|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:1085 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-02-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202400654/1/R3 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 1 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de door [appellant C] aangevraagde omgevingsvergunning voor het gebruiken van een bijgebouw in strijd met het bestemmingsplan op het perceel [locatie A] in Den Haag geweigerd. Op het perceel [locatie A] in Den Haag heeft [appellant C], zonder te beschikken over een daarvoor vereiste omgevingsvergunning, een loods met een oppervlakte van ongeveer 240 m2 en een hoogte van 5,11 m gebouwd die wordt gebruikt als hondentrimsalon en voor het stallen van auto’s. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft die aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo afgewezen. Het college acht de loods ongewenst, omdat die vanwege de forse omvang afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit op deze locatie. [partij A] en anderen wonen ten westen en zuiden van het perceel en vinden de loods om dezelfde redenen als het college ongewenst. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | stallen | | | wabo | | | | Uitspraak | 202400654/1/R3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Den Haag, [appellant C], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 december 2023 in zaak nr. 22/4542 in het geding tussen:
[appellant C]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 1 april 2021 heeft het college de door [appellant C] aangevraagde omgevingsvergunning voor het gebruiken van een bijgebouw (hierna: loods) in strijd met het bestemmingsplan op het perceel [locatie A] in Den Haag geweigerd.
Bij besluit van 14 juni 2022 heeft het college het door [appellant C] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 december 2023 heeft de rechtbank het door [appellant C] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant C] hoger beroep ingesteld.
[appellant A] en [appellant B] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij A] en anderen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant C] heeft een zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 december 2025, waar [appellant C], vertegenwoordigd door mr. M.R. Plug, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.C. Hocks, zijn verschenen. Voorts zijn op de zitting [partij A], [partij B] en [appellant A] gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 8 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op het perceel [locatie A] in Den Haag heeft [appellant C], zonder te beschikken over een daarvoor vereiste omgevingsvergunning, een loods met een oppervlakte van ongeveer 240 m2 en een hoogte van 5,11 m gebouwd die wordt gebruikt als hondentrimsalon en voor het stallen van auto’s. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft die aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo afgewezen. Het college acht de loods ongewenst, omdat die vanwege de forse omvang afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit op deze locatie.
[partij A] en anderen wonen ten westen en zuiden van het perceel en vinden de loods om dezelfde redenen als het college ongewenst.
[appellant A] en [appellant B] wonen beiden ten zuidwesten van het perceel en vinden dat zij door de rechtbank ten onrechte niet zijn aangemerkt als belanghebbende.
Aangevallen uitspraak
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag voor een omgevingsvergunning van [appellant C] mocht afwijzen. Zij heeft hiertoe overwogen dat bij de beslissing om een omgevingsvergunning te verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo beleidsruimte toekomt aan het college. Het college heeft in het besluit op bezwaar geoordeeld dat de loods ongewenst is op deze locatie. Ter motivering heeft het college aangegeven dat de loods te fors is en deze stedenbouwkundig niet goed is ingepast. Verder is de loods erg zichtbaar vanaf de weg en tast hij het karakter van de historische lintbebouwing aan. De loods doet daarom afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit en aan de woonkwaliteit van omwonenden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college haar weigering op deze wijze voldoende draagkrachtig heeft toegelicht. Dat onder het vorige bestemmingsplan sprake was van een agrarische omgeving waarin, naar door [appellant C] wordt gesteld, ook grote bebouwing op het achtererf mogelijk was, leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het perceel kent onder het huidige bestemmingsplan de bestemming "Wonen" en hierdoor is er geen sprake van een agrarisch perceel. Dat aan de overzijde van de straat percelen gelegen zijn met een agrarische bestemming, heeft geen invloed op de bestemming die op het perceel van [appellant C] rust. Bovendien liggen deze percelen in een andere gemeente en geldt daar een ander bestemmingsplan. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college hiermee voldoende heeft toegelicht waarom hij de algemene belangen voor afwijzing zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van [appellant C].
Relevante wettelijke bepalingen
4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Procesbelang
5. Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat [appellant C] geen procesbelang meer heeft, omdat hij het perceel [locatie A] inmiddels heeft verkocht.
5.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
5.2. De Afdeling ziet geen aanleiding om het college te volgen in zijn standpunt dat [appellant C] geen procesbelang meer heeft. Op de zitting is gebleken dat [appellant C] geen eigenaar meer is van het perceel. Het perceel is op dit moment in eigendom van de zoon van [appellant C] die hier samen met zijn partner woont en de loods gebruikt. [appellant C] heeft op de zitting toegelicht dat, mocht de weigering van een omgevingsvergunning voor de loods onherroepelijk worden en de loods moet worden gesloopt, zijn zoon te veel voor het perceel heeft betaald en hij dat moet terugbetalen. [appellant C] heeft er dus belang bij dat er alsnog een omgevingsvergunning voor de loods wordt verleend. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant C] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde hoger beroep.
