Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:65 
 
Datum uitspraak:24-02-2026
Datum gepubliceerd:24-02-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:25/5
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:GLB 2023. De minister is terecht tot de slotsom gekomen dat de vennootschap in strijd heeft gehandeld met het tweede lid van artikel 3.93 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarmee staat vast dat sprake is van het niet-naleven van een beheerseis (conditionaliteit). Het College volgt het standpunt van de minister dat hier sprake is van opzet als bedoeld in het eerste lid van artikel 35 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023. Aan de vennootschap komt geen beroep toe op het lex mitior-beginsel. De minister heeft terecht een kortingspercentage van 15% vastgesteld op de door de vennootschap voor het kalenderjaar 2023 aangevraagde GLB-subsidies. Het beroep is ongegrond.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
glb
landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
landbouwbeleid
landbouwer
perceel
subsidies
tuinbouw
waterschap
Wetreferenties:Uitvoeringsregeling GLB 2023
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/5

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] (vennootschap)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen)




Procesverloop

Met het besluit van 13 augustus 2024 (kortingsbesluit) heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 (Uitvoeringsregeling) een korting van 15% vastgesteld op de door de vennootschap voor het kalenderjaar 2023 aangevraagde subsidies uit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

Met het besluit van 28 november 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het door de vennootschap tegen het kortingsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 30 oktober 2025. Aan de zitting hebben [naam 2] ( [naam 2] ), namens de vennootschap, vergezeld door [naam 3] , en de gemachtigde van de minister deelgenomen.



Overwegingen


Inleiding



1.1
Het GLB 2023 van de Europese Unie is voor zover hier van belang vastgelegd in Verordening (EU) 2021/2115, Verordening (EU) 2021/2116, Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2290 en Gedelegeerde Verordening 2022/1172. Pijlers van deze nieuwe verordeningen zijn het meer resultaatgericht en marktgericht maken van het GLB en het ondersteunen en versterken van duurzaamheid en milieubescherming. Er is geen sprake van een compleet nieuw systeem, maar wel van een aantal wijzigingen ten opzichte van het GLB zoals dat tot
1 januari 2023 gold. De nationale invulling van de GLB-verordeningen is neergelegd in de Uitvoeringsregeling.



1.2
Paragraaf 11 (Conditionaliteiten) van de toelichting op de Uitvoeringsregeling in de Staatscourant luidt voor zover hier van belang als volgt:

“De inzet van het GLB is bij te dragen aan een land- en tuinbouw sector die kan voorzien in veilig, gezond en betaalbaar voedsel waarbij in de productie rekening wordt gehouden met milieu, dierenwelzijn en dierengezondheid. Vanaf 2005 komen landbouwers alleen in aanmerking voor rechtstreekse betalingen als ze voldoen aan uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen (RBE’s) op deze terreinen en de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van de grond (GLMC’s). Dit pakket normen en eisen werden de randvoorwaarden genoemd. Deze randvoorwaarden worden in het nieuwe GLB
‘conditional[i]teit’ genoemd en worden, met enkele aanpassingen, gecontinueerd.”

2 [naam 2] is (via [naam 2] B.V.) enig aandeelhouder en bestuurder van de vennootschap. De (hoofd-)activiteit van de vennootschap bestaat uit het telen van diverse gewassoorten. De vennootschap heeft uitbetaling van de basispremie, de extra betaling eerste 40 hectare en de eco-regeling aangevraagd.

3 Met het – in het bestreden besluit gehandhaafde – kortingsbesluit heeft de minister een korting van 15% vastgesteld op de door de vennootschap voor het kalenderjaar 2023 aangevraagde GLB-subsidies. Hieraan ligt ten grondslag dat op 17 april 2023 bij de vennootschap een (onaangekondigde) controle heeft plaatsgevonden door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarbij is geconstateerd dat de vennootschap – in de persoon van [naam 2] – in strijd met het tweede lid van artikel 3.93 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, binnen twee meter van de insteek van een oppervlaktelichaam spuitapparatuur heeft gevuld. Daarmee heeft de vennootschap een van de voorwaarden (conditionaliteiten) die geldt bij het aanmaken en transporteren van gewasbeschermingsmiddelen niet nageleefd.


Wettelijk kader



[nummer] Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.


