Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:138 
 
Datum uitspraak:22-01-2026
Datum gepubliceerd:26-02-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-24/1071
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Energiebelasting (EB) en opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE). Zijn geografische gescheiden gelegen onroerende zaken van drie tuinbouwbedrijven aan te merken als een samenstel in de zin van de Wet WOZ en vormen zij aldus één aansluiting voor de heffing van EB en ODE. Besluit Milieubelastingen, toepassing vertrouwensbeginsel.
Trefwoorden:belastingrecht
gewassen
meststoffen
woz-beschikking
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/1071


Uitspraak van 22 januari 2026

in het geding tussen:


[X] B.V., te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: E. Staas)

en

de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 november 2024, nummer SGR 23/7082.




Procesverloop


1.1.
Belanghebbende heeft over de maand oktober 2021 aangifte energiebelasting (EB) en opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE) gedaan. Op deze aangifte is een bedrag van € 491.495 voldaan, waarvan € 195.699 aan EB en € 295.796 aan ODE.



1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar aangetekend tegen de voldoening op aangifte van de EB en ODE en verzocht om teruggaaf van EB en ODE.



1.3.
De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.



1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75;
 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”



1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend bij het Hof.


1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 december 2025. Partijen zijn verschenen. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
Belanghebbende levert elektriciteit aan een drietal verbruikers, te weten [B.V. A] , [B.V. A-1] en [B.V. B] Deze verbruikers oefenen op verschillende locaties glastuinbouwbedrijven uit. Elke locatie heeft een of meer eigen leveringspunten waarop belanghebbende elektriciteit levert.



[A-Groep]



2.2.

[B.V. A] en [B.V. A-1] zijn een onderdeel van de [A-Groep] . De [A-Groep] teelt diverse tomatensoorten. Het hoofdkantoor bevindt zich in [woonplaats 1] . Een belangrijk onderdeel van de bedrijfsvoering van de [A-Groep] is teeltplanning en teeltstrategie. De teelt en verkoop vinden plaats in coöperatief verband. Binnen de coöperatie wordt afgestemd wie welke productsoort teelt en wie wanneer de teelt wisselt. De vraag vanuit de markt en het aanbod van de telers wordt daarmee op elkaar afgestemd. Een locatie kan niet zelfstandig bepalen welke tomaat wordt geteeld, in welke weken de teelt wordt gewisseld, en of en hoeveel er wel/niet belicht wordt. Binnen de directie van de [A-Groep] is één persoon verantwoordelijk voor de teelt op de verschillende locaties. Deze persoon voert regelmatig overleg over de planning van de teelt met de teeltmanagers van een aantal aangewezen locaties en de regiomanager.



2.3.
De regiomanager is verantwoordelijk voor alle processen op de locaties in de gemeenten [Gemeente 1] en [Gemeente 2] . In perioden van teeltwissel worden oude planten weggehaald en de kassen schoongemaakt en opnieuw opgebouwd met jonge planten. Hierbij wordt een zelfde ploeg personeelsleden op de verschillende locaties ingezet. Daarnaast wordt centraal de benodigde apparatuur, waaronder meetapparatuur, bladveegapparaten en versnipperaars, overgebracht naar de desbetreffende locatie. De energiemanager is verantwoordelijk voor de belichting en de sturing van de warmte-krachtkoppeling-installatie (WKK) op de desbetreffende locaties. Er is één persoon verantwoordelijk voor de aansturing van het klimaat over de verschillende adressen. De locaties in en rondom het [Gemeente 1] zijn met elkaar verbonden via zogenoemde VPN-verbindingen. Naast de teeltplanning en klimaatbeheersing worden onder meer financiën, administratie, energiebeheer, personeelszaken, planning, verkoop, onderhoud en transport aangestuurd vanuit het hoofdkantoor van de [A-Groep] . Vanuit de centrale aansturing wordt in drukke periodes het personeel op verschillende locaties ingezet. Centraal bepaalt de [A-Groep] welke WKK wordt aangezet en elektriciteit produceert. Ook bij de noodpool voor elektriciteit wordt op centraal niveau bepaald op welke locaties de lampen aan/uit gaan en waar de aggregaten aan/uit gaan. De aan de buitenkant van de locaties zichtbare bedrijfskleuren en het bedrijfslogo zijn op alle locaties identiek. Ook is de digitale vormgeving, zoals advertenties en de nieuwsbrief, voor alle locaties gelijk.



