Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:1910 
 
Datum uitspraak:21-01-2026
Datum gepubliceerd:25-02-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/9678 en ROT 25/965 ROT 25/9678 en ROT 25/965
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingswet. Kortsluiting. Verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep tegen de oplegging door het college van een last onder dwangsom aan eiser wegens het zonder omgevingsvergunning plaatsen van een stacaravan nabij de woning van eiser. Het beroep is ongegrond en het verzoek is afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had behoren af te zien van handhavend optreden. Ook is geen aanleiding voor het oordeel dat het college het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel (artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht) heeft genomen.
Trefwoorden:agrarisch
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 25/9678 en ROT 25/9657


uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen



[eiser], uit Brielle, eiser
(gemachtigde: mr. A.P. Cornelissen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam 3] en [naam 4] uit Brielle (belanghebbenden)
(gemachtigde: [naam 5]).




Procesverloop

1. Het college heeft met het besluit van 25 maart 2025 (het primaire besluit) een last onder dwangsom opgelegd aan eiser wegens het zonder omgevingsvergunning plaatsen van een stacaravan op het perceel aan de [adres] (het perceel).


1.1.
Met het besluit van 4 november 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college bij de last onder dwangsom gebleven.



1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.



1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college en belanghebbenden. De gemachtigde van belanghebbenden heeft zich afgemeld.



1.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Spoedeisend belang

3. Belanghebbenden betwisten dat eiser een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek, omdat een financieel belang, het verbeuren van dwangsommen, onvoldoende reden vormt om een voorlopige voorziening te treffen.


3.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek, omdat de begunstigingstermijn voor het laatst met het besluit van 2 december 2025 is verlengd tot zes weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Eiser moet binnen deze termijn de stacaravan verwijderen, zodat eisers belang niet louter financieel is.


Toetsingskader

4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.


Totstandkoming van het besluit

5. Belanghebbenden hebben met de brief van 11 april 2024 het college verzocht om handhavend op te treden tegen de stacaravan op het perceel van eiser.



5.1.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het “Omgevingsplan Buitengebied Westvoorne” van kracht. Voorgaand omgevingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft de bestemming “Algemeen grondgebruik” (artikel 69 van de planregels) en “Wonen” (artikel 6 van de planregels).



5.2.
Een toezichthouder van het college heeft onder meer geconstateerd dat op het perceel naast de hoofdwoning met de bestemming “Algemeen grondgebruik” een stacaravan met een oppervlakte van 28m2 aanwezig is. Op deze gronden is geen bebouwing toegestaan. Eiser heeft aangegeven de stacaravan te hebben geplaatst om deze te gebruiken als bed and breakfast. Met het primaire besluit heeft het college een last onder dwangsom aan eiser opgelegd wegens het zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en technische bouwactiviteit realiseren van een stacaravan. Eiser kan aan de last onder dwangsom voldoen door de stacaravan te verwijderen en verwijderd te houden.



5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een overtreding.



5.4.
Met het bestreden besluit heeft het college ook beslist dat eiser in strijd handelt met artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet (technische bouwactiviteit). Eiser heeft daartegen geen gronden aangevoerd. De voorzieningenrechter beoordeelt dat daarom niet.


Had het college behoren af te zien van handhaven?

6. Eiser betoogt dat het college had behoren af te zien van handhaving, omdat handhaving onevenredig is. Daartoe voert eiser aan dat hij met een brief van 18 juli 2024 het college heeft verzocht om een vooroverleg over de legalisering van de stacaravan. Met een e-mail van een medewerker van het college van 6 maart 2025 is aangegeven dat het vooroverleg wordt aangehouden, totdat er meer duidelijkheid is over de mogelijke toekomstige wijzigingen in het omgevingsplan, waarbij mogelijk meer bebouwing wordt toegestaan. Gelet hierop begrijpt eiser niet waarom het college tot handhaving is overgegaan. Als het onderzoek uitwijst dat er meer bebouwingsmogelijkheden komen, kan dat ertoe leiden dat de stacaravan kan blijven staan. Het is dan ook onevenredig om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen die hem dwingt de stacaravan te verwijderen, terwijl niet uitgesloten is dat hij de stacaravan later weer mag terugzetten. Anders dan het college, stelt eiser dat het vooroverleg niet afgesloten is.



6.1.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.



6.2.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.



6.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vormt de e-mail van 6 maart 2025 waarin aan eiser is gecommuniceerd dat het vooroverleg wordt aangehouden geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college had behoren af te zien van handhavend optreden tegen de stacaravan. Vaststaat is dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat ten aanzien van de huidige locatie. Het legaliseringsvraagstuk ziet met name op de vraag of de stacaravan binnen het bestemmingsvlak “Wonen” mogelijk is. Voorts wordt in de e-mail van 6 maart 2025 ook aangekondigd dat eiser binnenkort een dwangsombesluit ontvangt in verband met het handhavingsverzoek voor het chalet. Hoewel de communicatie omtrent het vooroverleg vanuit het college naar eiser ongelukkig is, zoals in het advies dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit ook is erkend, heeft het college naast het algemeen belang dat gediend is met handhaving aangegeven dat het ook rekening dient te houden met de belangen van belanghebbenden. Daarbij komt dat met de adviezen van Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw duidelijk naar eiser is gecommuniceerd dat zowel het verruimen én verplaatsen van het bestemmingsvlak “Wonen” niet tot de mogelijkheden behoort. De situatie dat in de toekomst het aantal vierkante meters dat is toegestaan aan gebouwen en overkappingen binnen het bestemmingsvlak “Wonen” maakt, wat daar verder van zij, nog steeds dat de stacaravan op de huidige locatie buiten de bestemming “Wonen” is gelegen. Gelet op voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel (artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht) heeft genomen. Het betoog slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft en het college door kan gaan met handhaven. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Algemene wet bestuursrecht




Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.



Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
[…].


Omgevingswet




Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
[…],
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
[…],
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.


Omgevingsplan


69 Algemeen grondgebruik
Gronden ter plaatse van de aanduiding 'Algemeen grondgebruik' mogen worden gebruikt voor:


weidegang bij een manege als bedoeld in artikel 4, een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 5, een paardenstalling als bedoeld in artikel 14 en een paardenhouderij als bedoeld in artikel 15;


productiegrond bij een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 5;


hobbymatige weidegang en hobbymatige productiegrond, primair voor eigen gebruik;


parkeervoorzieningen op eigen erf ten behoeve van de bij de aangrenzende functie toegestane voorzieningen;


voor zover sprake is van openbaar gebied:




groen;


water;


speelvoorzieningen;


voet- en fietspaden;


parkeervoorzieningen;


bestaande wegen met ten hoogste 2x1 doorgaande rijstrook, alsmede invoegstroken, opstelstroken, busstroken en daarmee gelijk te stellen bijzondere rijstroken.








152Bouwregels bij algemeen grondgebruik
Ter plaatse van deze aanduiding mag worden gebouwd ten behoeve van het algemeen toegestaan grondgebruik en gelden de volgende bouwregels:


erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van ten hoogste 1 m;


gebouwen, uitsluitend ten behoeve van nutsvoorziening en met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2 per gebouw;


voor zover sprake is van openbaar gebied:




bouwwerken, geen gebouw en geen overkapping zijnde, ten behoeve van de verkeersregeling, de wegaanduiding of de verlichting;


overige bouwwerken, geen gebouw en geen overkapping zijnde, met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m.




Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.


Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Artikel 5.1, eerste lid, onder a, en artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet.
Link naar deze uitspraak