Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:619 
 
Datum uitspraak:20-02-2026
Datum gepubliceerd:03-03-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:25/1859 WIA
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Ongegrond.
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/1859 WIA

uitspraak van 20 februari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os),

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.


Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Eiser is het met deze weigering niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd om eiser een WIA-uitkering toe te kennen.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV eiser terecht een WIA-uitkering heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.


Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als coronahulp/huiskamermedewerker. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege belemmerende gezondheidsklachten.



Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 14 december 2023 (primair besluit) geweigerd per 15 mei 2023 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



3.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



3.3
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser en zijn gemachtigde. Namens het UWV heeft mr. E. Lipman de zitting digitaal bijgewoond.




Beoordeling door de rechtbank

4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


Wettelijk kader


5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


Toetsingskader


6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.


Zijn de beperkingen juist vastgesteld?


7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.


7.1
De verzekeringsarts heeft op 10 mei 2023 een psychisch onderzoek verricht en eisers dossier bestudeerd. Op basis hiervan heeft hij geconcludeerd dat geen sprake is van een situatie waarin eiser als volledig arbeidsongeschikt (Geen Benutbare Mogelijkheden) moet worden aangemerkt. Volgens de verzekeringsarts is eiser aangewezen op passende arbeid. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 mei 2023 heeft hij beperkingen aangenomen in de rubrieken Persoonlijk functioneren, Sociaal functioneren, Fysieke omgevingseisen, Dynamische handelingen en Werktijden.

De verzekeringsarts b&b heeft het medisch dossier bestudeerd en eiser op 10 februari 2025 gezien en onderzocht. De verzekeringsarts b&b heeft enkele correcties aangebracht in de FML. Onder meer op de aspecten geluidsbelasting, sterk wisselende diensten en knijp/grijpkracht zijn (aanvullende) beperkingen aangenomen. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn door de verzekeringsarts b&b neergelegd in de FML van 10 februari 2025.



7.2
In zijn beroepschrift geeft eiser aan alle medische informatie die hij bezit bij de aanvraag om een uitkering en tijdens de bezwaarprocedure te hebben overgelegd. Eiser meent dat de in de FML geduide beperkingen onvoldoende weergeven wat de staat van zijn gezondheid dan wel arbeids(on)geschiktheid is. De FML is naar eisers mening te rooskleurig opgesteld en geeft onvoldoende de problemen aan die hij in de praktijk ervaart.



7.3
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder klachten voortvloeiend uit autisme en handklachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van deze klachten rekening gehouden. De rechtbank constateert dat eiser in beroep geen informatie heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen. Daardoor is dan ook niet gebleken dat de beperkingen zijn onderschat of dat relevante medische informatie buiten beschouwing is gelaten. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts b&b vastgestelde belastbaarheid. In tegenstelling tot eiser is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van tegenovergestelde standpunten van de verzekeringsartsen. Uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat deze zich grotendeels heeft aangesloten bij de bevindingen van de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&b heeft in de door eiser in bezwaar overgelegde medische informatie aanleiding gezien om de door de verzekeringsarts opgestelde FML aan te scherpen. Daarbij is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van volledig andere conclusies van de verzekeringsarts b&b dan van de verzekeringsarts of eisers beperkingen en mogelijkheden. Vastgesteld wordt dat beide verzekeringsartsen meerdere beperkingen hebben aangenomen, waaronder een urenbeperking. De rechtbank wenst in dit verband te benadrukken dat het bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid op grond van de wet aankomt op medisch objectiveerbare beperkingen. Individuele beleving van klachten kan, zonder daar afbreuk aan te willen doen, in het thans door de wetgever gekozen systeem niet leidend zijn bij een beoordeling. Indien eiser zich niet in dit systeem kan vinden, dient hij zich tot de wetgever te wenden. Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts b&b de beschikbare medische informatie in de beoordeling van eisers belastbaarheid heeft meegenomen. Zoals hiervoor is aangegeven, heeft eiser in beroep geen nieuwe medische informatie meer ingebracht.



7.4.
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat het UWV de benutbare mogelijkheden van eiser op de datum in geding op zorgvuldige wijze heeft vastgesteld. De beperkingen zijn adequaat vastgelegd in de FML van 10 februari 2025. De beroepsgronden die zien op de medische beoordeling en de vastgestelde beperkingen, slagen daarom niet.


Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?


8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: schadecorrespondent (SBC-code 516080), medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010).



8.1
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, zoals in overweging 7.4 is geconcludeerd, de beperkingen van eiser per 15 mei 2023 zorgvuldig en adequaat zijn vastgelegd in de FML van 10 februari 2025. De stelling van eiser dat hij niet in staat is om bedrijfsmatige werkzaamheden te verrichten, vloeit voort uit eisers opvatting dat zijn beperkingen zijn onderschat. Omdat de rechtbank die opvatting niet volgt, mochten de hiervoor genoemde functies aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag worden gelegd.


Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?


9. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.



9.1
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 mei 2023 heeft vastgesteld op 20%. Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 15 mei 2023.




Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niks verandert.


11.1
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.




Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 20 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.




griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.




Bijlage: wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Volgens artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.
Link naar deze uitspraak