|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:1087 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-02-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202404985/1/R1 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland het bestemmingsplan "Hoogspanningsstation Zierikzee + herziening buitengebied (kabeltracés)" vastgesteld. In de plantoelichting is beschreven dat het energienet op Schouwen-Duiveland en Tholen vol is. Er is sprake van netcongestie. Een nieuwe aansluiting op het landelijke 150 kV-netwerk is essentieel. Het plan voorziet daarom in een nieuw hoogspanningsstation ten zuidoosten van Zierikzee tussen Straalweg en de N256. Het plan voorziet ook in voorzieningen, ondergrondse kabels en leidingen, waterberging, infrastructuur en een landschappelijke inpassing. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wonen aan de [locatie A] in Zierikzee. Hun perceel grenst aan het plangebied. Zij vrezen voor nadelige gevolgen voor hun woon- en leefklimaat. In dat verband betogen zij onder meer dat geluidhinder in de tuin van hun woning onvoldoende is onderzocht. [appellant sub 2] heeft agrarische bedrijfsgronden in het plangebied. Hij vreest dat de toegang tot een van zijn percelen in het geding komt. Ook vreest hij onder meer wateroverlast. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | geluidhinder | | | perceel | | | waterschap | | | | Uitspraak | 202404985/1/R1.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland,
2. [maatschap], gevestigd te [plaats], gemeente Schouwen-Duiveland, en [appellant sub 2], wonend te Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),
appellanten,
en
de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogspanningsstation Zierikzee + herziening buitengebied (kabeltracés)" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad en [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2025, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], bijgestaan door mr. Q.L.A. Kuijpers, advocaat te Helmond, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. Q.L.A. Kuijpers, voornoemd, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn en mr. J. Wassink, beiden advocaat te Amsterdam, en mr. R.B.J. van Vooren en J. Ocke, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Stedin Netbeheer B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], en TenneT TSO B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 29 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Toetsingskader
2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Inleiding
3. In de plantoelichting is beschreven dat het energienet op Schouwen-Duiveland en Tholen vol is. Er is sprake van netcongestie. Een nieuwe aansluiting op het landelijke 150 kV-netwerk is essentieel. Het plan voorziet daarom in een nieuw hoogspanningsstation ten zuidoosten van Zierikzee tussen Straalweg en de N256. Het plan voorziet ook in voorzieningen, ondergrondse kabels en leidingen, waterberging, infrastructuur en een landschappelijke inpassing.
[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wonen aan de [locatie A] in Zierikzee. Hun perceel grenst aan het plangebied. Zij vrezen voor nadelige gevolgen voor hun woon- en leefklimaat. In dat verband betogen zij onder meer dat geluidhinder in de tuin van hun woning onvoldoende is onderzocht.
[appellant sub 2] heeft agrarische bedrijfsgronden in het plangebied. Hij vreest dat de toegang tot een van zijn percelen in het geding komt. Ook vreest hij onder meer wateroverlast.
Procedureel
4. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] betogen dat de nota van zienswijzen ten onrechte geen deel uitmaakt van de bijlagen bij de plantoelichting.
4.1. De Afdeling stelt vast dat de raad bij de vaststelling van het plan heeft ingestemd met de antwoordnotitie waarin de zienswijzen zijn besproken, en dat deze antwoordnotitie ook als bijlage bij het bestreden besluit is toegestuurd aan de indieners van een zienswijze, waaronder [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2].
Voor zover zij betogen dat de nota van zienswijzen door derden niet digitaal is in te zien overweegt de Afdeling dat dit betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit. Dit kan om die reden de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dan ook geen aanleiding vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.
Het betoog slaagt niet.
Het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voor het overige
Locatiekeuze
5. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat bij de locatiekeuze onvoldoende rekening is gehouden met de randvoorwaarde om het hoogspanningsstation bij voorkeur te vestigen op een bestaand industrie- en/of bedrijventerrein dan wel om aan te sluiten bij de bestaande bedrijvigheid.
5.1. In paragraaf 2.1.4 van de plantoelichting zijn de randvoorwaarden voor de locatiekeuze beschreven. Een aantal randvoorwaarden is harder geformuleerd. Hiertoe behoren: de benodigde oppervlakte is ongeveer 4,5 ha, rekening houden met omgevingshinder waaronder geluidhinder, en de technische uitvoerbaarheid. Enkele andere randvoorwaarden zijn zachter geformuleerd in de vorm van een voorkeur. Hiertoe behoren vestiging op een bestaand industrie- en/of bedrijventerrein en aansluiting bij bestaande bedrijvigheid.
Er zijn 14 locaties onderzocht. Na trechtering op basis van de randvoorwaarden zijn zes locaties overwogen. Daarbij is rekening gehouden met de aspecten natuur, geluid, elektromagnetische velden, landschap, cultuurhistorie, archeologie en aardkunde, veiligheid, water, bodem, infrastructuur en ruimtegebruik. Aan de hand daarvan is gekozen voor de in het plan voorziene locatie. Dat is in de plantoelichting en bijlage 1 "Zoektocht naar locaties" uitgebreid onderbouwd.