[B.V. A]




2.4.
In de periode waarop het onderhavige hoger beroep ziet had [B.V. A] twee locaties met één aansluiting in de [Gemeente 1] ( [adres 1] te [woonplaats 2] en [adres 2] te [woonplaats 3] ) en twee locaties met elk een aansluiting in de [Gemeente 2] ( [adres 3] en [adres 4] te [woonplaats 4] ). [adres 3] en [adres 4] te [woonplaats 4] zijn aangemerkt als samenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onderdeel d, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De locaties [adres 1] en [adres 2] bevinden zich hemelsbreed op ongeveer 2.600 meter van elkaar. De afstand tussen [adres 2] enerzijds en [adres 3] en [adres 4] anderzijds bedraagt hemelsbreeds ongeveer 3.000 meter. De locatie [adres 2] bestaat uit meerdere kadastrale percelen. Op de locatie [adres 2] bevinden zich twee WKK’s, kassen, een hemelwaterbassin, kantoor- en technische ruimten, toiletten en een kantine. De locaties [adres 1] en [adres 2] zijn niet als een samenstel aangemerkt in een WOZ-beschikking. De afstand tussen [adres 1] enerzijds en [adres 3] en [adres 4] anderzijds bedraagt hemelsbreed ongeveer 1.500 meter. Tussen de locaties liggen wegen, bebouwde en onbebouwde eigendommen van derden. Ook de locatie [adres 1] bestaat uit meerdere kadastrale percelen. Op deze locatie bevinden zich vier WKK’s, kassen, een hemelwaterbassin, kantoor- en technische ruimten, toiletten en een kantine.



[B.V. A-1]




2.5.

[B.V. A-1] maakte gebruik van twee locaties in de [Gemeente 3] ( [adres 5] en [adres 6] te [woonplaats 5] ). De afstand tussen deze locaties bedraagt hemelsbreed ongeveer 295 meter. Tussen deze locaties liggen wegen en bebouwde en onbebouwde eigendommen van derden. Op de [adres 5] bevinden zich onder andere kassen, een hemelwaterbassin, een kantoor en overige bedrijfsgebouwen. Op de [adres 6] bevinden zich onder meer kassen, een hemelwaterbassin en een bedrijfsgebouw.
In de WOZ-beschikking voor het (belasting)jaar 2021 op naam van [B.V. A-1] zijn de kadastrale percelen en de aldaar aanwezige opstallen op [adres 5] en [adres 6] te [woonplaats 5] aangemerkt als samenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onderdeel d, Wet WOZ.



[B.V. B]




2.6.
Ook [B.V. B] teelt tomaten en maakte gebruik van drie locaties in de [Gemeente 3] ( [adres 7] , [adres 8] en [adres 9] te [woonplaats 5] ). De afstand tussen [adres 7] en [adres 8] bedraagt hemelsbreed ongeveer 185 meter, de afstand tussen [adres 8] en [adres 9] bedraagt ongeveer 295 meter en de afstand tussen [adres 7] en [adres 9] bedraagt hemelsbreed ongeveer 250 meter. Tussen de drie locaties liggen wegen en gebouwde en ongebouwde eigendommen van derden. De drie locaties zijn voorzien van een hemelwaterbassin, welke via leidingen met elkaar verbonden zijn. Op de [adres 7] wordt dagelijks de werkkleding van het personeel verzameld en gewassen. De opslag van materialen, machines, meststoffen en overige verpakkingen vindt voor alle locaties centraal plaats op de [adres 7] . Het personeel en materieel wordt ingezet op de verschillende locaties. Op de [adres 8] is de centrale vergaderruimte. Op de [adres 9] is geen verlichting in de kassen aanwezig. De tomatensoort, teeltstrategie en teeltplanning wordt hierop afgestemd. Daarnaast vinden inkoop en verkoop, teelt/oogstplanning, klimaataansturing en energie, transport, financiën, administratie en personeel centraal plaats. De directie en de locatiemanagers zijn samen verantwoordelijk voor de teeltplanning en teeltstrategie. Alle locaties zijn voorzien van vlaggen en borden met het bedrijfslogo van [B.V. B]
In de WOZ-beschikking op naam van [B.V. B] voor het (belasting)jaar 2021 zijn de kadastrale percelen en de aldaar aanwezige opstallen op [adres 7] , [adres 8] en [adres 9] te [woonplaats 5] aangemerkt als samenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onderdeel d, van de Wet WOZ.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:


“Beoordeling



Moeten de WOZ-beschikkingen worden gevolgd?


19. Voor de vraag of sprake is van één of meer aansluitingen voor de EB en ODE verwijst artikel 47, eerste lid, onderdeel f, van de Wbm naar een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet WOZ. Of sprake is van een samenstel en daarmee van één aansluiting voor de EB en de ODE dient dus in beginsel zelfstandig te worden beoordeeld. Het Besluit verplicht verweerder naar het oordeel van de rechtbank verder ook niet om de onderhavige WOZ-beschikkingen te volgen. Bij de uitleg van beleidsregels moet ervan worden uitgegaan dat belastingplichtigen deze hebben moeten begrijpen zoals deze naar de objectieve beschouwing van de rechter redelijkerwijze dienen te worden opgevat.[8] Volgens het Besluit wordt in de energiebelasting aangesloten bij een door de gemeente afgegeven WOZ-beschikking als daaruit blijkt dat sprake is van één onroerende zaak. Hieruit kan redelijkerwijs niet worden begrepen dat verweerder in alle gevallen waarin de gemeente in een WOZ-beschikking is uitgegaan van een samenstel, verplicht is om deze objectafbakening te volgen. In de onderhavige WOZ-beschikkingen is kennelijk, partijen zijn het hierover eens, uitgegaan van een samenstel. Uit die beschikkingen blijkt echter niet dat sprake is van één onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van de Wet WOZ. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd zelfstandig te beoordelen of hiervan, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, sprake is.


Is sprake van een samenstel?


20. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een samenstel dient de rechtbank per verbruiker te beoordelen of de betreffende locaties naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren. Bij deze beoordeling dienen alle (relevante) omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking te worden genomen.[9] Daarbij kan van belang zijn of sprake is van een geografisch samenhangend geheel, in welk geval beslissend is of het bedrijf als één samenhangend geheel moet worden beschouwd waarbinnen de betreffende eigendommen voor één organisatorisch doel worden aangewend.[10]
21. De rechtbank stelt vast dat de locaties hoofdzakelijk kassencomplexen betreffen, waarin verschillende tomatensoorten geteeld (kunnen) worden. De verschillende locaties bevinden zich op enige afstand van elkaar, variërend van ruim honderd meter tot enkele kilometers. Tussen de locaties bevinden zich steeds percelen, opstallen of wegen van derden dan wel een openbare weg. Er mist daarom (onmiskenbaar) geografische samenhang tussen de diverse locaties van de betreffende verbruikers. Verder zijn de locaties in beginsel elk afzonderlijk voor het productieproces van een tuinbouwbedrijf ingericht en operationeel, zodat sprake is van zelfstandig bruikbare eenheden. Niet is gebleken dat de locaties dusdanig afhankelijk van of dienstbaar zijn aan elkaar dat zij niettemin bij elkaar behoren en daarom als samenstel moeten worden aangemerkt.

22. Dat de betreffende locaties centraal worden aangestuurd, dat personeel en de benodigde apparatuur op de diverse locaties wordt ingezet en dat de bedrijfskleuren en het bedrijfslogo en de digitale vormgeving op de locaties aan elkaar gelijk zijn, maakt ook niet dat de locaties zodanig bij elkaar horen dat sprake is van één onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, aanhef en letter d, van de Wet WOZ. Deze omstandigheden zijn ingegeven door subjectieve keuzes van de ondernemer om zijn bedrijfsproces op een bepaalde manier in te richten, en laten onverlet dat de locaties ieder voor zich objectief bezien zelfstandig bruikbare eenheden zijn en als afzonderlijke onroerende zaken moeten worden aangemerkt.

23. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.


Vergoeding van immateriële schade


24. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade (isv) wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de aangifte op 3 december 2021 ontvangen en de uitspraak van de rechtbank is van
7 november 2024. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim elf maanden. Dit betekent dat eiseres recht heeft op isv tot een bedrag van € 1.000. Het beroepschrift is op 24 oktober 2023 ingediend. De termijnoverschrijding dient daarom geheel te worden toegerekend aan de bezwaarfase.


Proceskosten


25. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).[11]”

(…)

[8] ECLI:NL:HR:2017:2598, r.o. 2.5.2.
[9] ECLI:NL:HR:2009:BK3060 en ECLI:NL:HR:2017:1328.
[10] ECLI:NL:HR:2003:AD6058 en vgl. ECLI:NL:PHR:2024:229, r.o. 6.13.
[11] ECLI:NL:HR:2023:1526.




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening van EB en ODE op aangifte heeft afgewezen. Meer specifiek is in geschil of de Inspecteur gehouden is de objectafbakening in de desbetreffende WOZ-beschikkingen ten aanzien van de onroerende zaken van de verbruikers te volgen. Daarbij is niet in geschil dat de locaties [adres 3] en [adres 4] te [woonplaats 4] overeenkomstig de WOZ-beschikking van de [Gemeente 2] moeten worden aangemerkt als samenstel. De Inspecteur heeft deze WOZ-beschikking voor de heffing van EB gevolgd.
Indien de Inspecteur niet gehouden is de door de hem als onjuist beschouwde WOZ-beschikkingen voor [B.V. A-1] en [B.V. B] te volgen, is in geschil of bij de verschillende onroerende zaken van deze twee verbruikers sprake is van een samenstel in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, Wet WOZ.
Voorts in geschil of de onroerende zaken op de locaties [adres 4] te [woonplaats 4] en de onroerende zaken op de locaties [adres 2] en [adres 1] in de [Gemeente 1] als een samenstel in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, Wet WOZ kunnen worden aangemerkt.



4.2.
Belanghebbende beantwoordt de in 4.1 vermelde vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot teruggaaf van EB en ODE van in totaal € 20.946 (bedrag exclusief btw).



4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het hoger beroep


5.1.
Belanghebbende stelt dat voor de toepassing van artikel 47, lid 1, onder f, Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) de Inspecteur gehouden is de WOZ-beschikkingen afgegeven door de betrokken gemeentes te volgen. De Inspecteur heeft volgens belanghebbende niet de mogelijkheid af te wijken van een dergelijke beschikking. Voorts stelt belanghebbende dat de onroerende zaken ten onrechte niet zijn aangemerkt als samenstel van twee of meer gebouwde eigendommen. Belanghebbende betwist in dat kader het oordeel van de Rechtbank dat bij het ontbreken van geografische samenhang een sterke(re) organisatorische samenhang aanwezig moet zijn.



5.2.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden is een WOZ-beschikking te volgen indien blijkt dat in een dergelijke beschikking ten onrechte is bepaald dat sprake is van een samenstel dat als één onroerende zaak wordt aangemerkt. Onder verwijzing naar de conclusie van A-G Pauwels van 1 maart 2024, ECLI:NL:PHR:2024:229 stelt de Inspecteur voorts dat wanneer eigendommen niet onmiskenbaar een geografische samenhang hebben, de organisatorische of functionele samenhang in sterkere mate aanwezig zal moeten zijn. Hier is niet aan voldaan volgens de Inspecteur.


Wettelijke bepalingen




5.3.
Artikel 50 Wbm bepaalt, voor zover van belang:
“1. De belasting wordt geheven ter zake van de levering van aardgas of elektriciteit via een aansluiting aan de verbruiker, (...).

Ingevolge artikel 47, lid 1, onder f, Wbm wordt onder een aansluiting verstaan:
“een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken op een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd; een aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten”.



