|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:981 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_23_274 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Beroep n.a.v. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden. Beroep gegrond v.w.b. Natura 2000-gebied Zwarte Meer. Motiveringsgebrek v.w.b. dat gebied. De rechtsgevolgen blijven in stand. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 23/274
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. G.H. Blom,
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (rechtsopvolger van de minister voor Natuur en Stikstof), verweerder.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden (hierna: het wijzigingsbesluit) van verweerder van 22 november 2022.
De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank gevraagd de zaak te behandelen, omdat het beroep hier is ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 6 april 2023 aan partijen meegedeeld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 14 december 2023 en 26 januari 2024 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank uitspraak gedaan op zeven andere beroepen tegen het wijzigingsbesluit. Bij brieven van
3 juni 2024 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken op die uitspraken te reageren. Eiseres en verweerder hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
Per brief van 15 april 2025 heeft de rechtbank verweerder gevraagd om voor een aantal Natura 2000-gebieden de daarvoor bedoelde, nog niet gepubliceerde habitattypenkaarten
- voor zover die bestaan - alsnog te publiceren en aan de rechtbank toe te sturen. In het geval dat die kaarten niet bestaan, heeft de rechtbank verweerder gevraagd om ten aanzien van de in de brief van 15 april 2025 genoemde habitattypen op toetsbare wijze kenbaar te maken waar die zijn aangetroffen in de betreffende Natura 2000-gebieden, met de vermelding van de totale oppervlakte van die vindplaatsen.
Hierop heeft verweerder bij brief van 29 april 2025 gereageerd. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de aan haar geboden mogelijkheid om daarop te reageren.
Bij brieven van 27 november 2025 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaak een zitting te houden. Aangegeven is dat, als een partij op een zitting wil worden gehoord, die partij dat binnen de termijn die in de brieven van 27 november 2025 is genoemd moet laten weten.
Partijen hebben binnen de gestelde termijn niet aangegeven een zitting te willen. Daarop heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht Aanvullingswet natuur Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingsrecht het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
Het wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Juridisch kader
2.1
De relevante juridische bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
2.2
Uit de Habitatrichtlijn (Hrl) volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die is genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
2.3
Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In dat artikel, zoals dat luidde tot 1 januari 2024, staat dat de minister ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Hrl gebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen.
Het wijzigingsbesluit
3.1
Vanaf 2008 zijn de Nederlandse Natura 2000-gebieden aangewezen door middel van verschillende aanwijzingsbesluiten. Volgens verweerder is het belangrijk om, nadat dat proces is afgerond, na te gaan of in de Natura 2000-gebieden habitattypen en soorten voorkomen die niet zijn opgenomen in de aanwijzingsbesluiten. Uit de bepalingen van de Hrl volgt namelijk dat die waarden (in beginsel) in aanmerking komen om te worden beschermd. Ook blijkt volgens verweerder uit de uitleg die de Europese Commissie heeft gegeven en uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat álle habitattypen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, moeten worden aangewezen.
3.2
In het wijzigingsbesluit heeft verweerder niet aangewezen habitattypen en/of soorten integraal toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten van ongeveer 100 Natura 2000-gebieden. De bedoeling hiervan is om deze habitattypen en soorten, die op het moment van aanwijzen van het desbetreffende Natura 2000-gebied al in voldoende mate en duurzaam aanwezig bleken te zijn, alsnog te beschermen. Hiermee beoogt verweerder te corrigeren wat ten aanzien van de te beschermen habitattypen en soorten niet goed is gegaan bij (het publiceren van) de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Met het wijzigingsbesluit zijn de te beschermen waarden en de daarvoor gestelde instandhoudingsdoelstellingen aan de betreffende aanwijzingsbesluiten toegevoegd. In een (beperkt) aantal gevallen bleken habitattypen en soorten op het moment van aanwijzen niet in voldoende mate en duurzaam aanwezig te zijn. Deze zijn met het wijzigingsbesluit verwijderd.