Omdat er geen locatie beschikbaar was die aan alle voorwaarden voldeed, heeft de raad voorrang kunnen geven aan de harder geformuleerde randvoorwaarden boven de zachter geformuleerde randvoorwaarden. In wat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben aangevoerd over het niet voldoen aan de twee zachter geformuleerde criteria bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het proces van de locatiekeuze onzorgvuldig is verlopen of onvoldoende is gemotiveerd.
Het betoog slaagt niet.
Geluid
6. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte enkel de geluidsbelasting op de gevel van hun woning is onderzocht. Zij vrezen echter voor een hoge geluidsbelasting in hun tuin, die dichter bij het voorziene hoogspanningsstation ligt dan hun woning.
6.1. In de plantoelichting is onder 4.4 "Bedrijven en milieuzonering" ingegaan op de geluidsbelasting. Voor de normering heeft de raad aangesloten bij de VNG-Brochure. Het hoogspanningsstation heeft daarin een milieucategorie van 4.1. Daarvoor is voor geluid een richtafstand van 300 m vermeld. Daar wordt niet aan voldaan. Om die reden is door Peutz op 7 november 2023 het rapport "Onderzoek naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van het geprojecteerde 150/21/10 kV station Zierikzee" (hierna: het akoestisch onderzoek) opgesteld. Hierin staat dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van de woning van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] aan de [locatie A] overdag, in de avond en ’s nachts 23 dB(A) bedraagt. Dat is inclusief een toeslag van 5 dB voor het tonale karakter van het geluid. Dit komt overeen met een etmaalwaarde van 33 dB(A). Hierbij is toegelicht dat de etmaalwaarde in dit geval overeenkomt met het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de nacht van 23 dB(A) plus 10 dB. De etmaalwaarde van 33 dB(A) voldoet ruimschoots aan de richtwaarde uit de VNG-brochure van 45 dB(A).
6.2. Ook al gelden voor een tuin geen geluidsnormen, er moet uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wel onderzoek gedaan worden naar de daar heersende geluidsbelasting, om te kunnen beoordelen of daar sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indien niet wordt verwacht dat de geluidsbelasting in de tuin daar in betekenende mate van afwijkt, kan dat op basis van de geluidsbelasting op de gevel worden beoordeeld.
6.3. Op basis van het akoestisch onderzoek heeft de raad uit kunnen gaan van de verwachting dat ook de geluidsbelasting in de tuin van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] aanvaardbaar is. Gelet op de afstand tussen de tuin van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en het hoogspanningsstation zal de geluidsbelasting in de tuin namelijk niet in relevante mate afwijken van de geluidsbelasting op de gevel. Bij die beoordeling is ook van belang dat de marge tussen de etmaalwaarde van 33 dB(A) op de gevel en de richtwaarde voor de gevelbelasting van 45 dB(A) ruim is. In hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze geluidsbelasting in de tuin aanvaardbaar is.
De Afdeling ziet hiervoor bevestiging in de notitie van Peutz van 27 september 2024 die de raad als bijlage bij het verweerschrift heeft ingebracht. Hierin staat dat de etmaalwaarde van het hoogspanningsstation op het hoekpunt van het kadastrale perceel van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] 35 dB(A) zal bedragen.
Het betoog slaagt niet.
Magneetzone
7. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] vrezen voor negatieve gevolgen van het hoogspanningsstation voor hun woon- en leefklimaat in de vorm van magneetvelden. Hierbij voeren zij aan dat het plan is gebaseerd op algemene onderzoeken waaruit zou blijken dat de contour van 0,4 microtesla binnen 40 m rondom het hek van een station ligt. Uit het RIVM-rapport "Magneetvelden bij hoogspanningsstations en opstijgpunten" blijkt volgens hen echter dat de afstand afhankelijk is van de inrichting van het specifieke station. Daarom is volgens hen ten onrechte geen locatiespecifiek onderzoek gedaan. Zo waarborgt het plan niet de maatregel dat transformatoren zo ver als mogelijk van gevoelige bestemmingen worden gerealiseerd.
7.1. De raad heeft toegelicht dat de afstand uit het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] aangehaalde RIVM-rapport weliswaar afhankelijk is van enkele locatiespecifieke aspecten, maar dat die afstand volgens dat rapport naar verwachting varieert tussen de 0 m en 65 m. Weliswaar is dat beeld volgens het RIVM grillig, maar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wonen op meer dan 200 m van het voorziene hoogspanningsstation. Dat is een zodanig grotere afstand dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen locatiespecifiek onderzoek of bronmaatregelen nodig zijn.
Het betoog slaagt niet.
Waardevermindering
8. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] vrezen dat het voorziene hoogspanningsstation zal leiden tot een vermindering van de waarde van hun woning.
8.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Het beroep van [appellant sub 2] voor het overige
Deelintrekking
9. Ter zitting heeft [appellant sub 2] het beroep ingetrokken wat betreft de beroepsgrond dat het plan voorziet in een weg die op de grens van het plangebied doodloopt.