5.4.
Artikel 16 Wet WOZ bepaalt, voor zover van belang:
“Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:
a. een gebouwd eigendom;
(…)
d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;”


Is de Inspecteur gehouden de WOZ-beschikkingen te volgen?




5.5.
Ten aanzien van de onroerende zaken van [B.V. A-1] en [B.V. B] weigert de Inspecteur de WOZ-beschikkingen van de Gemeente [woonplaats 5] te volgen waarin is bepaald dat de onroerende zaken als samenstel in de zin van de Wet WOZ worden beschouwd.



5.6.
Naar het oordeel van het Hof volgt uit de tekst van artikel 47, lid 1, onder f, Wbm dat nagegaan moet worden of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 16 Wet waardering onroerende zaken (WOZ) om te kunnen spreken van één onroerende zaak. Er wordt dus niet aangesloten bij de WOZ-beschikking. In beginsel betekent dit dat een WOZ-beschikking niet doorslaggevend is, maar dat zelfstandig beoordeeld moet worden of sprake is van een samenstel van meerdere eigendommen die in gebruik zijn bij dezelfde (rechts)persoon en die naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.



5.7.
Belanghebbende doet evenwel een beroep op het Besluit van 28 juni 2019, nr. 2019-98996 (het Besluit), waar in punt 4.1 het volgende is vermeld:
“Voor het begrip onroerende zaak wordt verwezen naar artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de wet WOZ. Als uit een door de gemeente afgegeven WOZ-beschikking blijkt dat sprake is van één onroerende zaak, wordt daar in de energiebelasting bij aangesloten. Dat is slechts anders wanneer vanwege de toepassing van artikel 16, onderdeel f, van de wet WOZ sprake is van WOZ-beschikkingen van twee of meer aaneengesloten gemeenten.”



5.8.
Naar het oordeel van het Hof betoogt belanghebbende terecht dat zij het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan het Besluit, nu dit besluit onomwonden stelt dat voor de energiebelasting wordt aangesloten bij een door de gemeente afgegeven WOZ-beschikking, tenzij sprake is van WOZ-beschikkingen van twee of meer aangesloten gemeenten. De Inspecteur is op basis van het Besluit dan ook gehouden de door de in de onderhavige procedure betrokken gemeenten afgegeven WOZ-beschikkingen te volgen.



5.9.
Aan het voorgaande wordt naar het oordeel van het Hof niet afgedaan door paragraaf 7.5.2. van het Handboek milieubelastingen 2021 (het Handboek), waarin het volgende is bepaald:
“Voor de toepassing van de complexbepaling binnen de gemeentelijke grenzen gaat de inspecteur in principe uit van de voor die onroerende zaak afgegeven WOZ-beschikking. Maar wanneer die beschikking duidelijk onjuist is, gaat hij uit van de bepaling van artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de wet WOZ. Hij motiveert daarbij op grond waarvan hij van de WOZ-beschikking afwijkt.”



5.10
In de eerste plaats kan het door medewerkers van de Belastingdienst geschreven Handboek punt 4.1 van het Besluit niet opzij zetten, nu de bewoordingen van het Besluit duidelijk en eenduidig zijn en het officiële beleid van de Staatssecretaris van Financiën kenbaar maken. Daar komt bij dat in paragraaf 7.5.2 van het Handboek is aangegeven dat van de WOZ-beschikking wordt afgeweken wanneer die beschikking duidelijk onjuist is. Naar het oordeel van het Hof volgt uit de omstandigheid dat – ook in het kader van de energiebelasting – al jarenlang en bij diverse rechterlijke instanties wordt geprocedeerd over de vraag wanneer sprake is van een samenstel in de zin van artikel 16 Wet WOZ onder meer ook bij tuinbouwbedrijven, dat er ten tijde van het belastbare feit geen sprake was van duidelijk onjuiste beschikkingen. Tijdens de zitting is bovendien gebleken dat de Inspecteur de afstand tussen de desbetreffende eigendommen in de gemeente [woonplaats 5] van doorslaggevend belang acht, maar de afstand tussen deze eigendommen is niet dusdanig groot dat sprake is van duidelijk onjuiste beschikkingen. Voor zover de Inspecteur stelt dat de gemeente [woonplaats 5] op verzoek van [B.V. A-1] en/of [B.V. B] onjuiste WOZ-beschikkingen heeft afgegeven en dat dit een beroep op het vertrouwensbeginsel in de weg staat, heeft de Inspecteur dat – tegenover de betwisting door belanghebbende – met hetgeen is overgelegd niet aannemelijk gemaakt.



