Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:1863 
 
Datum uitspraak:17-02-2026
Datum gepubliceerd:06-03-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:C/03/347588/KG ZA 25-469
Rechtsgebied:Burgerlijk procesrecht
Indicatie:Eiser vordert opheffing van een beslag wegens strijd met de partijbedoeling en afspraken in de depotovereenkomst, een summierlijk ondeugdelijke vordering en misbruik van recht. De vordering wordt afgewezen.
Trefwoorden:ammoniak
bestuursdwang
meststoffen
uitkering
varkenshouderij
waterschap
 
Uitspraak
RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/347588 / KG ZA 25-469


Vonnis in kort geding van 17 februari 2026


in de zaak van




1 [eiser 1] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,2. [eiser 2] B.V.,
gevestigd te [plaats] ,3. [eiser 3],
wonende te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers,
advocaat: mr. M.M.M. Rooijen,

tegen


WATERSCHAP LIMBURG,
gevestigd te Roermond,
gedaagde partij,
hierna te noemen: gedaagde,
advocaat: mr. B.M. Reinders.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 30;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 30;- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarbij door partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten


2.1.
Ten tijde hier van belang was [eiser 2] B.V. eigenaar van de varkenshouderij aan [adres] . [eiser 1] B.V. is de algemeen directeur van [eiser 2] B.V. en [eiser 3] is bestuurder van [eiser 2] B.V.


2.2.
Aan de overkant van de [straat] ligt het oppervlaktewater de Rakerlossing. De Rakerlossing stroomt in op het oppervlaktewaterlichaam de Rosveldlossing en mondt stroomafwaarts uit in de Sterkselsche Aa.



2.3.
Op 18 november 2020 heeft het waterschap de Dommel een melding ontvangen van vissterkte in de Sterkselsche Aa in Noord-Brabant.



2.4.
Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde onderzoek laten uitvoeren in het stroomgebied van de Rosveldlossing en de zijbeken.



2.5.
Tijdens de controles zijn verschillende metingen verricht waaruit bleek dat het oppervlaktewater hoge concentraties sulfide, ammonium en ammoniak bevatte, die tot vissterfte leidden.



2.6.
Gedaagde heeft geconstateerd dat deze verontreiniging te herleiden is naar het bedrijf van eisers omdat van dit bedrijf uit illegaal meststoffen geloosd zijn in de Rakerlossing.



2.7.
Gedaagde heeft bij primaire besluiten van 24 december 2021 aan alle eisers afzonderlijk een last onder bestuursdwang opgelegd vanwege het lozen van meststoffen zonder vergunning in het oppervlaktewaterlichaam de Rakerlossing.



2.8.
Gedaagde heeft op 18 juli 2023 ten laste van eisers, na in april 2023 eerst een voornemen daartoe geuit te hebben, een kostenverhaalsbeschikking genomen met betrekking tot de kosten van het baggeren van de Rosveldlossing.



2.9.
Eisers hebben bezwaar ingediend tegen de primaire besluiten. Gedaagde heeft op 13 september 2022 deze bezwaren ongegrond verklaard.



2.10.
Eisers hebben beroep ingediend tegen de bestreden besluiten. Op 17 september 2025 heeft de rechtbank Limburg de beroepen van eisers gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd vanwege onvoldoende aantoonbare causaliteit van de enkele lozing vanaf het erf van eisers en de verontreinigde sliblaag. Gedaagde heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna: de Afdeling.



2.11.
Gedaagde heeft op 23 oktober 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarin zij niet één lozing maar zeven lozingen aan de opgelegde last onder bestuursdwang ten grondslag heeft gelegd. Op 20 november 2023, nadat daarover eerst een voornemen gestuurd was, heeft gedaagde een definitieve kostenverhaalsbeschikking genomen.



2.12.
Gedaagde heeft op 25 oktober 2023, hangende een voorlopige voorziening, executoriaal beslag gelegd ten laste van eisers op aan eisers toebehorende onroerende zaken ten behoeve van een eerder uitgevaardigd dwangbevel op grond van de kostenverhaalsbeschikking.



2.13.
Partijen zijn in gezamenlijk overleg op 10 april 2024 tot een depotovereenkomst gekomen, waarbij eisers een bedrag in depot stelden van € 215.000,00.