Het beroep van eiseres
4.1
Per brief van 24 april 2023 heeft eiseres aangegeven dat haar beroep is gericht tegen het toevoegen van natuurwaarden aan de Natura 2000-gebieden Rottige Meenthe & Brandemeer, Drents-Friese Wold en Leggelderveld, Holtingerveld, Dwingelderveld, Weerribben, De Wieden, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Olde Maten & Veerslootslanden en Rijntakken.
4.2
Eiseres voert in beroep aan dat bij het ontwerpbesluit niet alle stukken ter inzage zijn gelegd die redelijkerwijs nodig zijn ter beoordeling van dat ontwerpbesluit. De enkele verwijzing in het ontwerpbesluit naar de opgestelde habitattypenkaarten en het vervaardigde documentatiemateriaal is volgens eiseres onvoldoende en in strijd met artikel 3:11 van de Awb. Ook is niet duidelijk welke stukken in dit verband concreet werden bedoeld. Als de omvang van die stukken en/of eventuele andere praktische overwegingen de reden waren voor het volstaan met een verwijzing, is dat volgens eiseres geen juridisch steekhoudend excuus. Bovendien heeft verweerder er zelf voor gekozen om alle wijzigingen in één besluit op te nemen. Naast de strijdigheid met artikel 3:11 van de Awb, acht eiseres de handelswijze van verweerder ook niet in overeenstemming met de in het Verdrag van Aarhus neergelegde waarborgen voor doeltreffende inspraak. Verder stelt eiseres dat de gevoerde procedure onrechtmatig is geweest, omdat pas een zienswijze kon worden ingediend nadat de toe te voegen habitattypen en soorten al waren geregistreerd in een databank van de Europese Commissie. Daarnaast berust het wijzigingsbesluit volgens eiseres op een onjuiste interpretatie, omdat met dat besluit de oorspronkelijke aanwijzingen worden gecorrigeerd en met terugwerkende kracht natuur wordt toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Dat is een onjuiste interpretatie van het actualiseren van de aanwezige waarden in Natura 2000-gebieden. Ook maakt eiseres zich zorgen over de gevolgen die het wijzigingsbesluit heeft voor de sociale en economische cultuur in of rondom de Natura 2000-gebieden. Daarbij stelt zij dat het onmogelijk is om de exacte gevolgen van het wijzigingsbesluit op bedrijfsniveau door te rekenen, omdat verweerder geen kaarten beschikbaar heeft gesteld waarop de toegevoegde habitattypen precies staan ingetekend. Het had op de weg van verweerder gelegen om dat wel te doen.
Niet beschikbaar stellen kaarten
5. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder geen kaarten beschikbaar heeft gesteld waarop de toegevoegde habitattypen precies staan ingetekend. De rechtbank stelt vast dat verweerder in ieder geval in beroep de habitattypenkaarten beschikbaar heeft gesteld waarop onder meer is aangegeven waar in de Natura 2000-gebieden de desbetreffende habitattypen voorkomen. Ten aanzien van de beroepsgrond dat deze habitattypenkaarten niet bij het ontwerp van het wijzigingsbesluit ter inzage zijn gelegd, stelt de rechtbank vast dat eiseres geen zienswijze tegen dat ontwerpbesluit heeft ingediend. In de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit staat dat de toevoeging van de habitattypen aan de Natura 2000-gebieden is gebaseerd op de habitattypenkaarten. Verder heeft verweerder in het verweerschrift van 30 mei 2023 verklaard dat ervoor is gekozen om bij de bekendmaking (in advertenties in alle regionale bladen) te wijzen op de mogelijkheid tot het opvragen van (achtergrond)documenten bij het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De rechtbank stelt vast dat dit in ieder geval is vermeld in de publicatie van het ontwerpbesluit van 5 maart 2018, Stcrt 2018, nr. 12368. Niet aannemelijk is dat eiseres heeft afgezien van het naar voren brengen van een zienswijze, omdat de habitattypenkaarten niet bij het ontwerpbesluit ter inzage hebben gelegen. Aangenomen mag worden dat eiseres dan een zienswijze naar voren zou hebben gebracht waarin zou zijn gewezen op het niet ter inzage liggen van de kaarten. Eiseres is dan ook niet in haar belang geschaad doordat (of voor zover kan worden gezegd dat) de habitattypenkaarten niet bij het ontwerp van het wijzigingsbesluit ter inzage hebben gelegen. De rechtbank ziet daarom in de stelling dat verweerder geen kaarten beschikbaar heeft gesteld waarop de toegevoegde habitattypen staan ingetekend en de stelling dat die kaarten ten onrechte niet bij het ontwerpbesluit ter inzage hebben gelegen geen reden om het beroep gegrond te verklaren. Eiseres heeft de mogelijkheid gehad om mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen tegen het ontwerpbesluit. Van strijd met artikel 3:11 van de Awb of het Verdrag van Aarhus is de rechtbank niet gebleken.
Inhoudelijke beoordeling van het beroep
6.1
De rechtbank stelt allereerst vast dat in het wijzigingsbesluit geen natuurwaarden zijn toegevoegd aan het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold en Leggelderveld. Dat gebied laat de rechtbank bij de beoordeling van deze zaak daarom verder buiten beschouwing. Aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden Rottige Meenthe & Brandemeer, Holtingerveld, Dwingelderveld, Weerribben, De Wieden, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Olde Maten & Veerslootslanden en Rijntakken (hierna gezamenlijk te noemen: de Natura 2000-gebieden) zijn in het wijzigingsbesluit wel natuurwaarden toegevoegd. Aan de aanwijzingsbesluiten van al deze Natura 2000-gebieden zijn in het wijzigingsbesluit habitattypen toegevoegd. Daarnaast zijn aan het aanwijzingsbesluit van het gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht ook twee soorten toegevoegd. De rechtbank stelt echter vast dat eiseres in haar brief van 24 april 2023, waarin op verzoek van de rechtbank is aangegeven op welk deel van het wijzigingsbesluit het beroep betrekking heeft, alleen de habitattypen heeft genoemd die aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden zijn toegevoegd. De rechtbank leidt daaruit af dat het beroep alleen betrekking heeft op de toegevoegde habitattypen en niet ook op de twee soorten die in het wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. In het vervolg van deze uitspraak zal de rechtbank daarom beoordelen of verweerder de betreffende habitattypen heeft kunnen toevoegen aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden liggen binnen een afstand van 25 km van het bedrijf van eiseres, zodat zij kan worden aangemerkt als belanghebbende bij de toevoeging van natuurwaarden aan deze gebieden in het wijzigingsbesluit.
6.2
In het wijzigingsbesluit staat dat verweerder de habitattypen aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden heeft toegevoegd, omdat die op de data van de publicaties van de aanwijzingsbesluiten (de peildata) in meer dan verwaarloosbare mate in die gebieden voorkwamen. Voor de onderbouwing van de conclusie dat de habitattypen op die peildata in meer dan verwaarloosbare mate in de Natura 2000-gebieden aanwezig waren, heeft verweerder verwezen naar de habitattypenkaarten die voor die gebieden zijn opgesteld.
6.3
Verweerder heeft voor de Natura 2000-gebieden twee soorten habitattypenkaarten overgelegd: één overzichtskaart, waarop is aangegeven waar de desbetreffende habitattypen op de peildata in de Natura 2000-gebieden voorkwamen, en één typenkaart, waarop is aangegeven hoe groot de oppervlaktes waren van de op de peildata aanwezige habitattypen.
Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, als van dat type minimaal 0,01 hectare (100 m²) aanwezig is. Voor bossen geldt een minimale oppervlakte van 0,1 ha (1.000 m²).
6.4
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat verweerder bij de vraag of een habitattype in een gebied in meer dan verwaarloosbare mate voorkomt mag uitgaan van de habitattypenkaarten. Recent, in uitspraken van 2 juli 2025, heeft de Afdeling dit nog eens expliciet bevestigd. De rechtbank ziet geen reden om daarover in dit geval anders te oordelen. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van de Natura 2000-gebieden dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd.
6.5
De rechtbank heeft echter vastgesteld dat op de habitattypenkaarten voor het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer niet het habitattype moerasspirea (H6430A) voorkomt, terwijl dat in het wijzigingsbesluit wel aan het aanwijzingsbesluit van dat Natura 2000-gebied is toegevoegd. In de eerder genoemde brief van 15 april 2025 heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd om, als die bestaan, voor dit habitattype nog de betreffende kaarten toe te sturen of, als die er niet zijn, op een andere, toetsbare wijze te onderbouwen dat dit habitattype op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate en duurzaam in het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer aanwezig was.
6.6.
In de reactie van 29 april 2025 heeft verweerder over het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer onder meer het volgende aangegeven.
In de Nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit, onder het kopje ‘Onderbouwing van de wijzigingen’, staat dat uit de vegetatie- en plantensoortenkartering Rottige Meenthe 2013 blijkt dat het habitattype moerasspirea (H6430A) ten onrechte op de habitattypenkaarten ontbreekt. Daarnaast staat in de toelichting op de wijziging van het aanwijzingsbesluit van Rottige Meenthe & Brandemeer (p. 83 en verder) dat het habitattype ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A), voorkomt in de verlandingszone van de Veendijk, langs de vaart aan de noordrand van het gebied. Verder heeft verweerder in de reactie van 29 april 2025 nader toegelicht dat en op welke wijze op basis van de vegetatiekartering uit 2013 is vastgesteld dat het habitattype moerasspirea (H6430A) voorkomt in het Natura 2000-gebied. Het rapport van die kartering heeft verweerder als bijlage bij de brief van 29 april 2025 overgelegd.
6.7
Zoals de rechtbank in een eerdere uitspraak van 17 december 2025 ook al heeft geoordeeld, heeft verweerder met de nadere uitleg voldoende aannemelijk gemaakt dat het habitattype moerasspirea (H6430A) op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate en duurzaam aanwezig was in het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer.
De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak daarover anders te oordelen. Eiseres heeft de nadere uitleg van verweerder ook niet bestreden. Wel vormt dit naar het oordeel van de rechtbank reden om het beroep van eiseres gegrond te verklaren voor zover dat betrekking heeft op het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer, omdat uit het voorgaande blijkt dat het wijzigingsbesluit voor wat betreft het toevoegen van het habitattype moerasspirea (H6430A) aan dat gebied onvoldoende is gemotiveerd.
6.8
In de eerder genoemde uitspraak van 17 december 2025 heeft de rechtbank het wijzigingsbesluit vernietigd (onder meer) voor zover daarin het habitattype moerasspirea (H6430A) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer Onder meer op basis van de nadere motivering die verweerder ook heeft overgelegd in de zaak waarop die uitspraak van 17 december 2025 ziet, heeft de rechtbank in die uitspraak tevens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het wijzigingsbesluit in stand blijven. Dat zal de rechtbank in deze uitspraak ook bepalen, mede gelet op het navolgende.
6.9
Uit rechtspraak van de Afdeling leidt de rechtbank af dat een lidstaat verplicht is om alle habitattypen van bijlage I en soorten van bijlage II van de Hrl die in een Natura 2000-gebied in meer dan verwaarloosbare mate en duurzaam voorkomen aan te wijzen dan wel toe te voegen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Ook blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling dat de door verweerder aangehouden minimumoppervlakte van 0,01 ha (100 m²) niet onredelijk is. De rechtbank acht een minimumoppervlakte van 0,1 ha (1.000 m²) voor bossen evenmin onredelijk.
6.10
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van de habitattypenkaarten, en voor wat betreft het gebied Rottige Meenthe & Brandemeer ook op basis van de in beroep overgelegde aanvullende motivering, terecht heeft geconcludeerd dat de toegevoegde habitattypen op de peildata in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft de betreffende habitattypen daarom terecht toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden. Daarbij is geen sprake van het met terugwerkende kracht toevoegen van natuur aan de Natura 2000-gebieden. Met het wijzigingsbesluit heeft verweerder natuur die ten tijde van de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden al in voldoende mate in die gebieden aanwezig was, maar destijds abusievelijk niet als beschermde natuur is aangewezen, alsnog aan de aanwijzingsbesluiten toegevoegd. Dat dit zou berusten op een onjuiste interpretatie van het actualiseren van aanwezige waarden in Natura 2000-gebieden, zoals eiseres heeft gesteld, is onjuist. Zoals uit de nota van toelichting blijkt, is de bedoeling van het wijzigingsbesluit niet om de aanwijzingsbesluiten te actualiseren, maar om te corrigeren wat destijds niet goed is gegaan bij het vaststellen en publiceren van de aanwijzingsbesluiten.
6.11
Daarnaast volgt uit rechtspraak van zowel het Hof als de Afdeling dat uit de Hrl kan worden afgeleid dat bij de aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard worden betrokken. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Hrl. De (bedrijfs)belangen van eiseres kunnen dus in beginsel geen rol spelen bij het toevoegen van habitattypen aan de Natura 2000-gebieden.
In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat wel een zekere beoordelingsmarge bestaat ten aanzien van het ambitieniveau van de instandhoudingsdoelstellingen, mits daarmee wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6 van de Hrl en het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding niet wordt bemoeilijkt.
6.12
De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat verweerder bij het vaststellen van de ambitieniveaus voor de habitattypen die in het wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden onvoldoende rekening heeft gehouden met de bedrijfsbelangen van eiseres. Daarvoor heeft eiseres die belangen, en ook de gevolgen die het wijzigingsbesluit voor haar heeft of kan hebben, onvoldoende onderbouwd. Zij heeft niet concreet inzichtelijk gemaakt op welke manier het wijzigingsbesluit daadwerkelijk een (extra) belemmering voor haar bedrijfsvoering zal opleveren. Daar komt bij dat eiseres haar belangen (ook) in de zienswijzefase niet gemotiveerd naar voren heeft gebracht, zodat die voor verweerder bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit niet duidelijk kenbaar waren. In wat eiseres in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om te oordelen dat haar bedrijfsbelang onevenredig wordt geschaad door de ambitieniveaus voor de habitattypen die in het wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden.
6.13
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het wijzigingsbesluit terecht de betreffende habitattypen heeft toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. De bedrijfsbelangen van eiseres konden geen reden vormen om daarvan af te zien. De overige beroepsgronden van eiseres slagen ook niet. Voor het oordeel dat de voorbereiding van het wijzigingsbesluit onzorgvuldig of onjuist is geweest, ziet de rechtbank geen aanleiding. Dat de toe te voegen habitattypen wellicht al vóór de publicatie van het ontwerp van het wijzigingsbesluit in een databank van de Europese Commissie zijn geregistreerd, is geen reden om te oordelen dat het wijzigingsbesluit niet in stand kan blijven. Verder heeft eiseres de mogelijkheid gehad om mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen tegen het ontwerpbesluit en van strijd met het Verdrag van Aarhus, zoals eiseres heeft gesteld, is de rechtbank niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
7.1
Het beroep is gegrond voor zover dat betrekking heeft op het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer. Voor het overige is het ongegrond. In de eerder genoemde uitspraak van 17 december 2025 is het wijzigingsbesluit al (onder meer) vernietigd voor zover daarin het habitattype moerasspirea (H6430A) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer. Dat deel van het wijzigingsbesluit kan niet nogmaals worden vernietigd. Wel zal de rechtbank ook in deze uitspraak bepalen dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde deel van het wijzigingsbesluit in stand blijven, omdat verweerder met de ook in deze zaak overgelegde nadere uitleg voldoende heeft gemotiveerd dat dat habitattype op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate duurzaam aanwezig was in dat Natura 2000-gebied. In de praktijk betekent dit dat blijft gelden dat het habitattype moerasspirea (H6430A) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer.
Verder blijkt uit het voorgaande dat het wijzigingsbesluit voor het overige in stand blijft.
7.2.
Omdat het beroep (gedeeltelijk) gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Ook bestaat er reden voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De proceskosten van eiseres bestaan alleen uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding daarvoor bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in beginsel € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroep; waarde per punt: € 934,-; wegingsfactor 1). De rechtbank heeft vandaag echter tevens uitspraak gedaan in twee andere, grotendeels inhoudelijk gelijke en in dezelfde algemene bewoordingen gestelde beroepen (waarbij niet is ingegaan op de specifieke wijzigingen van de onderscheidene Natura 2000-gebieden), waarin de betreffende eisers werden bijgestaan door een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres. Die beroepen heeft de rechtbank ook (gedeeltelijk) gegrond verklaard, eveneens met instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het wijzigingsbesluit.
De rechtbank merkt die twee beroepen en het onderhavige beroep aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. De proceskostenvergoeding voor de drie samenhangende zaken bedraagt dan € 934,- en daarvan wordt in deze zaak een derde deel (€ 311,33) aan eiseres toegekend.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond voor zover dat betrekking heeft op het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het deel van het wijzigingsbesluit dat ziet op het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer en dat eerder al is vernietigd bij de in overweging 6.7 genoemde uitspraak van 17 december 2025 ook met deze uitspraak in stand blijven;
gelast verweerder het griffierecht van € 365,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 311,33.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: juridisch kader
Habitatrichtlijn
Artikel 2
1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.
2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.
Artikel 3
1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79/409/EEG aangewezen speciale beschermingszones.
2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.
3. Waar zij zulks nodig achten, streven de Lid-Staten naar bevordering van de ecologische coherentie van Natura 2000 door het handhaven en in voorkomend geval ontwikkelen van de in artikel 10 genoemde landschapselementen die van primair belang zijn voor de wilde flora en fauna.
Artikel 4
1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurljike verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht.
De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier.
2. Op basis van de in bijlage III (fase 2) vermelde criteria werkt de Commissie met instemming van iedere Lid-Staat voor elk van de vijf in artikel 1, letter c) onder iii), genoemde biogeografische regio's en voor het gehele in artikel 2, lid 1, bedoelde grondgebied aan de hand van de lijsten van de Lid-Staten een ontwerp-lijst van de gebieden van communautair belang uit, waarop staat aangegeven in welke gebieden een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen.
De Lid-Staten waar de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats en een of meer prioritaire soorten in oppervlakte meer dan 5 % van het nationale grondgebied beslaan, kunnen, met instemming van de Commissie, verzoeken dat de criteria van bijlage III (fase 2) voor de selectie van alle gebieden van communautair belang op hun grondgebied flexibeler worden toegepast.
De lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21.
3. De in lid 2 genoemde lijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn vastgesteld.
4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging.
5. Zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4.
Wet natuurbescherming
Artikel 2.1
1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van
de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als «Natura 2000-gebied».
2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere
Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister.
3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.
4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van:
a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of
b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.
5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid.
7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.
Deze uitspraken zijn te vinden op rechtspraak.nl, onder de nummers ECLI:NL:RBOVE:2023:5137, ECLI:NL:RBOVE:2023:5138, ECLI:NL:RBOVE:2023:5140 tot en met ECLI:NL:RBOVE:2023:5143 en ECLI:NL:RBOVE:2024:456.
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
De rechtbank leidt uit artikel 1 van de Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris af dat aan de minister voor Natuur en Stikstof - als minister zonder portefeuille - dezelfde bevoegdheden toekomen als aan de minister van LNV.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5009.
1 hectare (ha) = 10.000 m².
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, rechtsoverweging (r.o.) 5.8, en 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:864, r.o. 5.2.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:2961 en ECLI:NL:RVS:2025:2968.
Zaaknummer ZWO 23/157 (ECLI:NL:RBOVE:2025:7388).
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2895, r.o. 6.4, en 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 15.2.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1453, r.o. 2.6.2, en van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 16 tot en met 16.4.
Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 7 november 2000, ECLI:EU:C:2000:600, r.o. 25, en de uitspraken van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, r.o. 5.9, en 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017,2895, r.o. 4.3.
Uitspraken op de beroepen met de zaaknummers ZWO 23/187 en ZWO 23/219. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|