Toetsingskader
6. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Hoger beroepsgronden
Onzorgvuldige motivering
7. [appellant C] betoogt dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd. Op de zitting bij de rechtbank heeft [appellant C] uitleg gegeven over de totstandkoming van de loods. Hier is de rechtbank in haar uitspraak ten onrechte niet op ingegaan. [appellant C] was namelijk aanvankelijk eigenaar van zowel het perceel [locatie B] als [locatie A]. Hij wilde deze percelen splitsen, zodat zijn zoon in de woning op het perceel [locatie A] zou kunnen wonen en hijzelf in de woning op het perceel [locatie B]. De loods zou op de grens van beide percelen worden gebouwd voor gezamenlijk gebruik. Een deel van de aanwezige bebouwing op het perceel [locatie B] zou worden gesloopt. Hierdoor zou er op het perceel [locatie B] extra ruimte ontstaan voor het vergunningvrij bouwen van een bijgebouw als bedoeld in artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Omdat de loods gedeeld zou worden met het perceel [locatie A], ging [appellant C] er vanuit dat hij de maximale oppervlakte van wat op het perceel [locatie A] vergunningvrij gebouwd mag worden bij de oppervlakte van vergunningvrij toegestane bebouwing op het perceel [locatie B] mocht optellen. Zo kwam hij op een oppervlakte van 240 m2 voor de loods uit. Door de coronaperiode was [appellant C] genoodzaakt het perceel [locatie B] in november 2020 te verkopen, maar de bouw van de loods was al in oktober 2020 begonnen. [appellant C] was er toentertijd van overtuigd dat de loods legaal werd gebouwd.
7.1. De Afdeling overweegt dat de rechtbank het besluit op bezwaar toetst. Dat [appellant C] in de veronderstelling was dat geen omgevingsvergunning nodig was, duidt niet op een fout in het besluit op bezwaar. Dat de rechtbank in haar uitspraak niet is ingegaan op de door [appellant C] geschetste achtergrond, betekent dan ook niet dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
Het betoog slaagt niet.
Stedenbouwkundige context
8. [appellant C] betoogt dat de rechtbank onterecht heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de loods niet binnen de stedenbouwkundige context past. Het perceel moet in samenhang worden gezien met de percelen aan de overkant van de Dwarskade, die wel een agrarische bestemming hebben. Op de [locatie A] rustte voorheen ook een agrarische bestemming, waardoor de gebouwen op het perceel nog steeds een landelijke uitstraling hebben en een loods hier niet wezensvreemd is. Dit wordt volgens [appellant C] bevestigd in paragraaf 2.2.2. van de plantoelichting, waarin het volgende staat: "De wijk bestaat vooral uit nieuwbouw, maar langs de oude agrarische linten (Middelweg/Dwarskade) staan ook nog oudere woningen soms in combinatie met een bedrijf aan huis." Omdat de loods past binnen de stedenbouwkundige structuur van de Dwarskade, had het college de loods moeten vergunnen op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.
8.1. De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op de beroepsgrond van [appellant C] dat het perceel in samenhang moet worden gezien met de percelen aan de overkant van de Dwarskade. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.4 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Daar voegt de Afdeling aan toe dat de loods aan de achterkant van het perceel aan de zijde van het Nimfkruid staat en daardoor dichter bij de achtergelegen nieuwbouwwijk is gelegen dan bij de percelen aan de overkant van de Dwarskade. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college om deze reden terecht gekeken naar de stedenbouwkundige context van de nieuwbouwwijk. De passage uit de plantoelichting geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
Het betoog slaagt niet.
Incidenteel hoger beroep van [appellant A] en [appellant B]
9. [appellant A] en [appellant B] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij betogen dat de rechtbank hen ten onrechte niet als belanghebbenden heeft aangemerkt. [appellant A] woont aan de [locatie C] en [appellant B] woont aan de [locatie D]. De overweging van de rechtbank dat zij vanuit hun woningen niet of nauwelijks zicht hebben op de woning is onjuist. Zij hebben namelijk wel duidelijk zicht op de loods vanuit hun woningen, waardoor er sprake is van feitelijke gevolgen van enige betekenis.
9.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
9.2. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank [appellant B] ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt, omdat hij feitelijke gevolgen van enige betekenis kan ondervinden door de loods. Op de door [appellant A] en [appellant B] overgelegde foto die is gemaakt vanaf het perceel van [appellant B] is te zien hoe hij vanaf zijn perceel duidelijk zicht heeft op de loods. De Afdeling is verder van oordeel dat de rechtbank [appellant A] terecht niet heeft aangemerkt als belanghebbende, omdat hij geen feitelijke gevolgen van enige betekenis kan ondervinden van de loods. Op de door [appellant A] en [appellant B] overgelegde foto die is genomen vanuit de woning van [appellant A] is de loods nauwelijks zichtbaar. Ook is deze genomen vanuit een hoog gelegen punt, waardoor aannemelijk is dat de loods vanuit de rest van de woning nog minder zichtbaar is.
Het betoog voor zover het gaat om [appellant B] slaagt. Voor zover het betoog gaat om [appellant A], slaagt het niet.
Conclusie
10. Het hoger beroep van [appellant C] is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] is gegrond. Omdat dit hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de overwegingen van de uitspraak en niet tegen de beslissing, is er geen reden om de uitspraak te vernietigen. Wel ziet de Afdeling aanleiding om de aangevallen uitspraak te bevestigen met verbetering van de gronden.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] gegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Wolvers-Poppelaars
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
780-1176
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[..]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1˚. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2˚. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3˚. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…]
Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2;
[…]
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
[…] | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|