Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:66 
 
Datum uitspraak:24-02-2026
Datum gepubliceerd:24-02-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:24/997
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:GLB 2023. Niet in geschil is dat de onderneming het gebruiksvoorschrift van het gewasbeschermingsmiddel Activus heeft overtreden. Dit betekent dat de onderneming in strijd heeft gehandeld met artikel 20, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, in samenhang met artikel 55, eerste en tweede zin, van Verordening (EG) nr. 1107/2009. Hiermee staat vast dat sprake is van het niet-naleven van een beheerseis (conditionaliteit), maar een toereikende motivering voor de beslissing van de minister om het kortingspercentage te verhogen naar 5% ontbreekt. Het beroep is gegrond. Het College voorziet zelf in de zaak en stelt de korting op de voor het kalenderjaar 2023 aan de onderneming toegekende GLB-subsidies vast op 3%.
Trefwoorden:gewassen
glb
landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
landbouwbeleid
landbouwer
subsidies
tuinbouw
vrijstelling
Wetreferenties:Uitvoeringsregeling GLB 2023
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/997

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] (onderneming)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen)




Procesverloop

Met het besluit van 8 augustus 2024 (kortingsbesluit) heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 (Uitvoeringsregeling) een korting van 5% vastgesteld op de aan de onderneming voor het kalenderjaar 2023 toegekende subsidies uit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

Met het besluit van 17 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het door de onderneming tegen het kortingsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 30 oktober 2025. Aan de zitting hebben [naam 2] , vergezeld door [naam 3] , namens de onderneming, en de gemachtigde van de minister deelgenomen.



Overwegingen


Inleiding



1.1
Door productieproblemen van de werkzame stof pendimethalin was in 2023 het (toegelaten) gewasbeschermingsmiddel Stomp 400 SC (Stomp) tijdelijk niet beschikbaar voor de Nederlandse land- en tuinbouw. Een voorraadpartij van het (niet in Nederland toegelaten) gewasbeschermingsmiddel Activus 400 SC (Activus) was wel voorhanden. Dit middel is in samenstelling, werkzame stof en gehalte gelijk aan Stomp. Er is om een tijdelijke vrijstelling van Activus voor de bestrijding van éénjarige onkruiden in diverse gewassen verzocht. Met het Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 22 maart 2023, houdende tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden […] (Staatscourant 2023, nr. 10138) (hierna: Besluit tijdelijke vrijstelling) is de aangevraagde tijdelijke vrijstelling verleend.



1.2
Op grond van het Besluit tijdelijke vrijstelling is het gebruik van Activus (pendimethalin 400 g/L) in de periode van 31 maart 2023 tot en met 27 juni 2023 toegelaten als bestrijdingsmiddel tegen eenjarige onkruiden in de toepassingsgebieden peulvruchten (m.u.v. sojaboon), uien, sjalotten, prei (onbedekte teelt), bieslook (onbedekte teelt) en bloembollen en bloemknollen (onbedekte teelt). De vrijstelling is slechts van toepassing als de gebruiksvoorschriften in de bijlage bij het Besluit tijdelijke vrijstelling worden nageleefd.



1.3
Op 8 december 2023 heeft bij de onderneming een (onaangekondigde) controle plaatsgevonden door toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Deze toezichthouders hebben hun bevindingen van de controle neergelegd in het inspectieverslag, met bijlagen, van 16 februari 2024. Volgens dit inspectieverslag hebben de
toezichthouders geconstateerd dat de onderneming op 16 mei 2023 het gewasbeschermingsmiddel Activus (in een dosering van 0,8 liter per hectare (L/ha)) heeft toegepast op drie percelen snijmais. Door Activus toe te passen op drie percelen met mais – een toepassingsgebied waarvoor geen tijdelijke vrijstelling was verleend – heeft de onderneming het gebruiksvoorschrift van het gewasbeschermingsmiddel Activus niet nageleefd. Daarmee heeft de onderneming volgens de minister artikel 20, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, in samenhang met artikel 55, eerste en tweede zin, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, overtreden. Om die reden heeft de minister met het – in het bestreden besluit gehandhaafde – kortingsbesluit een korting van 5% vastgesteld op de aan de onderneming voor het kalenderjaar 2023 toegekende GLB-subsidies.


Wettelijk kader


2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.


Standpunten van partijen


3 De onderneming ontkent niet dat zij met de toepassing van Activus op mais het gebruiksvoorschrift van dat middel heeft overtreden, maar verzet zich ertegen dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat:

“De overtreding blijft niet beperkt tot uw bedrijf, het gewasbeschermingsmiddel komt terecht in de grond en kan via grond(water) in het milieu terechtkomen met mogelijke gevolgen voor flora en fauna. Bovendien is de bespuiting onomkeerbaar."

Als er geen leveringsproblemen waren geweest, zou de onderneming het gewasbeschermingsmiddel Stomp met een gebruikshoeveelheid van 4 L/ha hebben gebruikt. Van het vervangende gewasbeschermingsmiddel Activus, met dezelfde werkzame stof pendimethalin, heeft de onderneming een aanmerkelijk lagere hoeveelheid gebruikt, namelijk 0,8 L/ha. De onderneming vindt het onbegrijpelijk dat zij door het gebruik van Activus (met een dosering van 0,8 L/ha) wordt beticht van het toebrengen van mogelijke gevolgschade aan flora en fauna, terwijl dit met het gebruik van Stomp met een dosering van 4 L/ha niet aan de orde zou zijn geweest. Een toereikende verklaring hiervoor heeft de minister niet gegeven. De onderneming vindt dat de door haar aangehaalde alinea uit het bestreden besluit moet komen te vervallen en dat de opgelegde korting moet worden beperkt tot 1%.

4 De minister handhaaft zijn standpunt dat gelet op de ernst van de niet-naleving van de conditionaliteit terecht een korting van 5% is vastgesteld en geeft hiervoor de volgende motivering. De ernst van een niet-naleving is afhankelijk van het belang van de gevolgen van de niet-naleving, gelet op de doelstellingen van de betrokken eis of norm. In dat kader is van belang dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 tot doel heeft een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen. Om dat hoge niveau te waarborgen, moeten gewasbeschermingsmiddelen op de juiste wijze, overeenkomstig de toelating ervoor, worden gebruikt. Uit het gebruiksvoorschrift van Activus blijkt duidelijk dat de tijdelijke vrijstelling niet gold in het toepassingsgebied mais. Dat het gebruik van Activus zorgt voor een lagere milieubelasting dan het gebruik van Stomp, betreft slechts een eigen inschatting van de onderneming. Het niet volgen van de gebruiksvoorschriften en het op basis van een eigen inschatting van de milieugevolgen toepassen van een niet toegelaten middel op mais, samen met de omstandigheid dat de (gevolgen van de) toepassing van Activus op drie percelen mais met een totale oppervlakte van circa 5 ha onomkeerbaar is, maakt dat de minister geen aanleiding ziet om – zoals de onderneming heeft verzocht – het kortingspercentage te verlagen van 5% naar 1%.


Beoordeling door het College




5.1
Het GLB 2023 van de Europese Unie is voor zover hier van belang vastgelegd in Verordening (EU) 2021/2115, Verordening (EU) 2021/2116, Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2290 en Gedelegeerde Verordening 2022/1172. Pijlers van deze nieuwe verordeningen zijn het meer resultaatgericht en marktgericht maken van het GLB en het ondersteunen en versterken van duurzaamheid en milieubescherming. Er is geen sprake van een compleet nieuw systeem, maar wel van een aantal wijzigingen ten opzichte van het GLB zoals dat tot
1 januari 2023 gold. De nationale invulling van de GLB-verordeningen is neergelegd in de Uitvoeringsregeling.



5.2
Paragraaf 11 (Conditionaliteiten) van de toelichting op de Uitvoeringsregeling in de Staatscourant luidt voor zover hier van belang als volgt:

“De inzet van het GLB is bij te dragen aan een land- en tuinbouw sector die kan voorzien in veilig, gezond en betaalbaar voedsel waarbij in de productie rekening wordt gehouden met milieu, dierenwelzijn en dierengezondheid. Vanaf 2005 komen landbouwers alleen in aanmerking voor rechtstreekse betalingen als ze voldoen aan uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RBE’s) op deze terreinen en de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van de grond (GLMC’s). Dit pakket normen en eisen werden de randvoorwaarden genoemd. Deze randvoorwaarden worden in het nieuwe GLB
‘conditional[i]teit’ genoemd en worden, met enkele aanpassingen, gecontinueerd.”

6 Niet in geschil is dat de onderneming door toepassing van het gewasbeschermingsmiddel Activus op 16 mei 2023 op drie percelen met mais het gebruiksvoorschrift van dat middel heeft overtreden. Weliswaar was ten tijde van belang op grond van het Besluit tijdelijke vrijstelling Activus als onkruidbestrijdingsmiddel toegestaan, maar alleen in de toepassingsgebieden die waren vermeld in de bijlage bij dat besluit. Mais staat niet als toepassingsgebied vermeld in die bijlage. Dit betekent dat de onderneming in strijd heeft gehandeld met artikel 20, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, in samenhang met artikel 55, eerste en tweede zin, van Verordening (EG) nr. 1107/2009. Hiermee staat vast dat sprake is van het niet-naleven van de beheerseis (conditionaliteit), als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2021/2115, opgenomen in bijlage 3 bij artikel 32, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, onder RBE 7 – Gewasbeschermingsmiddelen.


7.1.1
Overeenkomstig het tweede lid van artikel 85 van Verordening (EU) 2021/2116 bedraagt het percentage waarmee de voor een kalenderjaar toegekende GLB-subsidies wegens de niet-naleving van een conditionaliteit worden gekort in de regel 3%. Bij geconstateerde niet-opzettelijke niet-nalevingen kan de minister op basis van de door de bevoegde controleautoriteit (hier de NVWA) geleverde beoordeling van de niet-naleving en rekening houdend met de criteria van artikel 85, eerste lid, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2116, besluiten het kortingspercentage te verlagen naar 1%, dan wel, wanneer een geconstateerde niet-opzettelijke niet-naleving ernstige gevolgen voor de verwezenlijking van de doelstelling van de betrokken norm of eis heeft of een rechtstreeks gevaar voor de volks- of diergezondheid vormt, verhogen naar maximaal 10% (artikel 9, eerste en tweede lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172).



7.1.2
Ter beoordeling ligt voor of de minister in de (gestelde) ernst van de niet-naleving terecht aanleiding heeft gezien het kortingspercentage te verhogen tot 5%, of dat de onderneming gevolgd kan worden in haar betoog dat een verlaging van het kortingspercentage naar 1% hier passend is. Het College overweegt als volgt. De in artikel 85, eerste lid, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2116 genoemde (en hier van belang zijnde) criteria voor een verhoging of verlaging in geval van niet opzettelijke niet-naleving zijn de ernst, de omvang, het permanent karakter of de herhaling van de geconstateerde niet-naleving. Hoewel het College de minister volgt in zijn motivering over het doel en het belang van naleving van Verordening (EG) nr. 1107/2009, betrekt het College bij de beoordeling dat het middel Activus in samenstelling, werkzame stof en gehalte gelijk is aan Stomp. Daarnaast wordt in het bestreden besluit gesproken over mogelijke gevolgen voor flora en fauna en heeft de minister desgevraagd niet nader kunnen toelichten waar de (ernst, omvang of het permanente karakter van de) mogelijke gevolgen voor het milieu, alsook de gestelde onomkeerbaarheid daarvan, bij toepassing van Activus – anders dan die bij toepassing van Stomp – uit bestaan. Zonder die nadere toelichting ontbreekt naar het oordeel van het College een toereikende motivering voor de beslissing van de minister om het kortingspercentage wegens de ernst van de niet-naleving te verhogen naar 5%. Het College ziet in wat de onderneming aanvoert evenwel ook geen aanleiding voor de verzochte verlaging van het vastgestelde kortingspercentage naar 1%. Vast staat dat de onderneming niet de gebruiksvoorschriften van Activus heeft gevolgd en dit voor mais niet toegestane middel op drie percelen snijmais heeft gebruikt. Op de zitting heeft de onderneming daarover onder meer verklaard dat zij “beter had moeten kijken” en “het etiket [van Activus] misschien niet goed heeft gelezen”. Deze onoplettendheid dient voor rekening en risico van de onderneming te blijven.



7.1.3
Het College komt tot het oordeel dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd voor zover de minister aanleiding heeft gezien om bij het vaststellen van het kortingspercentage wegens de niet-naleving van de conditionaliteit af te wijken van het in het tweede lid van artikel 85 van Verordening (EU) 2021/2116 genoemde percentage van 3%.




7.2
Voor zover de onderneming heeft verzocht om te bepalen dat de hiervoor onder 2 geciteerde alinea uit het bestreden besluit komt te vervallen, behoeft dat onderdeel geen bespreking meer gelet op de gevolgen die het College hierna aan het voorgaande verbindt.



7.3
Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College dient aansluitend te bezien welk gevolg deze uitkomst heeft. Op grond van artikel 8:41a van de Awb dient de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. In de gegeven omstandigheden, waaronder ook de omstandigheden dat inmiddels geruime tijd is verstreken, en een neerwaartse bijstelling met 2% punt een betrekkelijk gering bedrag (een aantal honderden euro’s) vertegenwoordigt, ziet het College aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien zoals hierna wordt vermeld.


Slotsom


8 Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het kortingsbesluit te herroepen en de korting op de voor het kalenderjaar 2023 aan de onderneming toegekende GLB-subsidies vast te stellen op 3%. Verder zal het College bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

9 Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het door de onderneming betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.




Beslissing

Het College:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


herroept het kortingsbesluit, stelt de korting op de aan de onderneming voor het kalenderjaar 2023 toegekende GLB-subsidies vast op 3% en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;


draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan de onderneming te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. M.L. Noort en
mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.







w.g. H.L. van der Beek w.g. J.M. Baars





Bijlage


Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen


Artikel 55
Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
Gewasbeschermingsmiddelen moeten op juiste wijze worden gebruikt.
Een juist gebruik houdt in dat de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken worden toegepast, en dat wordt voldaan aan de voorschriften die overeenkomstig artikel 31 zijn vastgesteld en op het etiket nader zijn aangegeven. Het voldoet ook aan de bepalingen van Richtlijn 2009/128/EG en met name aan de algemene beginselen van een geïntegreerde gewasbescherming als bedoeld in artikel 14 van en in bijlage III bij voornoemde richtlijn, die uiterlijk met ingang van 1 januari 2014 wordt toegepast.


Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd


Artikel 12
Beginsel en toepassingsgebied
1. De lidstaten nemen in hun strategische GLB-plannen een conditionaliteitssysteem op, op grond waarvan aan landbouwers en andere begunstigden die rechtstreekse betalingen krachtens hoofdstuk II of jaarlijkse betalingen krachtens de artikelen 70, 71 en 72 ontvangen, een administratieve sanctie wordt opgelegd als zij niet voldoen aan de uit het Unierecht voortvloeiende beheerseisen en de in het strategisch GLB-plan vastgestelde en in bijlage III vermelde GLMC-normen, met betrekking tot de volgende specifieke gebieden:







a)


klimaat en milieu, met inbegrip van water, lucht, grond en biodiversiteit van ecosystemen;













b)


volksgezondheid en gezondheid van planten;













c)


dierenwelzijn.





2. Het strategisch GLB-plan bevat voorschriften inzake een doeltreffend en evenredig systeem van administratieve sancties. Deze voorschriften voldoen met name aan de vereisten van titel IV, hoofdstuk IV, van Verordening (EU) 2021/2116.
3. De in bijlage III bedoelde rechtshandelingen betreffende de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen gelden in de toepasselijke versie en, in het geval van richtlijnen, zoals geïmplementeerd door de lidstaten.
4. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis” verstaan elke in een bepaalde rechtshandeling vastgestelde afzonderlijke beheerseis die voortvloeit uit het Unierecht als vermeld in bijlage III die inhoudelijk verschilt van de andere in diezelfde handeling gestelde eisen.


Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid


Artikel 84, eerste lid, aanhef en onder a en b
Systeem van administratieve sancties in het kader van de conditionaliteit
1. De lidstaten zetten een systeem op dat voorziet in de toepassing van administratieve sancties op begunstigden als bedoeld in artikel 83, lid 1, van deze verordening, die op enig moment in het betrokken kalenderjaar niet voldoen aan de verplichtingen van titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115
De in de eerste alinea bedoelde administratieve sancties gelden alleen wanneer de niet-naleving het gevolg is van een handelen of nalaten dat rechtstreeks aan de betrokken begunstigde kan worden toegeschreven, en aan één of beide van de volgende voorwaarden is voldaan:







a)


de niet-naleving houdt verband met de landbouwactiviteit van de begunstigde;













b)


de niet-naleving houdt verband met het bedrijf als gedefinieerd in artikel 3, punt 2), van Verordening (EU) 2021/2115 of met andere op het grondgebied van dezelfde lidstaat gelegen arealen onder beheer van de begunstigde. […]







Artikel 85, eerste en tweede lid
Toepassing en berekening van de administratieve sancties
1. De in artikel 84 bedoelde administratieve sancties worden toegepast in de vorm van een verlaging of uitsluiting van het totale bedrag van de in artikel 83, lid 1, bedoelde betalingen die aan de desbetreffende begunstigde zijn toegekend of moeten worden toegekend voor steunaanvragen die de begunstigde in het kalenderjaar van de bevinding van de niet-naleving heeft ingediend of zal indienen. De verlagingen of uitsluitingen worden berekend op basis van de betalingen die zijn toegekend of moeten worden toegekend voor het kalenderjaar waarin de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Wanneer echter niet kan worden bepaald in welk kalenderjaar de niet-naleving heeft plaatsgevonden, worden de verlagingen of uitsluitingen berekend op basis van de betalingen die zijn toegekend of moeten worden toegekend voor het kalenderjaar van de bevinding van de niet-naleving.
Voor de berekening van die verlagingen en uitsluitingen wordt rekening gehouden met de ernst, de omvang, het permanente karakter of de herhaling en de opzettelijkheid van de geconstateerde niet-naleving. De opgelegde administratieve sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.
De administratieve sancties berusten op de overeenkomstig artikel 83, lid 6, verrichte controles.
2. Het verlagingspercentage bedraagt in de regel 3% van het totale bedrag van de in lid 1 bedoelde betalingen. […]


Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties


Artikel 9, eerste en tweede lid
1. Bij geconstateerde niet-opzettelijke niet-nalevingen kan het betaalorgaan op basis van de door de bevoegde controleautoriteit geleverde beoordeling van de niet-naleving en rekening houdend met de criteria van artikel 85, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2116 besluiten het in artikel 85, lid 2, van die verordening vermelde percentage te verlagen tot maximaal 1%.
2. Wanneer een geconstateerde niet-opzettelijke niet-naleving ernstige gevolgen voor de verwezenlijking van de doelstelling van de betrokken norm of eis heeft of een rechtstreeks gevaar voor de volks- of diergezondheid vormt, kan het betaalorgaan op basis van de door de bevoegde controleautoriteit geleverde beoordeling van de niet-naleving, waarin rekening wordt gehouden met de criteria van artikel 85, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) 2021/2116, besluiten het in artikel 85, lid 5, van die verordening vermelde percentage te verhogen tot maximaal 10%. (…)


Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden


Artikel 20, eerste lid
Overtredingen van de verordening
1. Het is verboden in strijd te handelen met de artikelen […] 55, […] van verordening (EG) 1107/2009 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen. […]


Uitvoeringsregeling GLB 2023


Artikel 32, aanhef en onder a
Een landbouwer die deelneemt aan één of meer van de onder artikel 2, eerste
en tweede lid, bedoelde regelingen, neemt de volgende bepalingen in acht:
a. de beheerseisen, bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2021/2115,
opgenomen in bijlage 3; en

Bijlage 3 bij artikel 32, onderdeel a
[…]









RBE 7. Gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 55, eerste en tweede zin, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (Pb L 309):




7.1


Artikel 20, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden slechts in samenhang met artikel 55, eerste en tweede zin, van Verordening (EG) nr. 1107/2009


Gebruiksvoorschrift
De verplichting dat een middel dat gebruikt wordt als gewasbeschermingsmiddel, in Nederland toegelaten moet zijn. Het gewasbeschermingsmiddel moet gebruikt worden volgens de voorschriften die ‘overeenkomstig artikel 31 zijn vastgesteld en op het etiket nader zijn aangegeven’.










Staatscourant 2022, nr. 29696.
Link naar deze uitspraak