Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOVE:2026:1073 
 
Datum uitspraak:02-03-2026
Datum gepubliceerd:03-03-2026
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:AK_25_3844
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de aan de belanghebbende verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijgebouw op zijn perceel. Verzoekers wonen vlak bij het perceel van de belanghebbende en zijn het daar niet mee eens, omdat zij vrezen voor aantasting van hun woongenot en aantasting van het (essen)landschap verzoekers hebben daarom bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening om de bouw van het bijgebouw te voorkomen. Verzoekers voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af op grond van een voorlopige rechtmatigheidstoets. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan en is het college gehouden de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Dat heeft tot gevolg dat de omgevingsvergunning niet wordt geschorst totdat het college op het bezwaar van verzoeker 1 heeft beslist. Dit oordeel wordt hierna nader toegelicht.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3844

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [woonplaats 1], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van [gemeente]
(gemachtigde: mr. S. Olijve-Grendelman).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats 2].

Samenvatting


1.1
Deze uitspraak gaat over de aan [derde belanghebbende] verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijgebouw op zijn perceel aan de [adres]. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] (hierna: [verzoekers]) wonen vlak bij het perceel van [derde belanghebbende] en zijn het daar niet mee eens, omdat zij vrezen voor aantasting van hun woongenot en aantasting van het (essen)landschap [verzoekers] hebben daarom bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening om de bouw van het bijgebouw te voorkomen. [verzoekers] voeren daartoe een aantal gronden aan.



1.2
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af op grond van een voorlopige rechtmatigheidstoets. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan en is het college gehouden de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
Dat heeft tot gevolg dat de omgevingsvergunning niet wordt geschorst totdat het college op het bezwaar van [verzoeker 1] heeft beslist. Dit oordeel wordt hierna nader toegelicht.





Procesverloop


2.1
Met het besluit van 26 november 2025 heeft het college aan [derde belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bijgebouw op zijn perceel aan de [adres]. Het bijgebouw heeft een oppervlakte van 20 m2 en een hoogte van 4,9 meter.



2.2

[verzoeker 1] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen zodat geen bouwwerkzaamheden plaats mogen vinden zolang geen besluit is genomen op het bezwaar.



2.4
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 februari 2026 op zitting behandeld. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met procedurenummers 25/3845 en 25/3846. Aan de zitting hebben deelgenomen: [verzoekers]. Namens het college is verschenen de gemachtigde. [derde belanghebbende] is zonder voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
In de zaken wordt apart uitspraak gedaan.





Beoordeling door de voorzieningenrechter


Spoedeisend belang



3.1.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in een eventuele beroepsprocedure, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.



3.2.

[derde belanghebbende] heeft bij e-mailbericht van 8 januari 2026 laten weten de bouwwerkzaamheden in het voorjaar en het liefst op 3 april 2026 te starten. Gelet hierop hebben [verzoekers] een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.



3.3
Omdat er sprake is van een spoedeisend belang zal de voorzieningenrechter een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het onderliggende besluit verrichten en daarmee de kans van slagen van het bezwaarschrift. De voorzieningenrechter zal daarbij tevens de belangen van de partijen bij een schorsing wegen. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen bij een schorsing. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.


Wettelijk kader




3.4
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. [derde belanghebbende] heeft op 21 mei 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Dat betekent dat de nieuwe Omgevingswet van toepassing is. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel zijn van het omgevingsplan.



3.5
Voor het perceel waar de woning van [derde belanghebbende] op gelegen is, was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan “[locatie]” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente [gemeente]. Volgens het bestemmingsplan en de plankaart geldt voor het perceel van [derde belanghebbende] de bestemming ‘Wonen’.


3.6

[derde belanghebbende] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een bijgebouw. Dat is een omgevingsplanactiviteit. Onder een omgevingsplanactiviteit wordt onder meer verstaan een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan. Dit wordt de binnenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd. Het bouwen van het bijgebouw is op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan verboden zonder omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.



3.7
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beoordeelt. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Uit artikel 22.29 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan volgt dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met de in het omgevingsplan gestelde regels over bouwen en ook niet in strijd mag zijn met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.



3.8

[verzoekers] vrezen voor aantasting van hun woongenot en aantasting van het (essen)landschap. [verzoekers] stellen - kort gezegd - dat het bestemmingsplan “[locatie]” niet kan dienen als toetsingskader voor het bouwplan. Volgens [verzoekers] is het bestemmingsplan gebaseerd op onjuiste uitgangspunten, omdat het provinciaal ruimtelijk beleid onjuist is verwerkt in het bestemmingsplan. Ook was het college volgens [verzoekers] niet bevoegd om op de aanvraag te beslissen. Omdat het perceel volgens de provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening is gelegen binnen het essenlandschap in het agrarisch buitengebied, is instemming van Gedeputeerde Staten met het bouwplan vereist. Deze instemming ontbreekt.



3.9
De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.



3.10
Op grond van artikel 5.8 van de Omgevingswet beslist het college van burgemeester en wethouders op een aanvraag om een omgevingsvergunning, tenzij op grond van artikel 5.9, 5.9a, 5.10, 5.11 of 5.13 een ander bestuursorgaan is aangewezen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Voor het standpunt van [verzoekers], dat instemming van Gedeputeerde Staten met het bouwplan is vereist, is geen grondslag.



3.11
Het standpunt van [verzoeker 1], dat het college ten onrechte het bestemmingsplan “[locatie]” als toetsingskader heeft gehanteerd, slaagt niet. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 23 september 2019 en gewijzigd vastgesteld op 20 april 2020. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2121:939) is het bestemmingsplan onherroepelijk geworden. Daarmee is de vraag of het bestemmingsplan in overeenstemming met provinciaal ruimtelijke beleid tot stand is gekomen, een gepasseerd station. Het bestemmingsplan kan in deze procedure niet opnieuw ter discussie worden gesteld. Het college heeft dit bestemmingsplan daarom terecht als toetsingskader gehanteerd.



3.12
Ten aanzien van de stelling van [verzoekers], dat het perceel volgens de provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening is gelegen binnen het essenlandschap in het agrarisch buitengebied, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De stelling van [verzoekers] is niet van belang voor de beoordeling van het bestreden besluit. De provinciale omgevingsvisie en omgevingsvergunning bevatten namelijk geen als zodanig door de provincie aangewezen ‘direct werkende regels’ die onderdeel zijn van het toetsingskader bij de beoordeling van het bouwplan van [derde belanghebbende]. Daarom heeft het college het toetsingskader terecht beperkt tot het bestemmingsplan “[locatie]”.



3.13
Volgens de voorzieningenrechter heeft het college tot slot terecht geconcludeerd dat er binnen dit limitatief-imperatieve toetsingskader voor het college geen redenen waren om de omgevingsvergunning te weigeren. Ter plekke is een bijgebouw toegestaan en het bijgebouw voldoet aan de bouwregels die zijn genoemd artikel 5.2.3 van de planvoorschriften. Verder voldoet de aanvraag aan de welstandscriteria. Omdat dus sprake is van een zogenoemde ‘gebonden beschikking’, was het college gehouden om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het college had geen ruimte voor het maken van een nadere belangenafweging, ook niet ten aanzien van de gestelde vrees van [verzoekers] voor aantasting van hun woongenot en aantasting van het (essen)landschap.





Conclusie en gevolgen

4. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van [verzoekers] geen redelijke kans van slagen. Om die reden bestaat geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Aangezien [verzoekers] geen gelijk krijgen, krijgen zij het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













de griffier is buiten staat te tekenen


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Link naar deze uitspraak