|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2022:4521 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-11-2022 | | Datum gepubliceerd | : | 05-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 20/3733 LEE 20/3734 en LEE 21/16 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | - | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | kwekerij | | | perceel | | | planschade | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 20/3733, LEE 20/3734 en LEE 21/161
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2022 in de zaken tussen
· Hom Vastgoed BV, te Hoogeveen, eiseres in zaaknummers LEE 20/3733 en LEE 20/3734
(gemachtigde: mr. T.A.P. Langhout),
· [eiser], eigenaar van [perceel 1] , eiser in zaaknummer LEE 21/161(gemachtigde: [gemachtigde] )
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, verweerder
(gemachtigde: T. Prins).
Als derde-partij neemt aan het geding met zaaknummer LEE 20/3733 deel: [ derde-partij 1], eigenaar van [perceel 2]
(gemachtigde: mr. L. Brouwers).
Als derde-partijen nemen aan het geding met zaaknummer LEE 20/3734 deel:
- [derde-partij 2], eigenaren van [perceel 3]
- [derde-partij 3], eigenaar van [perceel 4]
- [derde-partij 4], eigenaar van [perceel 5]
- [derde-partij 5], eigenaar van [perceel 6]
- [eiser], eigenaar van [perceel 1] .
Procesverloop
In het besluit van 4 maart 2019 heeft verweerder het verzoek van belanghebbende [ derde-partij 1] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.
In het besluit van 6 november 2019 (primair besluit 1) heeft verweerder het besluit van 4 maart 2019 ingetrokken en aan belanghebbende [ derde-partij 1] een tegemoetkoming in planschade van € 5.250,- toegekend.
In het besluit van 28 januari 2020 (primair besluit 2) heeft verweerder aan belanghebbenden [derde-partij 2] een tegemoetkoming in planschade van € 4.500,- toegekend.
In het besluit van 28 januari 2020 (primair besluit 3) heeft verweerder aan belanghebbende [derde-partij 3] een tegemoetkoming in planschade van € 5.000,- toegekend.
In het besluit van 28 januari 2020 (primair besluit 4) heeft verweerder aan belanghebbende [derde-partij 4] een tegemoetkoming in planschade van € 4.750,- toegekend.
In het besluit van 25 maart 2020 (primair besluit 5) heeft verweerder het verzoek van eiser [eiser] om toekenning van een tegemoetkoming in planschade afgewezen.
In het besluit van 6 juli 2020 (primair besluit 6) heeft verweerder aan belanghebbende [derde-partij 5] een tegemoetkoming in planschade van € 4.500,- toegekend.
In het besluit van 12 november 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres Hom Vastgoed tegen primaire besluit 1 ongegrond verklaard.
In het besluit van 3 december 2020 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres Hom Vastgoed tegen primaire besluiten 2, 3, 4 en 6 ongegrond verklaard.
In het besluit van 3 december 2020 (bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eiseres Hom Vastgoed tegen primair besluit 5 ongegrond verklaard.
In het besluit van 3 december 2020 (bestreden besluit 4) heeft verweerder het bezwaar van eiseres Hom Vastgoed tegen primair besluit 5 niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres Hom Vastgoed heeft tegen bestreden besluiten 1, 2 en 4 beroep ingesteld.Die beroepen zijn bekend onder zaaknummers LEE 20/3733 en LEE 20/3734.
Eiser [eiser] heeft tegen bestreden besluit 3 beroep ingesteld. Dat beroep is bekend onder zaaknummer LEE 21/161.
Verweerder heeft in alle zaken een reactie op de beroepen ingediend, in de vorm van nadere adviezen van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (de SAOZ).
De rechtbank heeft de beroepen op 24 november 2021 op zitting behandeld.Eiseres Hom Vastgoed heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon] en haar gemachtigde. Eiser [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Tevens is mr. J. Marskamp, adviseur van SAOZ, verschenen. Derde-belanghebbende [ derde-partij 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.Derde- belanghebbenden [derde-partij 2] , [derde-partij 3] , [derde-partij 4] en [derde-partij 5] zijn verschenen.
Ter zitting heeft de rechtbank met partijen afgesproken dat verweerder nog ontbrekende stukken zal indienen.