Standpunt van de vennootschap


5 [naam 2] erkent dat de spuitmachine weliswaar (te) dicht bij de sloot stond, maar als hij had vermoed dat daardoor enig risico was op vervuiling van het oppervlaktewater, zou hij de spuitmachine verder van de sloot af hebben gezet. Van de hem verweten opzet is dan ook geen sprake. Verder betwist [naam 2] dat het door de toezichthouder van de NVWA genomen meetpunt – zijnde het rechterachterwiel als uiterste punt van de spuitmachine – het juiste meetpunt is. [naam 2] vindt dat de vulplek die zich bovenop de spuitmachine bevindt als meetpunt moet worden genomen, omdat die vulplek de risicoplek is. [naam 2] verwijst naar verklaringen van twee handhavers van het waterschap [naam 4] en één handhaver van de [naam 5] . Zij verklaren dat zij de vulplek bovenop de gebruikte spuitapparatuur aanhouden als punt om de afstand tot de insteek van het oppervlaktewater te meten. Daarbij komt dat in het per 1 januari 2024 van toepassing zijnde Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) de afstand van twee meter is losgelaten en dat hierin is opgenomen dat voldoende afstand moet worden gehouden tot een oppervlaktewaterlichaam. Alles bij elkaar vindt [naam 2] dat hij aan alle voorwaarden heeft voldaan en dat de minister de voor 2023 aangevraagde GLB-subsidies ten onrechte met 15% heeft gekort.


Standpunt van de minister




6.1
De minister stelt zich op het standpunt dat, gelet op de bevindingen van de toezichthouder van de NVWA op 17 april 2023, sprake is van een niet-naleving van de voorwaarde (conditionaliteit) die volgt uit het tweede lid van artikel 3.93 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De toezichthouder heeft vastgesteld dat op een landbouwperceel van de vennootschap de afstand tussen het vulpunt van de daar aanwezige spuitmachine en de insteek van het oppervlaktewaterlichaam niet de vereiste minimale twee meter bedroeg, maar slechts circa 1.30 meter. Bij het meten van die afstand is niet het rechterachterwiel van de spuitmachine als meetpunt gebruikt, maar – conform de praktijk van de NVWA – het zogenoemde vulpunt van de spuitapparatuur. Het betreft het punt waar de zuigslang op de machine wordt aangesloten dan wel aan de machine wordt gekoppeld. De reden dat dit vulpunt bij de meting als uitgangspunt wordt genomen, is omdat dit punt de risicoplek betreft daar waar het gaat om het overlopen van een spuittank, het terugstromen van spuitvloeistof in de vulleiding of het morsen. Dat handhavers van het waterschap [naam 4] en de [naam 5] met betrekking tot deze meting een andere werkwijze dan de NVWA hanteren, heeft de vennootschap niet (voldoende) onderbouwd.



6.2
De minister is aan de hand van de in artikel 35, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling genoemde criteria tot de conclusie gekomen dat sprake is van een voorwaardelijk opzettelijke niet-naleving. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat [naam 2] zich voorafgaand aan het vullen van de spuitmachine niet ervan heeft verzekerd dat de machine zich op een afstand van minimaal twee meter van de insteek van het oppervlaktewaterlichaam bevond. Hij heeft zelf verklaard dat hij er te dicht op stond. Door toch door te gaan met het vullen van de spuitmachine met het oppervlaktewater, heeft [naam 2] op zijn minst het risico aanvaard dat zijn handelen of nalaten een niet-naleving tot gevolg heeft. Reden om de verklaring van [naam 2] buiten beschouwing te laten, ziet de minister niet.



6.3
Tot slot stelt de minister dat met de inwerkingtreding op 1 januari 2024 van het Bal de in artikel 3.93 van het Activiteitenbesluit milieubeheer neergelegde verplichting is aangepast, maar dat van gunstigere wetgeving geen sprake is. Los daarvan is het lex mitior-beginsel niet van toepassing op een conditionaliteitenkorting.


Beoordeling door het College


7 Het College stelt voorop dat, zoals op de zitting is besproken, het beroep is gericht tegen het kortingsbesluit. Waar in het bestreden besluit wordt verwezen naar ‘het besluit van 19 augustus 2024’, moet daarvoor ‘het besluit van 13 augustus 2024’ worden gelezen.



8.1
Het geschil ziet allereerst op de vraag of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vennootschap artikel 3.93, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer
heeft overtreden.



