Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:1155 
 
Datum uitspraak:24-02-2026
Datum gepubliceerd:05-03-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.360.084/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en zekerheidstelling. Oordeel rechtbank over uitvoerbaar bij voorraadverklaring is gemotiveerd. Niet is aangevoerd dat dit oordeel berust op een kennelijke misslag. Afwijzing.
Trefwoorden:biologisch
skal
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.360.084/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 324460


arrest in het incident van 24 februari 2026


in de zaak van



Stichting Skal

die is gevestigd in Zwolle
eiseres in het incident
verweerster in de hoofdzaak
bij de rechtbank: gedaagde
hierna: Skal
advocaat: mr. M. Timpert-de Vries te Arnhem

en


B.V. [geïntimeerde]

die is gevestigd in [vestigingsplaats]
gedaagde in het incident
die in de hoofzaak hoger beroep heeft ingesteld
bij de rechtbank: eiseres
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. C. Almeida te Rotterdam





1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1.

[geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, (hierna: de rechtbank) op 16 juli 2025 (hierna: het bestreden vonnis) tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:


de dagvaarding in hoger beroep van 4 september 2025;


het op 21 november 2025 gehouden regiegesprek waarbij aan de orde is geweest of de procedure tijdelijk moet worden stopgezet in afwachting van een (nieuwe) uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb);


de memorie van eis in incident van Skal op grond van artikel 351 Rv van 6 december 2025;


de memorie van antwoord in dat incident van 13 december 2025.





1.2.
Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en zij hebben de stukken daarvoor aan het hof gegeven.

2. De kern van de zaak




2.1.
Aan dit incident ligt – kort gezegd – het volgende ten grondslag. [geïntimeerde] opereert als groothandel wereldwijd in (biologische) granen, zaden en peulvruchten. Skal is een zelfstandig bestuursorgaan en is de toezichthouder op de naleving van biologische regelgeving in Nederland. Zij dient te waarborgen dat producten die met het predicaat ‘biologisch’ op de markt komen ook daadwerkelijk aan de daarvoor geldende voorschriften voldoen.



2.2.
Iedere producent, bereider, handelaar, vervoerder en dergelijke die producten als biologisch op de markt wil brengen, bewerken en/of vervoeren, en daarmee [geïntimeerde] , moet zich registreren bij Skal en voor de betreffende bedrijfsactiviteit een bio-certificering hebben.



2.3.
Skal heeft op 24 maart 2020 een besluit genomen waarin (onder meer) de met [naam1], [naam2] en [naam3] vervoerde partijen maïs en zonnebloempitten van [geïntimeerde] zijn gedecertificeerd en het bio-certificaat van [geïntimeerde] is ingetrokken. [geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, dat door Skal ongegrond is verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft [geïntimeerde] beroep ingesteld bij het CBb.



2.4.
Op 16 april 2024 heeft het CBb uitspraak gedaan. Daarin heeft het CBb de beslissing op bezwaar gedeeltelijk vernietigd, het besluit van 24 maart 2020 herroepen wat betreft de decertificering van de ladingen van het [naam1], het [naam2] en het [naam3] en bepaald dat Skal binnen acht dagen een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen ten aanzien van het bezwaar tegen de intrekking van het bio-certificaat.



2.5.
Naar aanleiding van deze uitspraak van het CBb heeft [geïntimeerde] de onderhavige civiele procedure aanhangig gemaakt. [geïntimeerde] heeft onder meer gevorderd te verklaren voor recht dat Skal onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] door het nemen van onrechtmatige besluiten. Tevens heeft zij verwijzing verzocht naar de schadestaatprocedure.



2.6.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat Skal met haar besluit tot decertificering van de ladingen van de [naam1], [naam2] en [naam3] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. De rechtbank heeft daarnaast Skal veroordeeld om de schade te vergoeden die [geïntimeerde] door dit onrechtmatige handelen heeft geleden, nader op te maken bij staat, en heeft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn voor het overige afgewezen.

[geïntimeerde] heeft hoger beroep ingesteld omdat zij het niet eens is met de afwijzing van een deel van haar vorderingen. Skal is het ook niet eens met het vonnis en heeft ook een appeldagvaarding uitgebracht. Deze is (nog) niet bij het hof aangebracht. Skal heeft ook het voornemen geuit in de onderhavige procedure incidenteel appel in te stellen.



2.7.
De schadestaatprocedure is door [geïntimeerde] inmiddels aanhangig gemaakt bij de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle.






3De toelichting op de beslissing van het hof


3.1.
Skal heeft een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 351 Rv. Zij vordert primair dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis wordt geschorst totdat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, althans subsidiair aan de verdere tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis de voorwaarde te verbinden dat door [geïntimeerde] zekerheid moet worden gesteld voor een door het hof te bepalen bedrag, met bepaling van een termijn (a) waarbinnen de zekerheid moet worden aangeboden of gesteld, op straffe van verval van de bevoegdheid met het oog op welke uitoefening de zekerheid is bevolen en (b) waarbinnen de geboden zekerheid door Skal moet worden aanvaard of geweigerd, op straffe van verval van haar bevoegdheid om zekerheid te eisen, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit incident, vermeerderd met wettelijke rente.



3.2.
Voor de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) en zekerheidstelling (art. 235 Rv) geldt het volgende toetsingskader:
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist of zijn belang bij zekerheidstelling, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.
b. Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
c. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, moet de eiser in zijn vordering feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken. De eiser hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag.



3.3.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 5.52 van het bestreden vonnis gemotiveerd waarom voorbijgegaan wordt aan het verzoek van Skal om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren althans zekerheid te stellen, namelijk omdat Skal niet wordt veroordeeld tot betaling van enig bedrag. Daarom is van de hiervoor onder c. genoemde situatie sprake. Dat vereist dat Skal na de uitspraak voorgedane feiten en omstandigheden dient aan te voeren waarmee bij het nemen van de beslissing door de rechtbank nog geen rekening kon worden gehouden. Dit heeft Skal niet gedaan. Ook heeft Skal niet aangevoerd dat de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag en dat is het hof anderszins ook niet gebleken. Het hof zal daarom de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging afwijzen. Hetzelfde geldt voor de subsidiaire incidentele vordering tot zekerheidsstelling, omdat hiervoor hetzelfde toetsingskader geldt.



3.4.
Het hof merkt daarbij nog op het volgende op. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een vonnis in de hoofdzaak tot verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft slechts ten doel om te bewerkstelligen dat de eiser, in dit geval [geïntimeerde] , de schadestaatprocedure kan beginnen en voortzetten, ondanks de omstandigheid dat tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld. Ook al is in de hoofdzaak de veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het is aan de rechter in de schadestaatprocedure om dan, aan de hand van de vaststelling van de voor schadevergoeding vatbare posten bij zijn veroordeling tot voldoening van de vastgestelde schade te beoordelen of en in hoeverre hij die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Ook kan de rechter in de schadestaat-procedure in de regievoering waar nodig rekening houden met de appelprocedure in de hoofdzaak.
Daarbij geldt verder dat de tenuitvoerlegging van een niet onherroepelijk vonnis voor risico van de executant is als de hogere rechter anders oordeelt. Mocht het hof in hoger beroep tot een andere conclusie komen omtrent de aansprakelijkheid van Skal, dan kan dat dus gevolgen hebben voor de kostenveroordeling in de schadestaatprocedure.



3.5.
De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.






4De beslissing

Het hof:


in het incident



4.1.
wijst de vordering af;



4.2.
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;


in de hoofdzaak in hoger beroep




4.3.
verwijst de hoofdzaak naar de roldatum van dinsdag 14 april 2026 voor het nemen van de memorie van grieven door [geïntimeerde];



4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.


Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, W.F. Boele en P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2026.










HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026).
Link naar deze uitspraak