Nadien heeft verweerder aanvullende stukken ingediend.
Op 15 december 2021 heeft de rechtbank partijen verzocht om schriftelijk aan de rechtbank mee te delen of die aanvullende stukken reeds bij hen bekend zijn en of zij de rechtbank toestemming verlenen om zonder nadere zitting uitspraak te doen.
Verschillende partijen hebben gereageerd.
Op 18 februari 2022 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om opnieuw een zitting te houden. Zij heeft partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven dat zij mondeling op een nadere zitting willen worden gehoord.
Partijen hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Oordeel van de rechtbank
1. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Zij overweegt daartoe het volgende.
Omvang van het geding
1.1.1. De rechtbank stelt vast dat eiseres Hom Vastgoed ter zitting te kennen heeft gegeven dat zij haar beroep niet langer handhaaft, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 3 december 2020 (bestreden besluit 4). In dat besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres Hom Vastgoed tegen het besluit van 25 maart 2020 (primair besluit 5), waarbij verweerder het verzoek van eiser [eiser] om toekenning van een tegemoetkoming in planschade heeft afgewezen, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank laat de gronden die eiseres Hom Vastgoed tegen bestreden besluit 4 had gericht daarom verder buiten beschouwing.
1.1.2. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres Hom Vastgoed thans vraagtekens heeft gezet bij de door de SAOZ gemaakte planvergelijking en verweerders oordeel dat geen sprake is geweest van voorzienbaarheid betreffende het perceel van belanghebbende [ derde-partij 1] . De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er geen sprake is geweest van voorzienbaarheid betreffende de percelen van belanghebbenden [derde-partij 2] , [derde-partij 3] , [derde-partij 4] en [derde-partij 5] .De rechtbank licht hieronder per zaaknummer haar oordeel toe.
Beoordeling van het beroep met zaaknummer LEE 20/3733
Voorzienbaarheid?
1.2.
Eiseres Hom Vastgoed voert – samengevat – aan dat de schade ten tijde van de aankoop van de woning [perceel 2] door belanghebbende [ derde-partij 1] voorzienbaar was.Ten eerste stelt zij dat in de op 27 april 1989 door de gemeenteraad van Hoogeveen (de raad) vastgestelde structuurschets het gebied is aangewezen als een locatie voor mogelijk nieuwe woongebieden. In de op 29 november 1995 voor inspraak gepubliceerde structuurschets is het betreffende gebied ook aangeduid als nieuw woongebied. In de nadien vastgestelde structuurschets ‘Hollandscheveld Oost’ wordt op pagina 6 aangegeven dat Tuincentrum ‘De Zweetdruppel’ in verband met de te verwachten hoge verwervingskosten buiten het plangebied is gehouden. Volgens eiseres Hom Vastgoed kan uit die laatste structuurschets niet worden afgeleid dat bij verdere uitbreiding en/of inbreiding met woningen de locatie van dat bedrijf niet meer aan bod zou kunnen komen. Ook uit de toelichting van het bestemmingsplan “Hollandscheveld-Oost” volgt niet dat afscheid is genomen van de bedrijfslocatie voor het realiseren van woningbouw.Ten tweede stelt eiseres Hom Vastgoed dat de schade voorzienbaar was gelet op het ten tijde van de aankoop vigerende ‘Streekplan Drenthe’. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiseres Hom Vastgoed naar de contra-expertise van haar gemachtigde van 15 september 2020.
Eiseres Hom Vastgoed meent dat de commissie er ter onrechte aan voorbij is gegaan dat aan een streekplan, los van het planologisch beleid van de gemeente, voorzienbaarheid kan worden ontleend. Voorts acht eiseres Hom Vastgoed de wijze waarop de commissie de voorzienbaarheid in relatie tot het gemeentelijk beleid afdoet, niet concludent. Dit temeer nu de commissie alleen zijdelings is ingegaan op hetgeen zij heeft gesteld, aldus eiseres Hom Vastgoed.
1.3.
In reactie hierop heeft verweerder verwezen naar een nader advies van de SAOZ van 13 januari 2021. Daarin is – kort samengevat – opgenomen dat de SAOZ zich heeft gebaseerd op ruimtelijk relevante beleidsdocumenten die zijn vastgesteld 5-6 jaar na de door de gemachtigde van eiseres Hom Vastgoed aangehaalde documenten. De SAOZ heeft gewezen op de structuurschets ‘Hollandscheveld Oost’, die begin 1995 is gepubliceerd. Die schets is van 30 november 1995 tot en met 4 januari 1996 na inspraak opnieuw ter inzage gelegd. Op de daarbij gevoegde aangepaste kaart is het hier in geding zijnde gebied niet meer ingevuld voor woningbouw of anderszins. Uit de toelichtende tekst blijkt dat de locatie vanwege de aanwezigheid van de kwekerij ‘De Zweetdruppel’ buiten de plannen is gelaten omdat er exploitatie-technisch een te klein gebied zou resteren voor woningbouw, zolang de kwekerij ter plaatse gevestigd is. Vervolgens is gesteld dat het resterende plangebied een capaciteit heeft voor de komende 10 jaar en dat dit ruim voldoende is. In de tekst van de aangepaste structuurschets wordt verder geen enkel voorbehoud meer gemaakt ten aanzien van de locatie. Ook in de toelichting op het bestemmingsplan, vastgesteld op 30 september 1999, wordt de lijn van de structuurschets bevestigd. Gelet hierop is met de vaststelling van de uiteindelijk structuurschets in 1996 en het bestemmingsplan in 1999, de lijn van voorzienbaarheid van het streekplan van 1990 en de structuurvisie van 1989 doorbroken. De SAOZ heeft het standpunt ingenomen dat op basis van deze oudere documenten aan de aanvragers geen voorzienbaarheid meer is tegen te werpen. Een redelijk handelend en denkend koper mag er op dat moment immers vanuit gaan dat een invulling met woningbouw op deze locatie niet meer aan de orde is, juist ook omdat in het bestemmingsplan hierop geen toespeling wordt gemaakt; op de verbeelding, in de voorschriften, noch in de toelichting.
1.4.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS; onder meer de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582; en de uitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1667) volgt dat de voorzienbaarheid van een planologische verandering wordt beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in voor hem ongunstige zin zou veranderen. Daarbij wordt rekening gehouden met een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt. Niet is vereist dat dat beleidsvoornemen een formele status heeft.
Indien de planschade voorzienbaar is, blijft deze voor rekening van de koper omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak te hebben aanvaard.
Om op grond van een concreet beleidsvoornemen voorzienbaarheid te kunnen aannemen, moet een redelijk denkend en handelend koper uit de openbaarmaking daarvan kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking heeft en wat de zakelijke inhoud ervan is. Verder moet hij van de inhoud ervan kunnen kennisnemen.
Bij het bepalen van de voorzienbaarheid van de schade komt geen betekenis toe aan de grootte van de ten tijde van de beslissing tot investering bestaande kans dat de schade wel of niet zal ontstaan.
Voor het aannemen van voorzienbaarheid is niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat, dat deze maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen met nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden.
Uit de uitspraak van de ABRvS van 3 november 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2402) volgt dat de bestuursrechter zonder terughoudendheid moet toetsen of de planologische verandering ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor de aanvrager voorzienbaar was. Voor het geven van een antwoord op deze vraag is in beginsel geen specialistische kennis of ervaring vereist, waarover slechts een deskundige beschikt.
1.4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval terecht geen voorzienbaarheid van de planologische verandering – in dit geval, woningbouw in het plangebied van het bestemmingsplan “Hollandscheveld, deelplan de Turfsteker 2017” – heeft aangenomen. Daarbij is van belang dat belanghebbende [ derde-partij 1] sinds 3 april 2000 eigenaar is van de woning op het perceel [perceel 2] . Dat is in dit geval de investeringsbeslissing als bedoeld in de hiervoor genoemde jurisprudentie. Gelet op de kaart en tekst van de in 1996 vastgestelde structuurschets ‘Hollandscheveld Oost’ en de kaart en tekst van het in 1999 vastgesteld bestemmingsplan “Hollandscheveld Oost” was woningbouw nabij het perceel van belanghebbende [ derde-partij 1] ten tijde van de investeringsbeslissing niet langer te voorzien. Woningbouw was op die locatie niet ingetekend en niet omschreven. Met die beleidsstukken is de in 1989 aangekondigde beleidslijn doorbroken. De verwijzing van eiseres Hom Vastgoed naar het in 1990 vastgesteld ‘Streekplan Drenthe’ leidt niet tot een ander oordeel, nu dat streekplan eveneens dateert van vóór de in 1996 ingezette beleidswijziging. Van aanvaarding door belanghebbende [ derde-partij 1] van de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak was daarom geen sprake.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Planologische vergelijking
1.5.
Eiseres Hom Vastgoed voert – samengevat – aan dat diegene die zich beroept op uitzondering van het uitgangspunt dat bij de invulling van het voorafgaande en het nieuwe bestemmingsplan van planmaximalisatie moet worden uitgegaan, die uitzondering aannemelijk dient te maken. Zij verwijst in dit kader naar uitspraken van de ABRvS van 7 november 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB7332), van 30 mei 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA6000) en van 27 december 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AZ5201). Eiseres Hom Vastgoed meent dat het voorafgaande planologisch regime niet op voor de aanvrager meest nadelige wijze is ingevuld. De meest nadelige invulling van de bestemming ‘Agrarische cultuurgrond’ is die met één of meerdere sleufsilo’s, waarin opgestapeld in folie verpakt kuilgras ligt dan wel vanaf 25 meter uit de geurgevoelige delen van de omliggende woningen gevuld met los gestort kuilgras. In het definitieve advies van de SAOZ is niet van deze invulling uitgegaan, nu de uitstraling van de bestemming als overwegend landelijk is gekwalificeerd. Die onjuiste invulling werkt door bij de vergelijking van de overige schadefactoren, zoals uitzicht en de bezonningssituatie. Met betrekking tot het nader advies van de SAOZ van 20 februari 2020 merkt eiseres Hom Vastgoed op dat de SAOZ meent dat een met sleufsilo’s gevuld gebied nadeliger is dan de invulling waar de SAOZ vanuit is gegaan. Ook uit de verwijzing door de SAOZ naar de uitspraak van deze rechtbank van 30 augustus 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:3775) leidt eiseres Hom Vastgoed dit af. Volgens eiseres Hom Vastgoed is in de contra-expertise uitgebreid ingegaan op de onjuistheid van de overwegingen van de rechtbank. Tevens acht eiseres Hom Vastgoed de stellingen van de SAOZ dat een invulling met sleufsilo’s niet tot een wezenlijk andere of nadeliger situatie leidt voor wat betreft de diverse schadefactoren, volstrekt ongeloofwaardig en niet concludent gelet op de wijze waarop een invulling met sleufsilo’s aanvankelijk is bestreden door de SAOZ. Per saldo is er slechts beperkt planologisch nadeel en is er geen voor vergoeding in aanmerking komende planschade, aldus eiseres Hom Vastgoed.
1.6.
In het nader advies van 13 januari 2021 heeft de SAOZ – samengevat – overwogen dat in het nader advies van 17 februari 2020 inderdaad is aangegeven dat op grond van de bestemmings- en begripsomschrijving het maar de vraag is of sleufsilo’s als ander bouwwerk waren toegelaten op de voor ‘Agrarisch’ bestemde gronden. De SAOZ deelt echter niet de conclusie van de gemachtigde van eiseres Hom Vastgoed dat de SAOZ dus sleufsilo’s een nadeliger invulling zou vinden. Het gaat hier slechts om de vaststelling dan wel bepaling of de maximale invulling waarop de gemachtigde van eiseres Hom Vastgoed zich beroept, überhaupt tot de mogelijkheden behoorde. De SAOZ heeft aangegeven dat zij zich in dat nader advies vervolgens, vanwege de sterk vergelijkbare casuïstiek, heeft geschaard achter de uitspraak van 30 augustus 2019. In het nadere advies van 17 februari 2020 is gemotiveerd aangegeven dat – indien en voorzover sleufsilo’s ter plaatse planologisch wel tot de mogelijkheden behoorden – dit niet tot een andere beoordeling zou hebben geleid van de omvang van het nadeel, gelet op de zaken waarmee reeds uitdrukkelijk rekening is gehouden als de maximale invulling van de oude agrarische bestemming. De SAOZ heeft dit verwoord voor de aspecten uitzicht, geluid, geur, stof en andere overlast, verkeershinder en situeringswaarde. Volgens de SAOZ brengt de gemachtigde van eiseres Hom Vastgoed daartegen niet meer in dan de enkele opmerking dat het nader advies van SAOZ niet geloofwaardig en concludent zou zijn met als enige motivering de wijze waarop een invulling met sleufsilo’s aanvankelijk door de SAOZ is bestreden. De SAOZ acht het echter volstrekt logisch om eerst te bezien of sleufsilo’s als maximale invulling ter plaatse mogelijk waren en vervolgens – mocht de eerste vraag positief worden beantwoord – te beoordelen in hoeverre dit dan (nog) nadeliger is dan de maximale invulling waarmee in het kader van advisering reeds rekening is gehouden. De SAOZ heeft geconstateerd dat geen inhoudelijke tegenargumenten worden aangedragen op hetgeen door de SAOZ is gesteld op dit onderdeel.
1.7.1.
Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS (onder meer de uitspraak van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1275) volgt dat bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiervoor dient de desbetreffende wijziging waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.
Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden (zie eerdergenoemde overzichtsuitspraak van 28 september 2016).
De deskundige dient bij de vraag wat de meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden is, voor iedere relevante schadefactor dezelfde invulling aan het in de vergelijking te betrekken planologische regime te geven (vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2192).
1.7.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen het er ter zitting over eens zijn geworden dat in het onderhavige geval door de SAOZ binnen de planvergelijking (uiteindelijk) rekening is gehouden met de mogelijkheid van de aanleg van sleufsilo’s binnen het oude planologische regime. Die rekenschap volgt zowel uit het nader advies van 20 februari 2020, als het nader advies van 13 februari 2021.
1.7.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres Hom Vastgoed onvoldoende heeft onderbouwd en daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mogelijkheid van de aanleg van sleufsilo’s binnen het oude planologische regime overheersende invloed zou moeten hebben bij het vaststellen van het planologisch nadeel. In het nader advies van 20 februari 2020 heeft de SAOZ geconcludeerd dat ook met inachtneming van die planologische mogelijkheid, met de nieuwe planologische ontwikkeling niettemin sprake is van een substantieel nadeliger situatie en een waardedaling van de woningen van de belanghebbenden. De SAOZ heeft die nadeliger situatie en waardedaling gemotiveerd uiteengezet door te wijzen op de nadelige gevolgen van de planologische ontwikkeling voor de schadefactoren uitzicht, geluid, geur, stof, privacy, verkeer en situeringswaarde. Behalve wat de factor uitzicht betreft, heeft eiseres Hom Vastgoed die motivering niet (gemotiveerd) bestreden. Haar enkele stelling dat de door de SAOZ gegeven motivering volstrekt ongeloofwaardig en niet concludent is, is onvoldoende om de motivering per schadefactor en de conclusie met inachtneming van alle schadefactoren tezamen te weerleggen. Daarbij slaat de rechtbank tevens acht op hetgeen door de ABRvS in de uitspraak van 17 november 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2558), overweging 8.4., is overwogen over de mogelijkheid van opslag van kuilvoer nabij woningen. Van een onjuiste en/of ondeugdelijke planvergelijking is daarom in het onderhavige geval geen sprake.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
1.8.
In het licht van het voorgaande is het beroep met zaaknummer LEE 20/3733 ongegrond.
Verzoek om schadevergoeding
1.9.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende [ derde-partij 1] vóór sluiting van het onderzoek in de onderhavige procedure heeft verzocht om te bezien of er reden is een schadevergoeding toe te kennen voor overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst dat verzoek af. Zij overweegt daartoe dat thans de beoordeling van een rechtsmiddel van eiseres Hom Vastgoed voorligt, niet een rechtsmiddel dat door belanghebbende [ derde-partij 1] is ingesteld. Ook in de voorliggende bezwaarfase was geen sprake van behandeling van een rechtsmiddel van belanghebbende [ derde-partij 1] . Er was dus geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit op een rechtsmiddel van die belanghebbende. Voor toekenning van een schadevergoeding aan belanghebbende [ derde-partij 1] bestaat daarom geen aanleiding.
Beoordeling van het beroep met zaaknummer LEE 20/3734
1.10.
De rechtbank stelt vast dat eiseres Hom Vastgoed in zaaknummer LEE 20/3734 een gelijkluidende beroepsgrond heeft ingediend, als hiervoor in overweging 1.5. is opgenomen.
1.10.1.
Gelet op hetgeen hiervoor in overweging 1.7.3. is opgenomen, slaagt die beroepsgrond niet.
1.10.2.
Het beroep met zaaknummer LEE 20/3734 is daarom ongegrond.
Beoordeling van het beroep met zaaknummer LEE 21/161
1.11.
Eiser [eiser] betoogt dat verweerder ten onrechte zijn verzoek om tegemoetkoming in planschade heeft afgewezen. Hij voert – samengevat – aan dat moet worden meegenomen wat zijn perspectief was toen hij besloot zijn woning te kopen. Op dat moment lag er een structuurvisie waarin de expliciete zinsnede stond dat het stuk geen juridische waarde heeft. Als weldenkend koper mocht hij erop vertrouwen dat er geen woningen achter zijn erf zouden komen, nu in de structuurvisie een aantal vlekken was aangegeven waar mogelijk gedacht werd aan woningbouw. Eiser [eiser] meent dat hij in 1992 mocht concluderen dat men mogelijk dacht aan woningen op de locatie tussen het 1e en 2e Zandwijkje, inclusief het kassencomplex van ‘De Zweetdruppel’. Hij stelt dat zijn erf niet grenst aan dat gebied maar wel aan het gebied tussen Zuideropgaande en de locatie van ‘De Zweetdruppel’. De aangegeven vlek lag ver van zijn kavel. Zeker te ver om daaraan de conclusie te verbinden dat er achter zijn woning gebouwd zou gaan worden. Eiser [eiser] meent dat hij er alleen al daarom op mocht vertrouwen dat er voor hem geen feitelijke gevolgen aan dat document verbonden zouden zijn. Tevens stelt hij dat ook uit de besluitvorming die achteraf heeft plaatsgevonden, blijkt dat hij achteraf bezien de juiste conclusie heeft getrokken. Er is namelijk een nieuw structuurschets van 1995 en het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in 1999. Eiser meent dat hij als weldenkend koper in het voorjaar van 1992 in alle opzichten terecht de uitspraak van de raad heeft geïnterpreteerd zoals die was bedoeld. Wat het beoordelingsperspectief betreft, wijst eiser [eiser] op de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel en de daaropvolgende uitspraak van de ABRvS van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694).
1.12.
In reactie hierop heeft verweerder verwezen naar een nader advies van de SAOZ van 25 januari 2021. In dat nader advies is – kort samengevat – aangegeven dat in dit geval geen sprake is van een toezegging of een vergelijkbare gedraging. De voorzienbaarheid wordt gebaseerd op een ruimtelijk relevant en gepubliceerd document, dat voor een ieder kenbaar was en derhalve ook voor eiser [eiser] ten tijde van de aankoop van zijn onroerende zaak in 1992. De SAOZ heeft aangevoerd dat de verwijzing van eiser [eiser] naar het vertrouwensbeginsel als bedoeld in de uitspraak van 29 mei 2021 in dit verband geen relevantie heeft. Voorts is aangevoerd dat een structuurschets naar haar aard geen rechtstreekse en juridisch bindende regels voor burgers dan wel inwoners bevat en uitsluitend is bedoeld om het toekomstig ruimtelijk beleid vast te leggen in een beleidsdocument. Volgens de SAOZ betekent dit dat eiser [eiser] ten tijde van de aankoop wel degelijk rekening had te houden met het ruimtelijk perspectief dat in de structuurschets werd geschetst. Van een afwijkende interpretatie van wat de raad had bedoeld was volgens de SAOZ dan ook op geen enkele wijze sprake. Eisers verwijzing naar de stukken die nadien zijn vastgesteld kan volgens SAOZ evenmin doel treffen. Die stukken waren ten tijde van de aankoop van de woning door eiser [eiser] niet beschikbaar en hij had zich als redelijk handelend en denkend koper uitsluitend te baseren op de bij de aankoop wel voor een ieder kenbaar zijnde structuurschets van 1989. Uit de tekst van die structuurschets en de toelichting daarop door verweerder destijds blijkt dat de schets een globaal beleidsmatig karakter heeft. Gezien de schaal van de kaart kan daar niet de betekenis van een bufferzone worden toegekend, zoals eiser [eiser] stelt. De SAOZ heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet de bedoeling was tussen de bestaande woonwijk en het nieuwe woongebied een smalle agrarische zone met behoud van aanwezige natuur en landschap in stand te houden. De SAOZ heeft overwogen dat een redelijk denkend en handelend koper van een onroerende zaak die op 4 mei 1992 deze kaart onder ogen kreeg, rekening zou houden met dorpsuitbreiding aansluitend op de bestaande bebouwing van de [straat] ter plaatse van ‘De Zweetdruppel’. De SAOZ heeft daarbij gewezen op vaste jurisprudentie van de ABRvS waar het gaat om actieve risicoaanvaarding op basis van beleidsdocumenten (zie de uitspraak 28 september 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2582).
1.13.1.
De rechtbank verwijst naar het hiervoor in overweging 1.4.1. opgenomen toetsingskader.
1.13.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval terecht voorzienbaarheid van de planologische verandering heeft aangenomen. Daarbij is van belang dat eiser [eiser] op 15 juli 1992 eigenaar is geworden van de woning op het perceel [perceel 1] . Dat is in dit geval de investeringsbeslissing als bedoeld in de hiervoor genoemde jurisprudentie. Beleidsvoornemens van ná die beslissing zijn reeds daarom hier niet van belang. Ten tijde van die investeringsbeslissing was de in 1989 vastgestelde structuurschets een concreet beleidsvoornemen als bedoeld in die jurisprudentie. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser [eiser] uit de openbaarmaking daarvan had kunnen begrijpen op welk gebied dat beleidsvoornemen betrekking had en wat de zakelijke inhoud ervan was. Op de kaart van die schets staat immers voldoende kenbaar aangegeven dat mogelijk een nieuw woongebied is geprojecteerd in het gebied tussen de wegen Zuideropgaande en 1e Zandwijkje. Dat op die kaart een onbebouwde zone tussen dat woongebied en het perceel van eiser [eiser] is geprojecteerd, leidt niet tot een andere conclusie. Uit de tekst van de schets volgt dat die schets als oogmerk heeft om in grote trekken aan te geven welke ruimtelijke ontwikkeling Hoogeveen te wachten staat. De schets heeft een globaal beleidsmatig maar juridisch niet bindend karakter. Aangegeven is dat binnen de contouren van de schets een nadere afweging van concrete plannen en van nieuwe of thans niet voorziene ontwikkelingen op een wat ruimtelijke aspecten betreft samenhangende wijze kan plaatsvinden. In paragraaf 4.4 is tevens beschreven dat de toekomstige uitbreidingsrichtingen voor de dorpen op de kaart zijn aangegeven. In dat licht bezien overweegt de rechtbank dat eiser [eiser] aan de door hem benoemde onbebouwde zone geen doorslaggevende betekenis kon toekennen. De schets gaf immers aan dat het gebied nabij de woning die eiser [eiser] op het oog had, als uitbreidingsrichting voor een nieuw woongebied was aangemerkt. Zoals uit de jurisprudentie volgt en anders dan eiser [eiser] stelt, is voorts voor de vraag of er sprake is van voorzienbaarheid niet relevant wat de formele (juridische) status van de schets was. Van opgewekt vertrouwen dat er geen woongebied zou kunnen komen, is daarom geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
1.13.3.
Het beroep met zaaknummer LEE 21/161 is daarom ongegrond.
Proceskosten
2. Nu de beroepen ongegrond zijn, bestaat geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding van belanghebbende [ derde-partij 1] af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
typ: SCHA
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hoger beroepschrift. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|