5.11.
De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur op basis van het vertrouwensbeginsel gehouden is de WOZ-beschikkingen te volgen, slaagt dan ook. Het Hof zal gelet hierop niet nader oordelen over de vraag of de onroerende zaken die worden bestreken door de WOZ-beschikkingen voor [B.V. A-1] en [B.V. B] ook in materiële zin als samenstel in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, Wet WOZ zijn te beschouwen. Een en ander betekent dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf van EB en ODE ten bedrage van € 12.010.


Onroerende zaken van [B.V. A] die niet als samenstel zijn aangemerkt in een WOZ-beschikking




5.12.
Belanghebbende betoogt voor de onroerende zaken in gebruik bij [B.V. A] dat deze moeten worden aangemerkt als een samenstel in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, Wet WOZ. Het gaat hier voor de energiebelasting enerzijds om de aansluiting van de onroerende zaak [adres 4] te [woonplaats 4] (tezamen met [adres 3] aangemerkt als samenstel in een WOZ-beschikking van de [Gemeente 2] welke beschikking door de Inspecteur voor de energiebelasting is gevolgd) en anderzijds om de aansluitingen van de onroerende zaken [adres 1] te [woonplaats 2] en [adres 2] te [woonplaats 3] , beide gelegen in de [Gemeente 1] . Voor deze laatste twee onroerende zaken heeft de [Gemeente 1] geen WOZ-beschikking afgegeven waarop zij als een samenstel worden aangemerkt. Nu belanghebbende stelt dat sprake is van een samenstel zal voor de onroerende zaken met aansluitingen gelegen in de [Gemeente 1] en de [Gemeente 2] , beoordeeld moeten worden of in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, Wet WOZ hier inderdaad sprake van is.



5.13.
In de Memorie van Toelichting is artikel 16, aanhef en onderdeel d, Wet WOZ als volgt toegelicht:
“De complexbepaling zal veel worden toegepast. Het gaat hier om objecten die bestaan uit twee of meer gebouwde dan wel ongebouwd eigendommen die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren en door één en dezelfde (rechts)persoon worden gebruikt.
Dit is onder meer het geval bij een woning met schuur en tuin, voor zover deze objecten bij dezelfde belanghebbende in gebruik zijn. Het complex omvat dan twee gebouwde eigendommen en één ongebouwd eigendom. Er doen zich evenwel ten aanzien van onroerende zaken ook meer gecompliceerde situaties voor, waarbij niettemin sprake is van een samenstel als bedoeld in onderdeel d. Wij hebben hierbij het oog op fabriekscomplexen en agrarische bedrijven die in beginsel bestaan uit een aantal afzonderlijke onroerende zaken, zoals bijvoorbeeld een kantoorgebouw, de produktieruimten, de opslagruimten en de bijbehorende terreinen. Deze onroerende zaken vormen te zamen één onroerende zaak in de zin van onderdeel d, indien is voldaan aan de voorwaarden dat ze bij dezelfde (rechts)persoon in gebruik zijn en naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren. Deze laatste voorwaarde houdt overigens niet in dat de genoemde onroerende zaken alle op één terrein moeten zijn gesitueerd. Onroerende zaken kunnen naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren ondanks het feit dat ze in fysieke zin op afstand van elkaar zijn gelegen, waarbij uiteraard - gelet op onderdeel e - de gemeentegrenzen niet mogen worden overschreden. Aan de hand van de omstandigheden in concrete gevallen zal moeten worden beoordeeld of onroerende zaken bij elkaar behoren of niet.”

(Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 43.)