8.2
Op grond van het tweede lid van artikel 3.93 van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet bij het vullen van apparatuur waarin gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen worden aangemaakt, die niet is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening, de apparatuur zich op een afstand van ten minste twee meter van de insteek van een oppervlaktewaterlichaam bevinden.


8.3
Op 21 april 2023 heeft een toezichthouder van de NVWA een rapport van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van een door hem op het bedrijf van de vennootschap uitgevoerde inspectie. De (onaangekondigde) inspectie was in het kader van controle op naleving van de voorschriften voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, zoals neergelegd in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het rapport van bevindingen is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“Bevinding(en):
Op maandag 17 april 2023, omstreeks 14:50 uur bevond ik mij, rapporteur [naam 6]
, op de openbare weg [adres] te [woonplaats 2] , gemeente

[woonplaats 3] . Op een landbouwperceel nabij huisnummer [nummer] zag ik,
rapporteur, een landbouwvoertuig, zijnde een rode [naam 7] zelfrijdende veldspuit
naast het oppervlaktewaterlichaam staan. Dichterbij gekomen zag ik, rapporteur,
een manspersoon bovenop de zelfrijdende veldspuit staan, met in zijn handen een
witte plastic jerrycan en zag ik, rapporteur, dat deze manspersoon de spuittank
vulde met water vanuit een waterdragende sloot welke naast het perceel lag.
Vanuit het dienstvoertuig zag ik, rapporteur, dat de zelfrijdende veldspuit te dicht
op de insteek van het oppervlaktewaterlichaam stond. Hierop heb ik het
dienstvoertuig stilgezet en ben ik naar de zelfrijdende veldspuit toegelopen en heb
ik, rapporteur, een nader onderzoek ingesteld.
Ik, rapporteur, zag dat de zuigslang, die aan de spuittank van de zelfrijdende
veldspuit was bevestigd, naar de waterdragende sloot voer. Het uiteinde van deze
slang lag in het water van het oppervlaktewaterlichaam. Toen ik, rapporteur,
naast de zelfrijdende veldspuit stond, zag ik dat dit voertuig binnen 2 meter vanaf
de insteek van het oppervlaktewaterlichaam stond en hoorde ik, rapporteur, dat
de zuigpomp aan het werk was en water door de slang naar de spuittank voerde.
Ik, rapporteur, heb de afstand gemeten doormiddel van een meetlint, vanaf de
insteek van het oppervlaktewater tot de plek waar de zelfrijdende veldspuit stond
geparkeerd. De afstand betrof circa 1.30 meter.
[…]
Ik, rapporteur, stelde de heer [naam 2] op de hoogte van mijn bevindingen en
deelde hem mede dat het verboden is om apparatuur, waarin
gewasbeschermingsmiddelen worden aangemaakt, die niet is opgesteld boven een
bodem beschermende voorziening, te vullen als de apparatuur zich binnen een
afstand van 2 meter van de insteek van een oppervlaktewaterlichaam bevindt. Ik,
rapporteur, heb de heer [naam 2] Rapport van bevindingen aangezegd.


Omschrijving van het feit:

Vullen spuitappartuur binnen 2 meter van insteek oppervlaktewaterlichaam.
[…]
Ik, rapporteur, bracht [naam 2] van mijn bevindingen op de hoogte en deelde hem mede dat de Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit naar aanleiding hiervan een bestuurlijke
boete kan opleggen. Tevens deelde ik [naam 2] , sprekend voor zich, en
sprekend als vennoot binnen de Besloten vennootschap [naam 1] B.V.
ingevolge het bepaalde in artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht, dat
hij niet tot antwoorden verplicht was. Hierop verklaarde [naam 2] mij,
rapporteur, op het perceel omstreeks 15:00 uur het volgende:


"Ik dacht dat ik buiten de 2 m stond. Ik had in mijn achteruitkijkspiegel gekeken.


Ik gooide de slang in het water en zag dat ik er te dicht op stond. Ik had haast en


dacht laat maar. Ik ga Clinic spuiten dat is een herbicide. Op een land dat ik later


ga inzaaien met bieten. Ik zag u meten en u kwam op 1,30 m. Verder heb ik niets


meer te verklaren. "


Ik, rapporteur, heb de in concept genoteerde zienswijze aan betrokkene [naam 2]
voorgelezen. Betrokkene [naam 2] verklaarde hierin te volharden en wenste zijn
zienswijze niet te ondertekenen.”



8.4
Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, als de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door (een) hiertoe bevoegde toezichthouder(s) en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. Als het rapport van bevindingen, zoals in dit geval, niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, komt aan de in het rapport vermelde feiten en omstandigheden daarmee minder bewijskracht toe, dan wanneer deze zouden zijn opgenomen in een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit betekent evenwel niet dat de minister zijn besluit niet (uitsluitend) op het rapport van bevindingen mocht baseren. Het College betrekt hierbij dat dit rapport is opgesteld door een opgeleide toezichthouder, van wie niet is gebleken dat deze een belang heeft bij het onjuist vermelden van wat hij heeft waargenomen (zie de uitspraak van het College van 28 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:38, onder 5.2).



8.5
De vennootschap betwist niet dat, uitgaande van het door de NVWA genomen meetpunt van de spuitmachine, de afstand tussen de spuitmachine en de sloot 1.30 meter, althans minder dan twee meter, was. Wel betwist de vennootschap dat de NVWA bij het meten van de afstand van het juiste meetpunt van de spuitmachine is uitgegaan. De minister heeft in beroep uiteengezet dat voor het meetpunt is uitgegaan van het (vul-)punt waar de zuigslang op de spuitmachine wordt aangesloten omdat dit punt de risicoplek betreft daar waar het gaat om het overlopen van een spuittank, het terugstromen van spuitvloeistof in de vulleiding of het morsen. De vennootschap daarentegen betoogt dat de vulplek die zich bovenop de spuitmachine bevindt, als meetpunt moet worden genomen, omdat dat een risicoplek is. Het College stelt vast dat de tekst van het tweede lid van artikel 3.93 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet naar een specifieke meetplek verwijst. In dat artikellid wordt erover gesproken dat de (spuit)apparatuur zich bij het vullen op een afstand van ten minste twee meter van de insteek van een oppervlaktelichaam moet bevinden. Gelet op deze tekst en de in beroep door de minister gegeven toelichting over de gemeten afstand gaat het College uit van de juistheid van de bevinding van de toezichthouder dat de spuitmachine van [naam 2] zich op het moment van de inspectie binnen twee meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam bevond. Of toezichthouders van het waterschap [naam 4] en de [naam 5] een andere werkwijze hanteren bij het meten dan de NVWA, doet hier niet ter zake nu het toezicht op de naleving van het Activiteitenbesluit milieubeheer was opgedragen aan de NVWA.



8.6
Dit leidt tot de conclusie dat de minister terecht tot de slotsom is gekomen dat de vennootschap in strijd heeft gehandeld met het tweede lid van artikel 3.93 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarmee staat vast dat sprake is van het niet-naleven van de beheerseis (conditionaliteit), als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2021/2115, opgenomen in bijlage 3 bij artikel 32, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling, onder RBE 8.8 – Voorschriften aanmaken en transporteren van gewasbeschermingsmiddelen.



9.1
Vervolgens ligt de vraag voor of de vennootschap met betrekking tot de niet-naleving van de conditionaliteit opzet kan worden verweten.



9.2
Op grond van het eerste lid van artikel 35 van de Uitvoeringsregeling is een niet-naleving van een conditionaliteit opzettelijk begaan als de landbouwer de desbetreffende niet-naleving heeft beoogd of als de landbouwer het risico heeft aanvaard dat zijn handelen of nalaten een niet-naleving tot gevolg heeft. De criteria aan de hand waarvan de opzet wordt beoordeeld staan vermeld in het tweede lid. Bij een geconstateerde opzettelijke niet-naleving wordt het totale bedrag aan verleende GLB-subsidies met ten minste 15% gekort (artikel 85, zesde lid, van Verordening (EU) 2021/2116 en artikel 10 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172).



9.3
De minister verwijt [naam 2] dat, nadat hij zich ervan bewust was geworden dat de spuitapparatuur (te) dicht bij de sloot stond, hij een laconieke houding heeft aangenomen door desondanks door te gaan met het vullen van de spuitapparatuur. [naam 2] betwist dat sprake is van opzet. Het College is van oordeel dat de minister aan de in het rapport van bevindingen opgenomen verklaring van [naam 2] : “[…] Ik gooide de slang in het water en zag dat ik er te dicht op stond. Ik had haast en dacht laat maar. […]”, de conclusie mocht verbinden dat [naam 2] daarmee de mogelijkheid heeft aanvaard dat zijn handelen of nalaten een niet-naleving tot gevolg heeft. Door in weerwil van de constatering dat de spuitapparatuur (te) dicht bij de sloot stond, deze niet te verplaatsen naar een afstand van ten minste twee meter van de sloot alvorens te beginnen met het vullen daarvan, is sprake van het bewust nalaten van een handeling waarmee de niet-naleving had kunnen worden voorkomen.