Toegang perceel
10. [appellant sub 2] is eigenaar van onder meer het agrarische perceel kadastraal bekend gemeente Zierikzee, sectie N, nrs. 268. Hij betoogt dat de in het plan verplicht voorziene landschappelijke inpassing is ingetekend op de gronden waar de toegangswegen tot zijn perceel liggen. Hij vreest daarom dat zijn perceel niet meer vanaf de openbare weg bereikbaar zal zijn.
10.1. [appellant sub 2] heeft momenteel drie toegangswegen vanaf de Straalweg naar bovengenoemd perceel. Ter zitting is gebleken dat het voortbestaan van de twee zuidelijke toegangswegen voor hem voldoende is.
10.2. In het landschapsplan is een deel van de landschappelijke inpassing ingetekend ter plaatse van de twee zuidelijke toegangswegen.
In artikel 3.4.1, aanhef en onder b, van de planregels staat de voorwaardelijke verplichting om bepaalde landschapsmaatregelen op de gronden met de bestemming "Groen - Landschappelijk", zoals opgenomen in het landschapsplan uit bijlage 1, te realiseren en in stand te houden.
10.3. De gronden van [appellant sub 2] waarop de twee zuidelijke toegangswegen liggen hebben echter niet de bestemming "Groen - Landschappelijk" maar de bestemming "Agrarisch". De bestemming "Agrarisch" komt niet voor in artikel 3.4.1, aanhef en onder b, van de planregels. Dit brengt met zich dat bovenstaande voorwaardelijke verplichting niet van toepassing is op gronden met de bestemming "Agrarisch". Daarmee is het landschapsplan voor die gronden niet juridisch bindend.
Ter zitting heeft de raad toegelicht dat dit onderdeel van de landschappelijke inpassing wel in het landschapsplan staat vanwege het aanvankelijk bestaande voornemen om dit perceel van [appellant sub 2] geheel te verwerven en het landschapsplan daar op dat moment alsnog uit te voeren. Op verzoek van [appellant sub 2] zal echter een gedeelte van het perceel, waaronder het deel waar de toegangswegen aanwezig zijn, niet worden verworven.
Dit betekent dat de twee zuidelijke toegangswegen blijven bestaan zolang [appellant sub 2] eigenaar is van de betrokken gronden.
Het betoog slaagt niet.
Waterberging en -afvoer
11. [appellant sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte geen waarborg biedt voor een goede afwatering van zijn gronden, kadastraal bekend gemeente Zierikzee, sectie N, nrs. 273, 297 en 298. Hierbij voert hij aan dat de afwatering afhankelijk zal worden van een kleiner aantal bestaande sloten die daarvoor niet toereikend zijn.
11.1. Ter zitting heeft [appellant sub 2] toegelicht dat het hem gaat om het behoud van de secundaire watergang ten westen van de hierboven genoemde percelen, die is ingetekend op de legger van het Waterschap Scheldestromen (hierna: de secundaire watergang).
11.2. Het plan voorziet voor de secundaire watergang grotendeels in de bestemming "Water". Voor zover de watergang op de verbeelding lijkt te worden onderbroken voorziet het plan daar in de bestemming "Groen - Landschappelijk". Deze bestemming laat ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder d, van de planregels ook water toe.
Wel voorziet de planregeling voor de bestemming "Groen - Landschappelijk" in de uitvoering van landschapsplan uit bijlage 1 bij de planregels. Daarin is de secundaire watergang weergegeven met de aanduiding "wateroppervlak bestaand". Die aanduiding is tweemaal onderbroken.
Verder voorziet het plan op drie plekken van de secundaire watergang in de dubbelbestemmingen "leiding - leidingstrook" dan wel "Leiding - Hoogspanning".
11.3. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de secundaire watergang niet zal worden onderbroken. Waar dat nodig is voor de uitvoering van het plan zullen duikers worden toegepast. Dat geldt voor de onderbreking uit het landschapsplan en, indien nodig, voor de aanleg van leidingen. Een alternatief voor het laatste is dat de leidingen onder de watergang door worden getrokken, aldus de raad. Bij de uitvoering van het plan zal hier een keuze in worden gemaakt.
11.4. De Afdeling stelt voorop dat het plan is onderbouwd met een watertoets die is opgenomen in bijlage 11 bij de plantoelichting. Ook heeft vooroverleg met het Waterschap plaatsgevonden. Niet gebleken is dat het plan voor wat betreft de waterhuishouding stuit op bezwaren van het Waterschap.
Voor zover wijziging van de secundaire watergang nodig zal zijn, is daar op grond van artikel 4.1 van de Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen 2012 van het Waterschap een watervergunning voor nodig.
Omdat de waterafvoer al langs deze weg is gewaarborgd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad had moeten voorzien in een voorwaardelijke verplichting daaromtrent.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
12. De beroepen zijn ongegrond.
13. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hupkes
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
635 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|