5.14.
In zijn arrest van 12 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1211 overwoog de Hoge Raad onder meer als volgt (het Hof heeft de voetnoten in het citaat weggelaten):
“4.2.1. (…) Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, in ogenschouw moeten worden genomen om te beoordelen of sprake is van een samenstel van eigendommen.

4.2.2.
Omstandigheden als hiervoor in 4.2.1 bedoeld, kunnen onder meer zijn: (i) de geografische samenhang tussen de eigendommen (zijn de eigendommen aaneengesloten of zijn er daartussen andere objecten gelegen?), (ii) de afstand tussen de eigendommen indien zij niet aaneengesloten zijn, (iii) de organisatorische samenhang tussen het gebruik van de eigendommen, (iv) de mogelijkheid dat de eigendommen afzonderlijk van elkaar worden verkocht, (v) de mogelijkheid om de eigendommen onafhankelijk van elkaar te gebruiken, (vi) de uiterlijke kenmerken van de eigendommen, en (vii) de voor derden waarneembare samenhang tussen de eigendommen. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld welke van deze omstandigheden relevant zijn en welk gewicht daaraan toekomt voor de beoordeling of van een samenstel van eigendommen kan worden gesproken.




5.15.
Met in achtneming van het voorgaande zal het Hof beoordelen of de desbetreffende onroerende zaken in de [Gemeente 2] en de [Gemeente 1] aan te merken zijn als een samenstel van eigendommen die naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren.



5.16.
Uit de overgelegde foto’s blijkt dat de desbetreffende onroerende zaken onderling alleen via openbare wegen bereikbaar zijn. De onroerende zaken zijn voorts onderling op geen enkele wijze via wegen of anderszins met elkaar verbonden. Tussen de onroerende zaken bevinden zich wegen en percelen met kassen, woonhuizen en bedrijfsruimten, al dan niet in een rij en andere gebouwde en ongebouwde eigendommen die in eigendom en gebruik zijn bij derden. De afstand tussen de onroerende zaken bedraagt ongeveer 1.500 meter (tussen [adres 1] en [adres 4] ) en meer dan 2.500 meter (2.600 meter tussen [adres 2] en [adres 1] en 3.000 meter tussen [adres 2] en [adres 4] ). Van een geografische samenhang is dus geen sprake.



5.17.
De betrokken onroerende zaken zijn ieder afzonderlijk voor het productieproces van een tomatenteeltbedrijf uitgerust en operationeel. Zo hebben de locaties WKK’s, kassen, een hemelwaterbassin, kantoor- en technische ruimten, toiletten en een kantine. Zij kunnen afzonderlijk functioneren en ook afzonderlijk verkocht worden. Hoewel centraal vanuit de [A-Groep] wordt samengewerkt door bijvoorbeeld bepaalde machines te delen, een gezamenlijke teeltstrategie te ontwikkelen en uit te voeren en de betrokken locaties door de naamgeving en uiterlijke kenmerken voor derden herkenbaar zijn, acht het Hof deze omstandigheden van onvoldoende gewicht om tot een dusdanige samenhang te komen dat sprake is van een samenstel. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat de onroerende zaken aan elkaar dienstbaar zijn. Naar het oordeel van het Hof is dan ook geen sprake van een samenstel in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, Wet WOZ.


Slotsom




5.18.
Het hoger beroep is gegrond.





Proceskosten en griffierecht


6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten voor het beroep en hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 3.736, berekend als volgt: € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de Rechtbank, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 (gewicht van de zaak)) en wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de Rechtbank, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 (gewicht van de zaak)). De wegingsfactor is vastgesteld conform het richtsnoer van de gerechtshoven 2024 (onder meer Hof Den Haag 14 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1398).



6.2.
Omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht, bestaat er geen recht op een proceskostenvergoeding in bezwaar.



6.3.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559 te worden vergoed.





Beslissing


Het Gerechtshof:


vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de immateriële schadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


verstaat dat de Inspecteur een bedrag van € 12.010 aan Energiebelasting (EB) en opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE) terugbetaalt aan belanghebbende;


veroordeelt de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten ten bedrage van € 3.736;


draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden.




Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.


De griffier, de voorzitter,







R. Wijkstra W. de Wit


De beslissing is op 22 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak