisen aan de kopende partij
De natuurgebieden en het behoud hiervan zijn van belang voor de gemeente Voerendaal, derhalve worden er duidelijke eisen gesteld aan de kopende partij. Geïnteresseerden komen enkel in aanmerking indien ze aantoonbaar en schriftelijk voldoen aan de volgende voorwaarden:
• De kopende partij is een gecertificeerd natuurbeheerder. Voor de definitie van gecertificeerd natuurbeheerder wordt verwezen naar het "Programma van eisen Certificering SNL 2023 voor natuurbeheerders en (agrarische) collectieven". De inschrijver moet kunnen voldoen aan de eisen in hoofdstuk 7: "Eisen Natuur - beheerders < 200 hectare";
• De kopende partij beschikt over voldoende kennis en ervaring om de natuurgebieden en de daarin aanwezige natuurwaarden en cultuurhistorische waarden te onderhouden en beheren;
• De kopende partij kan minimaal drie referenties van succesvol beheer van natuurgebieden van wezenlijke omvang overleggen, waarvan minimaal één een Natura 2000-gebied betreft;
• De kopende partij kan minimaal twee referenties van werkzaamheden aan cultuurhistorisch
waardevolle elementen van wezenlijke omvang overleggen;
• De kopende partij dient een plan van aanpak aan te leveren, conform hetgeen hieronder beschreven.
(…)
Procedure
Indien u interesse heeft in de koop van de natuurgebieden en u van mening bent te voldoen aan de voornoemde voorwaarden, kunt u uw interesse kenbaar maken (…). U dient de benodigde documenten toe te voegen waarmee u aantoont dat u voldoet aan de minimumeisen alsmede uw plan van aanpak voor het behoud van de natuurgebieden.
(…) De inschrijvers worden eerst getoetst op het voldoen aan de minimumeisen. Enkel het plan van aanpak van de inschrijvers die voldoen aan de minimumeisen wordt beoordeeld. Aan de hand hiervan wordt een potentiële koper gekozen. Met deze partij wordt verder in overleg getreden. De gemeente behoudt zich echter het recht voor alsnog niet tot verkoop over te gaan.”
3.1.8.
[appellante] heeft zich op 17 januari 2025 bij de gemeente als geïnteresseerde potentiële
koper ingeschreven. Als bijlage bij die inschrijving is door [appellante] een toelichting op de uit de
selectiecriteria voortvloeiende eisen en een plan van aanpak ingediend, opgesteld in
samenspraak met de Bosgroep. Daarin is, samengevat, vermeld dat [appellante] door samen te werken met de Bosgroep van de certificering en de aanwezige specifieke kennis van de Bosgroep gebruik zal maken. Dit laatste geldt met name voor het Natura 2000-gebied waarvoor kennis over het herstel van de alluviale bossen van belang is. Ook wordt verwezen naar referenties waar de Bosgroep over beschikt.
3.1.9.
Ook de Stichting Het Limburgs Landschap (hierna: SLL) heeft zich ingeschreven.
3.1.10.
De gemeente heeft in haar brief van 25 maart 2025 aan [appellante] naar aanleiding van zijn inschrijving onder andere het volgende meegedeeld:
“(…)
Wij hebben geconstateerd dat uw Inschrijving niet aan de minimumeisen voldoet. Dit leggen wij kort uit. Als minimumeisen hebben wij gesteld dat de kopende partij moet voldoen aan een aantal vereisten. Onder andere dient de kopende partij een gecertificeerd natuurbeheerder te zijn, te beschikken over voldoende kennis en ervaring om de natuurgebieden te onderhouden en te beheren, referenties te overleggen en een plan van aanpak in te dienen.
U bent de kopende partij. Om te kunnen voldoen aan vorengenoemde vereisten heeft u echter
een derde ingeschakeld, namelijk de Bosgroep Zuid Nederland. Hiermee voldoet u zelf niet aan de minimumvereisten. Gelet op het feit dat wij met de verkoop een duurzaam behoud van de natuurgebieden nastreven en u niet onlosmakelijk bent verbonden met de Bosgroep Zuid
Nederland en dit ook niet als zodanig contractueel is vastgelegd, voldoet uw inschrijving niet
aan de minimumeisen. Hierdoor komt u niet in aanmerking als koper van de natuurgebieden.
(…)”
3.1.11.