9.4
Het College ziet geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan het gegeven dat [naam 2] heeft geweigerd zijn verklaring te ondertekenen. Van belang hierbij is dat volgens het rapport van bevindingen de door hem afgelegde verklaring (zienswijze) aan [naam 2] is voorgelezen en dat [naam 2] , hoewel hij liet weten de verklaring niet te willen ondertekenen, heeft verklaard in de verklaring te volharden. Dat [naam 2] het met de (inhoud van de) genoteerde verklaring niet eens was, blijkt verder nergens uit. Voor zover [naam 2] met zijn opmerking op de zitting dat hij zich door de toezichthouder overvallen voelde heeft bedoeld aan te voeren dat hij zijn verklaring onder druk heeft afgelegd, ontbreken aanknopingspunten daarvoor. Het College ziet dan ook geen reden om het standpunt van de minister dat hier sprake is van opzet als bedoeld in het eerste lid van artikel 35 van de Uitvoeringsregeling niet te volgen.

10 Wat betreft de verwijzing van de vennootschap naar het Bal overweegt het College dat ten tijde van de gepleegde overtreding het Activiteitenbesluit milieubeheer (nog) van toepassing was. Of met de inwerkingtreding van het Bal per 1 januari 2024 sprake is van gunstigere wet- en regelgeving doet niet ter zake, nu een korting op aangevraagde GLB-subsidies niet als bestraffende (punitieve) sanctie wordt aangemerkt (zie het arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2012 in de zaak C-489/10, Bonda, ECLI:EU:C:2012:319). Dit betekent dat het vierde lid van artikel 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin het tweede lid van artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht in de situatie dat een bestuurlijke boete wordt opgelegd van overeenkomstige toepassing is verklaard, hier niet van toepassing is. De bepaling uit dat tweede lid houdt in dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast (het zogenoemde lex-mitiorbeginsel). Nu, zoals hiervoor al is overwogen, het wegens niet-naleving van een conditionaliteit vastgestelde kortingspercentage – anders dus dan een opgelegde bestuurlijke boete – een sanctie is die niet bestraffend van aard is, komt aan de vennootschap geen beroep op het lex mitior-beginsel toe.

11 Gelet op het voorgaande is de slotsom dat de minister terecht een kortingspercentage van 15% heeft vastgesteld op de door de vennootschap voor het kalenderjaar 2023 aangevraagde GLB-subsidies.

12 Het College stelt wel vast dat met de als bijlage 2 bij het verweerschrift overgelegde, van markeringen voorziene foto’s, in samenhang met de nadere toelichting van de minister in het verweerschrift en op de zitting over de wijze van het meten van de afstand tussen de spuitapparatuur en de sloot, het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering. Het College ziet aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. In dat artikel staat dat een besluit, ook als sprake is van een gebrek, in stand kan worden gelaten als aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Daarvan is in dit geval sprake, aangezien aannemelijk is dat met een deugdelijke motivering een besluit met een gelijke uitkomst zou zijn genomen. Het College betrekt daarbij dat de vennootschap de gelegenheid heeft gehad, en ook van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt, om haar standpunt in beroep zowel schriftelijk als mondeling op de zitting naar voren te brengen.

13 In het onder 12 vastgestelde gebrek ziet het College aanleiding om te bepalen dat de minister het door de vennootschap betaalde griffierecht aan haar vergoedt. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.