[persoon A] , regiomanager Limburg van de Bosgroep, heeft bij e-mail van 28 maart 2025 aan [appellante] en J [persoon B] naar aanleiding van voormelde brief van de gemeente onder andere als volgt bericht:
“(…)
Na het lezen van bijgaande reactie van de gemeente wil ik het volgende meegeven:
Met de huidige set van inschrijvingsvereisten, en de wijze waarop die door de gemeente wordt geïnterpreteerd, kan een particuliere partij nooit voldoen aan de eisen als hij niet al een bestaand bos/natuurterrein in eigendom heeft en dat heeft ondergebracht bij een gecertificeerd beheerder (bv bosgroep) óf zich zelfstandig heeft laten certificeren (bv via een natuurcollectief).
Een onlosmakelijke verbintenis met de bosgroep aangaan had zeker wel gekund, in de vorm van een beheerovereenkomst voor meerdere jaren, maar kan alleen worden afgesloten op een terrein wat in eigendom is. En niet op een terrein wat nog in eigendom van een andere partij, in dit geval de gemeente, is.
Met bovenstaande overwegingen kom ik tot de conclusie dat géén enkele particuliere eigenaar die niet al bos/natuur in eigendom had én SNL subsidie verkrijgt én zich individueel heeft gecertificeerd via een natuurcollectief in aanmerking kon komen voor aankoop. Vanuit juridisch oogpunt vraag ik me dan ook sterk af of de grond van afwijzing voldoet aan de randvoorwaarden die verbonden zijn aan het Didam arrest. Mogelijk dat een juridisch specialist op dit vlak deze casus kan beoordelen.”
3.1.12.
Vervolgens heeft [appellante] de gemeente in kort geding gedagvaard.
De procedure in eerste aanleg bij de voorzieningenrechter
3.2.1.
In deze procedure vordert [appellante] , samengevat,
Primair:
1. De gemeente te verbieden om de percelen te verkopen en leveren aan derden, in het
bijzonder aan SLL op straffe van verbeurte van een dwangsom;
2. De gemeente te bevelen om de percelen te verkopen en leveren aan [appellante] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;
Subsidiair:
3. De gemeente te verbieden over te gaan tot verkoop en levering van de percelen aan derden, anders dan na het doorlopen van een nieuwe openbare en non discriminatoire selectieprocedure door de gemeente, waarbij de eis van gecertificeerd natuurbeheer vervalt dan wel dusdanig van vorm wordt gewijzigd dat natuurbeheer via een coöperatieve
vereniging zoals de Bosgroep geaccepteerd wordt, en voorts om de gemeente te veroordelen om een uitnodiging aan [appellante] te sturen om deel te nemen aan die nieuwe procedure, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
Primair en subsidiair:
De gemeente te veroordelen in de proceskosten.
3.2.2.
Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
De gemeente heeft jegens [appellante] een onrechtmatige daad gepleegd doordat de gemeente a) in strijd heeft gehandeld met de eisen die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 26 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1778, Didam I), b) het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en c) het motiveringsbeginsel heeft geschonden.
3.2.3.
De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het bestreden vonnis van 28 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft de voorzieningenrechter, kort samengevat, overwogen dat de door de gemeente aan inschrijvers gestelde eisen, mede gelet op de aan de gemeente toekomende beleidsruimte bij het vaststellen van de selectiecriteria, voldoen aan de in het Didam I arrest geformuleerde voorwaarden en dat [appellante] niet aan die criteria voldoet. Het betoog dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft de voorzieningenrechter verworpen op de grond dat het onvoldoende is onderbouwd.
De procedure in hoger beroep bij het hof
3.3.
[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.
De gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
3.4.
Het hof constateert dat in hoger beroep niet in geschil is of [appellante] op dit moment een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft. Het hof overweegt dat uit de aard van de zaak volgt dat [appellante] spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft omdat de gemeente voornemens is de percelen aan de door haar geselecteerde inschrijver SLL te verkopen en leveren.
3.5.
[appellante] betoogt met de grieven 1 en 2 het volgende. De gemeente handelt met de in de ‘Bekendmaking openbare verkoop Cortenbacherbos, Cortenbacherweides en Haerenbos’ (hierna: de Bekendmaking) vermelde eisen in strijd met de door de Hoge Raad in zijn arrest van 26 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1778, Didam I) geformuleerde voorwaarden voor een geval als hier aan de orde waarin een overheidslichaam bij een privaatrechtelijke overeenkomst een onroerende zaak wenst te verkopen. De gemeente handelt daarnaast in strijd met het vertrouwensbeginsel. De toelichting van [appellante] op deze grieven luidt, verkort weergegeven, als volgt.
De Bekendmaking spreekt over “moet kunnen voldoen”. [appellante] mocht deze bewoordingen aldus begrijpen dat hij niet al ten tijde van de inschrijving, maar op enig moment moest voldoen aan de gestelde eis van certificering. [appellante] kan voldoen aan de gestelde eis dat de inschrijver moet voldoen aan Hoofdstuk 7 (Eisen Natuur - beheerders < 200 hectare) van het programma van eisen Certificering SNL 2023 voor natuurbeheerders en (agrarische) collectieven. Dat doet hij door een bestendige samenwerking met de Bosgroep. Certificering en subsidieverlening via bosgroepen is ook zeer gebruikelijk. [appellante] heeft voordat de gemeente de inschrijving opende de beoogde samenwerking met de Bosgroep besproken en de gemeente gaf aan dat [appellante] hiermee voldeed aan de eis van gecertificeerd natuurbeheerder. Door [appellante] uit te sluiten handelt de gemeente in strijd met het vertrouwensbeginsel.
SLL voldoet niet aan de eisen van Hoofdstuk 7 van voormeld Programma van eisen. Zij voldoet slechts aan de eisen van Hoofdstuk 6, zodat de gemeente geen overeenkomst met SLL mag sluiten.
De gemeente was al voor de Bekendmaking in gesprek met SLL over de verkoop van de percelen. Andere natuurorganisaties of particulieren hebben geen interesse getoond in de percelen. De gemeente wilde louter aan SLL verkopen. Alleen doordat [appellante] te kennen gaf ook in aanmerking te willen komen voor de percelen is de gemeente een openbare inschrijving gestart. Had [appellante] dat niet gedaan dan zouden de percelen al lang aan SLL zijn verkocht, al dan niet na een ‘enige gegadigde publicatie’. De gemeente heeft daarbij de eisen zo geformuleerd dat bij gebreke van interesse van andere natuurorganisaties, alleen SLL aan die eisen zou kunnen voldoen. [appellante] is geen gelijke kans geboden door de gemeente. Een particulier kan nooit aan de eisen van de gemeente voldoen omdat een deel van de percelen door een fout van de gemeente niet langer onder de SNL subsidie valt. De eis van gecertificeerd natuurbeheerder is bovendien een paardenmiddel omdat ook een koopovereenkomst met een kwalitatieve verplichting voldoende waarborgen voor de gemeente biedt.
3.6.
Het hof overweegt het volgende. Op grond van voormeld arrest van de Hoge Raad gelden voor de door de gemeente beoogde verkoop van de percelen de volgende uitgangspunten.
Het gaat in deze zaak om een privaatrechtelijke overeenkomst waarbij een overheidslichaam een aan hem toebehorende onroerende zaak verkoopt. Er is geen sprake van een aanbestedingsplichtige opdracht, hetgeen meebrengt dat de Aanbestedingswet 2012 en de op grond daarvan geldende regels van het aanbestedingsrecht hier niet van toepassing zijn.
Op grond van artikel 3:14 BW mag een bevoegdheid die krachtens het burgerlijk recht aan een overheidslichaam toekomt, niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Tot de regels van publiekrecht behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betekent dat een overheidslichaam bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee het gelijkheidsbeginsel in acht moet nemen. Dit geldt dus ook voor de beslissing met wie en onder welke voorwaarden het een overeenkomst tot verkoop van een aan hem toebehorende onroerende zaak sluit. Op dit punt verschilt de positie van een overheidslichaam van die van een private partij.
Uit het gelijkheidsbeginsel – dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen – vloeit voort dat een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. In dat geval zal het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn, waarbij het overheidslichaam beleidsruimte toekomt (Hoge Raad 15 november 2024, rov. 3.5.3., ECLI:HR:2024:1161, Didam II).
Het gelijkheidsbeginsel brengt ook mee dat het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen.
De hiervoor bedoelde mededingingsruimte door middel van een selectieprocedure hoeft niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat een ieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt.
3.7.
Gelet op de grieven van [appellante] dient het hof eerst te beoordelen wat de inhoud is van de door de gemeente geformuleerde criteria. In het bijzonder dient het hof door uitleg van de criteria te bepalen of [appellante] als redelijk geïnformeerde inschrijvende geïnteresseerde koper redelijkerwijs moest begrijpen dat hij zélf aan de gestelde criteria moet voldoen of dat hij mocht begrijpen dat hij daarbij ook gebruik mag maken van de certificering, kennis, ervaring en referenties die een derde bezit. Het hof overweegt het volgende. Het gaat hier om criteria die eenzijdig zijn opgesteld door de gemeente. In deze situatie komt bij de uitleg van de criteria belangrijke betekenis toe aan de bewoordingen van de Bekendmaking, in onderling verband en samenhang bezien. Voor de uitleg kan ook betekenis toekomen aan verklaringen of gedragingen van de gemeente, maar gelet op het gelijkheidsbeginsel alleen voor zover die jegens alle (potentiële) gegadigden voorafgaand aan de Bekendmaking zijn afgelegd of zij daarvan voorafgaand aan de Bekendmaking kennis hebben kunnen nemen.
3.8.
Het hof constateert dat de in 3.1.7. weergegeven bewoordingen van de Bekendmaking vermelden dat er duidelijke eisen worden gesteld aan de kopende partij en dat deze eisen vervolgens de koper in enkelvoud aanduiden. Zo vermelden de criteria “de koper is (…)”, “de koper beschikt (…), “de koper kan (…)” en “de koper dient (…)”. Bij gebreke van een nadere toelichting op de aldus geformuleerde eisen in de Bekendmaking moest [appellante] deze bewoordingen, in onderling verband en samenhang bezien, redelijkerwijs aldus begrijpen dat de koper zélf, in de zin van persoonlijk, aan deze eisen moest voldoen. En wel ten tijde van de inschrijving nu in de Bekendmaking is vermeld dat het plan van aanpak van inschrijvers die bij de beoordeling door de gemeente niet aan de selectiecriteria blijken te voldoen, niet wordt beoordeeld, zodat zij niet voor aankoop van de percelen in aanmerking komen.
3.9.
De voorafgaand aan de Bekendmaking op 3 september 2024 door de gemeente aan [appellante] toegezonden email is een reactie op een eerder contact tussen [appellante] en de projectleider van de gemeente, waar deze laatste meedeelt dat hij nog een nadere duiding van ‘gecertificeerd natuurbeheerder’ zou toesturen. Na raadpleging via de toegestuurde link met verwijzing naar Hoofdstuk 7 (Eisen Natuur - beheerders < 200 hectare) van het programma van eisen Certificering SNL 2023 moest [appellante] redelijkerwijs begrijpen dat de gemeente van een potentiële gegadigde verlangde dat deze zelf een gecertificeerde natuurbeheerder is. De inleiding van Hoofdstuk 7 vermeldt dat dit onderdeel van het programma van eisen van toepassing is op natuurbeheerders die ervoor hebben gekozen om een individueel certificaat aan te vragen (anders dan Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 die gaan over collectief gecertificeerd natuurbeheer). Het programma van eisen vermeldt wat de eisen aan een particulier zijn om voor certificering in aanmerking te komen (waaronder de eis dat de gecertificeerde zeggenschap heeft over het terrein doordat hij in beginsel eigenaar is van het terrein) en die eisen zijn op een particuliere natuurbeheerder toegesneden. Deze op voorhand door de gemeente aan [appellante] verstrekte informatie biedt dan ook geen aanknopingspunten voor een andere uitleg dan die het hof in overweging 3.8. heeft gegeven.
3.10.
Het gesprek tussen een wethouder en [appellante] dat, zo verklaarde [appellante] ter zitting, medio 2024 heeft plaatsgehad biedt evenmin grond voor een andere uitleg, noch biedt het grond voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Voor zover [appellante] al tegen de wethouder heeft gezegd dat hij met de Bosgroep zou gaan samenwerken en voor zover de wethouder al heeft gezegd dat dit geen bezwaar is, moest [appellante] op grond van het nadien door de projectleider namens de gemeente aan hem verzonden emailbericht van 3 september 2024 en op grond van de nadien door de gemeente in de Bekendmaking vermelde criteria redelijkerwijs begrijpen dat een potentiële gegadigde zélf een certificaat moest bezitten en zélf aan de overige eisen met betrekking tot kennis, ervaring en referenties diende te voldoen en daarvoor niet mocht leunen op certificaat, kennis, ervaring of referenties van een derde, zoals de Bosgroep. Desgevraagd ter zitting hebben de vertegenwoordigers van de gemeente meegedeeld dat hen niet door de wethouder is gezegd dat hij met [appellante] heeft besproken dat hij een samenwerking met de Bosgroep akkoord vond. [appellante] zelf heeft desgevraagd op de zitting toegelicht dat de wethouder hem in reactie op zijn toelichting dat hij met de Bosgroep wilde gaan samenwerken, naar de projectleider heeft verwezen. Los daarvan is de stelling in de grieven van [appellante] - dat de gemeente aangaf dat [appellante] met de samenwerking met de Bosgroep voldeed aan de eis van gecertificeerd natuurbeheerder - ondeugdelijk gemotiveerd. Een mededeling van een wethouder, niet zijnde het bevoegde orgaan voor het vaststellen van criteria voor de verkoop van de percelen, is zonder bijkomende feiten en omstandigheden, die [appellante] niet heeft gesteld, ontoereikend om het oordeel te rechtvaardigen dat de gemeente bij [appellante] gerechtvaardigd het vertrouwen heeft gewekt dat hij aan de criteria van de Bekendmaking voldeed door een samenwerking met de Bosgroep. Het hof overweegt voorts nog dat van [appellante] was te vergen dat hij, nadat hij de email van 3 september 2024 had ontvangen, dan wel de Bekendmaking had gelezen, direct bij de gemeente navraag had gedaan over de geldende criteria indien hij na zijn gesprek met de wethouder in de veronderstelling verkeerde dat hij door een samenwerking met de Bosgroep aan de criteria kon voldoen.
3.11.
Het hof ziet overigens in de grieven of het verhandelde ter zitting geen door [appellante] aangevoerde feiten of omstandigheden die de door [appellante] voorgestane uitleg van de criteria in de Bekendmaking rechtvaardigen.
3.12.
Vervolgens ligt ter beoordeling voor of de door de gemeente in de Bekendmaking vermelde criteria, gegeven de aan de gemeente toekomende beleidsruimte, objectief, toetsbaar en redelijk zijn. De gemeente heeft in de Bekendmaking tot uitdrukking gebracht dat zij tot doel stelt dat de natuurgebieden een duurzame toekomst tegemoet gaan en dat de gemeente dat doel wil bereiken door de natuurgebieden te verkopen aan een partij die beschikt over specialistische kennis en ervaring ten aanzien van natuur en cultuurhistorie. In de memorie van antwoord heeft zij de in de Bekendmaking vermelde selectiecriteria nog nader toegelicht. De eis van een gecertificeerd natuurbeheerder is gesteld omdat de beschermde bossen door een daartoe geëquipeerde partij dienen te worden beheerd. De eis van voldoende kennis en ervaring is gesteld omdat de gemeente zekerheid wenst dat de bossen worden behouden. De eis van het overleggen van referenties van succesvol beheer van natuurgebieden en cultuurhistorische waarden is gesteld omdat de gemeente wenst te waarborgen dat de natuurgebieden duurzaam in stand worden gehouden. Ter zitting heeft de gemeente desgevraagd nog toegelicht dat de gemeenteraad er belang aan hechtte dat een toekomstig eigenaar van de natuurgebieden zélf in staat is die gebieden duurzaam (voor een lange periode) te beheren en onderhouden. De omstandigheid dat op grond van het provinciale beleid met betrekking tot subsidies voor natuurbeheer ook samenwerkingsverbanden voor subsidies in aanmerking komen brengt niet mee dat de gemeente dat ook in haar criteria had moeten toestaan. Het belang van een goede besteding van verstrekte subsidies is een ander belang dan voormeld belang van de gemeente, aldus de gemeente.
3.13.
Het hof stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Uit voormelde overwegingen van de Hoge Raad in Didam I over hetgeen het gelijkheidsbeginsel van – in dit geval – de gemeente vergt volgt dat de gemeente beleidsruimte heeft en op basis van beleidskeuzes criteria kan opstellen waaraan potentiële gegadigden voor de aankoop van de percelen moeten voldoen omdat daarmee een publiek belang wordt gediend. Dit brengt mee dat het gelijkheidsbeginsel niet van de gemeente vergt dat zij criteria opstelt waaraan iedereen die geïnteresseerd is in de percelen kan voldoen. Dat geldt ook indien de gemeente, zoals in dit geval, bekend is met [appellante] als potentiële gegadigde.
3.14.
Het hof is van oordeel dat de door de gemeente geformuleerde criteria objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Daartoe is het volgende redengevend. De gemeente heeft toegelicht dat het mee te wegen publieke belang eruit bestaat dat het natuurbeheer op lange termijn wordt geborgd. Dit blijkt ook uit de aanhef van de opsomming van de minimale eisen, waarin staat dat er duidelijke eisen worden gesteld aan de kopende partij, gelet op het belang dat de gemeente hecht aan het behoud van de natuurgebieden. In dit verband is volgens de gemeente van belang dat de koper zelf beschikt over de benodigde kennis en kunde (met bijbehorende referenties), zeker wat betreft het beheer van de Natuur-2000-bossen. Met andere woorden: dat de koper waar het deze kennis en kunde betreft niet afhankelijk is van een derde, zoals in dit geval Bosgroep, is door de gemeente, gelet op het belang dat zij hecht aan duurzame instandhouding van de natuurgebieden verankerd in (één van) de minimale eisen. Dat is een legitiem doel dat de gemeente mocht stellen. Het sluit aan bij het eerder door de gemeenteraad genomen besluit om de bossen en natuurgebieden over te dragen aan een partij met aantoonbare kennis en kunde van het duurzaam in stand houden van deze gebieden (het voorstel B&W van 20 augustus 2024, productie 6 in hoger beroep).
Het ontbreekt aan door [appellante] te stellen feiten en omstandigheden die het oordeel rechtvaardigen dat de gemeente de criteria zo heeft opgesteld dat alleen SLL daaraan kan voldoen. Ook andere partijen, zoals Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer kunnen aan de criteria voldoen en zelfs particulieren kunnen, gelet op Hoofdstuk 7 van het programma van eisen Certificering SNL 2023, aan de criteria voldoen. Noch de omstandigheid dat Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer geen interesse in de aankoop van de percelen hadden, noch de omstandigheid dat het voor een particulier zeer lastig is aan de criteria te voldoen, brengt mee dat om die reden de beleidskeuze van de gemeente de - terughoudende - toets niet kan doorstaan.
3.15.
[appellante] heeft nog aangevoerd dat er voor de gemeente ook andere mogelijkheden
bestaan om het natuurbeheer op lange termijn te borgen, zoals het opnemen van bepaalde
garanties (als kettingbeding) in de notariële akte of het sluiten van een langjarige
beheersovereenkomst met Bosgroep. Los van het antwoord op de vraag of die suggesties
van [appellante] daadwerkelijk het natuurbeheer op lange termijn kunnen borgen, is de gemeente, gelet op de aan haar toekomende beleidsvrijheid bij het vaststellen van de minimale eisen, niet verplicht om op andere wijze invulling te geven aan die eisen dan zij heeft gedaan.
3.16.
Het hof overweegt vervolgens dat [appellante] niet aan de in de Bekendmaking vermelde criteria, waarvan de inhoud hierboven door het hof door uitleg is bepaald, voldoet. De gemeente heeft [appellante] dan ook terecht meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor de aankoop van de percelen.
3.17.
Het hof verwerpt tot slot het betoog van [appellante] dat SLL ook niet voldoet aan de criteria omdat SLL op grond van Hoofdstuk 6 van het programma van eisen Certificering SNL 2023 is gecertificeerd. De gemeente heeft onweersproken gesteld dat de eisen van Hoofdstuk 6 meeromvattend zijn dan die van Hoofdstuk 7 en dat daarom een partij die aan de eisen van Hoofdstuk 6 voldoet ook aan die van Hoofdstuk 7 voldoet. [appellante] heeft het hof vervolgens geen aanknopingspunten gegeven het standpunt van de gemeente onjuist te achten.
3.18.
De slotsom is dat de grieven 1 en 2 falen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Grief 3 met betrekking tot de proceskosten faalt daarom.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de gemeente zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 827,-
Salaris advocaat € 2.428,- (2 punt(en) x tarief II)
Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.433,-
3.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis van 28 mei 2025;
veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de gemeente, begroot op een bedrag van € 3.433,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellante] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellante] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, A.L. Bervoets en E.H. Pijnacker Hordijk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 december 2025.
griffier rolraadsheer | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|