Beslissing

Het College:


verklaart het beroep ongegrond;


bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht van € 385,- aan de vennootschap dient te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. M.L. Noort en
mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.







w.g. H.L. van der Beek w.g. J.M. Baars





Bijlage


Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd


Artikel 12
Beginsel en toepassingsgebied
1. De lidstaten nemen in hun strategische GLB-plannen een conditionaliteitssysteem op, op grond waarvan aan landbouwers en andere begunstigden die rechtstreekse betalingen krachtens hoofdstuk II of jaarlijkse betalingen krachtens de artikelen 70, 71 en 72 ontvangen, een administratieve sanctie wordt opgelegd als zij niet voldoen aan de uit het Unierecht voortvloeiende beheerseisen en de in het strategisch GLB-plan vastgestelde en in bijlage III vermelde GLMC-normen, met betrekking tot de volgende specifieke gebieden:







a)


klimaat en milieu, met inbegrip van water, lucht, grond en biodiversiteit van ecosystemen;













b) volksgezondheid en gezondheid van planten;
















c) dierenwelzijn.








2. Het strategisch GLB-plan bevat voorschriften inzake een doeltreffend en evenredig systeem van administratieve sancties. Deze voorschriften voldoen met name aan de vereisten van titel IV, hoofdstuk IV, van Verordening (EU) 2021/2116.
3. De in bijlage III bedoelde rechtshandelingen betreffende de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen gelden in de toepasselijke versie en, in het geval van richtlijnen, zoals geïmplementeerd door de lidstaten.
4. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis” verstaan elke in een bepaalde rechtshandeling vastgestelde afzonderlijke beheerseis die voortvloeit uit het Unierecht als vermeld in bijlage III die inhoudelijk verschilt van de andere in diezelfde handeling gestelde eisen.


Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid


Artikel 84
Systeem van administratieve sancties in het kader van de conditionaliteit
1. De lidstaten zetten een systeem op dat voorziet in de toepassing van administratieve sancties op begunstigden als bedoeld in artikel 83, lid 1, van deze verordening, die op enig moment in het betrokken kalenderjaar niet voldoen aan de verplichtingen van titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115
De in de eerste alinea bedoelde administratieve sancties gelden alleen wanneer de niet-naleving het gevolg is van een handelen of nalaten dat rechtstreeks aan de betrokken begunstigde kan worden toegeschreven, en aan één of beide van de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a) de niet-naleving houdt verband met de landbouwactiviteit van de begunstigde;
b) de niet-naleving houdt verband met het bedrijf als gedefinieerd in artikel 3, punt 2), van Verordening (EU) 2021/2115 of met andere op het grondgebied van dezelfde lidstaat gelegen arealen onder beheer van de begunstigde.
Wat bosarealen betreft, geldt de in de eerste alinea bedoelde administratieve sanctie echter niet wanneer voor het areaal in kwestie geen steun wordt geclaimd overeenkomstig de artikelen 70 en 71 van Verordening (EU) 2021/2115.
[…]

Artikel 85
Toepassing en berekening van de administratieve sancties
1. De in artikel 84 bedoelde administratieve sancties worden toegepast in de vorm van een verlaging of uitsluiting van het totale bedrag van de in artikel 83, lid 1, bedoelde betalingen die aan de desbetreffende begunstigde zijn toegekend of moeten worden toegekend voor steunaanvragen die de begunstigde in het kalenderjaar van de bevinding van de niet-naleving heeft ingediend of zal indienen. De verlagingen of uitsluitingen worden berekend op basis van de betalingen die zijn toegekend of moeten worden toegekend voor het kalenderjaar waarin de niet-naleving heeft plaatsgevonden. Wanneer echter niet kan worden bepaald in welk kalenderjaar de niet-naleving heeft plaatsgevonden, worden de verlagingen of uitsluitingen berekend op basis van de betalingen die zijn toegekend of moeten worden toegekend voor het kalenderjaar van de bevinding van de niet-naleving.
Voor de berekening van die verlagingen en uitsluitingen wordt rekening gehouden met de ernst, de omvang, het permanente karakter of de herhaling en de opzettelijkheid van de geconstateerde niet-naleving. De opgelegde administratieve sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.
De administratieve sancties berusten op de overeenkomstig artikel 83, lid 6, verrichte controles.
2. Het verlagingspercentage bedraagt in de regel 3% van het totale bedrag van de in lid 1 bedoelde betalingen.
3. Indien de niet-naleving geen of slechts onbeduidende gevolgen heeft voor het bereiken van de doelstelling van de betrokken norm of eis, wordt geen administratieve sanctie toegepast.
De lidstaten zetten een bewustmakingsmechanisme op om ervoor te zorgen dat begunstigden worden geïnformeerd over geconstateerde gevallen van niet-naleving en mogelijke te nemen corrigerende maatregelen. Dat mechanisme omvat ook de specifieke bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw bedoeld in artikel 15 van Verordening (EU) 2021/2115, waar de betrokken begunstigden mogelijk verplicht aan moeten deelnemen.
4. Wanneer een lidstaat het in artikel 66, lid 1, punt c, bedoelde areaalmonitoringsysteem gebruikt om gevallen van niet-naleving op te sporen, kan hij besluiten een lager verlagingspercentage dan dat in lid 2 van dit artikel toe te passen.
5. Wanneer de niet-naleving ernstige gevolgen heeft voor het bereiken van de doelstelling van de betrokken norm of eis of een direct risico vormt voor de volksgezondheid of diergezondheid, wordt een hoger verlagingspercentage dan het in lid 2 bepaalde percentage toegepast.
6. Wanneer dezelfde niet-naleving aanhoudt of zich eenmaal herhaalt binnen drie opeenvolgende kalenderjaren, bedraagt het verlagingspercentage in de regel 10% van het totale bedrag van de in lid 1 bedoelde betalingen. Verdere herhalingen van dezelfde niet-naleving zonder gegronde reden van de begunstigde worden beschouwd als gevallen van opzettelijke niet-naleving.
In het geval van opzettelijke niet-naleving bedraagt het verlagingspercentage ten minste 15% van het totale bedrag van de in lid 1 bedoelde betalingen.
7. Om te zorgen voor een gelijk speelveld voor de lidstaten en voor een doeltreffend, evenredig en afschrikkend effect van de administratieve sancties uit hoofde van dit hoofdstuk, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 102 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening, met gedetailleerde regels voor de toepassing en berekening van die sancties.


Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties


Artikel 10 Verlagingspercentages in geval van opzettelijke niet-naleving
De procentuele verlaging bij een geconstateerde opzettelijke niet-naleving bedraagt ten minste 15% van het totale bedrag aan betalingen en steun als bedoeld in artikel 83, lid 1, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2021/2116. Op basis van de beoordeling van de niet-naleving die de bevoegde controleautoriteit heeft geleverd, en rekening houdend met de criteria van
artikel 85, lid 1, tweede alinea, van die verordening kan het betaalorgaan besluiten om het percentage te verhogen tot maximaal 100%.


Uitvoeringsregeling GLB 2023


Artikel 32, aanhef en onder a
Beheerseisen en GLMC’s
Een landbouwer die deelneemt aan één of meer van de onder artikel 2, eerste en tweede lid, bedoelde regelingen, neemt de volgende bepalingen in acht:
a. de beheerseisen, bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2021/2115,
opgenomen in bijlage 3; […]

Bijlage 3 bij artikel 32, onderdeel a
[…]
RBE 8. Duurzaam gebruik pesticiden
[…]

8.8
de artikelen 3.93 t/m 3.95 van het Voorschriften bij aanmaken en transporteren van
Activiteitenbesluit milieubeheer gewasbeschermingsmiddelen.

Artikel 35, eerste en tweede lid
Opzet
1. Een niet-naleving van conditionaliteiten is opzettelijk begaan indien de landbouwer de desbetreffende niet-naleving heeft beoogd of indien de landbouwer het risico heeft aanvaard dat zijn handelen of nalaten een niet-naleving tot gevolg heeft.
2 Opzet wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
a. in de omschrijving van de betrokken conditionaliteit wordt een rechtstreeks verband met de opzettelijkheid van de niet-naleving gelegd;
b. de mate van complexiteit van de conditionaliteit;
c. de aanwezigheid van langdurig bestendig beleid;
d. de niet-naleving veronderstelt een actieve handeling dan wel het bewust nalaten van een handeling;
e. de omstandigheid dat de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de conditionaliteit;
f. de omvang van de niet-naleving.



Activiteitenbesluit milieubeheer


Artikel 3.93
1. Bij het uit een oppervlaktewaterlichaam vullen van apparatuur waarin
gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen worden aangemaakt, wordt een voorziening getroffen die terugstroming van het mengsel van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen en water voorkomt.
2 Bij het vullen van apparatuur waarin gewasbeschermingsmiddelen, biociden
of bladmeststoffen worden aangemaakt, die niet is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening, bevindt de apparatuur zich op een afstand van ten minste twee meter van de insteek van een oppervlaktewaterlichaam.



Staatscourant 2022, nr. 29696
Link naar deze uitspraak