2.14.
In de depotovereenkomst is - voor zover van belang- het volgende opgenomen:
“ 1.3 […] [eisers] zal een onvoorwaardelijke vordering op de Notaris verkrijgen indien en voor zover in de beroepsprocedure bij de Rechtbank Limburg, bekend onder zaaknummers ROE 22/2521 t/m 22/2524, bij einduitspraak wordt geoordeeld dat de kostenverhaalsbeschikking van 18 juli 2023 wordt herroepen. Een eventueel in te stellen rechtsmiddel tegen de einduitspraak in voornoemde beroepsprocedure zal niet aan voornoemde onvoorwaardelijke vorderingen in de weg staan of deze opschorten. […]


b. Ingeval de Notaris van één van Partijen de schriftelijke opdracht ontvangt om tot uitbetaling van (een deel van) het Depotbedrag over te gaan, […], dient de Notaris na vijftien (15) werkdagen na ontvangst van de schriftelijke opdracht over te gaan tot uitbetaling van (een deel van) het Depotbedrag overeenkomstig voornoemde opdracht, tenzij de Notaris binnen voornoemde termijn van vijftien (15) werkdagen van (één van) de andere Partijen schriftelijk bewijs bij wijze van een afschrift van een betekende dagvaarding heeft ontvangen dat een kort geding aanhangig is gemaakt […].”




2.15.
Nadat de rechtbank op 17 september 2025 de beroepen van eisers gegrond heeft verklaard en de bestreden besluiten heeft vernietigd, heeft de advocaat van eisers op 18 september 2025 de notaris verzocht tot uitkering van het depotbedrag aan eisers over te gaan. De notaris heeft € 218.000,000 overgemaakt naar de derdenrekening van eisers.



2.16.
Gedaagde heeft op 1 oktober 2025 ten laste van eisers conservatoir beslag gelegd tot een bedrag van € 218,000,00 onder de stichting die de derdenrekening beheert.






3Het geschil


3.1.

[eisers] vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. het door gedaagde gelegde conservatoir derdenbeslag als met onmiddellijke ingang op te heffen;

Subsidiair

II. gedaagde te veroordelen om binnen 24 uur na dagtekening, althans betekening van het vonnis in dit kort geding, het conservatoir derdenbeslag op te heffen op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per dag dan wel dagdeel dat gedaagde daarmee in gebreke blijft;

Primair en subsidiair

III. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.



3.2.
Gedaagde voert verweer. Gedaagde concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eisers, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van eisers, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.






4De beoordeling
Spoedeisend belang

4.1.
Artikel 705 Rv biedt een eigen rechtsgang ten behoeve van de opheffing van beslagen in de vorm van een kort geding ten overstaan van de voorzieningenrechter. Een spoedeisend belang is geen voorwaarde voor toegang tot deze rechtsgang. Gedaagde betwist dit ook niet.


Kern geschil



4.2.
De kern van dit geschil is de vraag of gedaagde na de uitbetaling door de notaris van het depotbedrag van € 218.000,00 op de derdenrekening van eisers, beslag kan leggen onder de stichting die deze derdenrekening beheert.


Toetsingskader



4.3.
Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient een beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. Daarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. Hierbij geldt dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, moet in beginsel worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging.


Inhoudelijke beoordeling



4.4.
Eisers vorderen opheffing van het conservatoire beslag op een drietal gronden, te weten:
a. het beslag is in strijd met partijbedoelingen en afspraken in de depotovereenkomst;
b. de vordering van gedaagde is summierlijk ondeugdelijk;
d. er is sprake van misbruik van recht.
Deze gronden zullen hierna toegelicht en besproken worden.


Beslag in strijd met partijbedoeling en afspraken in de depotovereenkomst



4.5.
Eisers stellen dat de bedoeling van partijen bij de depotovereenkomst was dat uitkering volgt na de uitspraak in eerste aanleg en niet nadat de rechtsmiddelen zijn uitgeput. De handelwijze van gedaagde is aldus eisers flagrant in schrijd met de partijbedoeling. Door na uitkering van het depot op de derdenrekening van de advocaat van eisers beslag te leggen, verhindert gedaagde de uitvoering van de depotovereenkomst en poogt zij op die wijze een zekerheid te krijgen die zij definitief had opgegeven met het sluiten van de depotovereenkomst.


4.6.
Gedaagde betwist dat zij door ondertekening van de depotovereenkomst afstand heeft gedaan van haar recht om conservatoire maatregelen te treffen. Aan de depotovereenkomst worden door eisers allerlei bedoelingen toegedicht waarover niets is afgesproken. Dat is niet vastgelegd in de depotovereenkomst noch volgt dat uit de onderliggende correspondentie tussen partijen. Een dergelijke uitleg mochten eisers ook niet verwachten.



4.7.
De rechtbank oordeelt dat van een afspraak om na ondertekening van de depotovereenkomst afstand te doen van een recht om conservatoire maatregelen te treffen niet is gebleken. Het blijkt niet uit de bewoordingen van de depotovereenkomst, noch volgt het uit de correspondentie die partijen in dit kader gevoerd hebben. Nu de advocaten onderling uitvoerig over de vaststelling van de depotovereenkomst overlegd hebben, ligt het in de lijn der verwachtingen dat indien zij een dergelijke afspraak wensten overeen te komen zij dit ook duidelijk in de depotovereenkomst hadden opgenomen. Dat een dergelijke afspraak in de overeenkomst erbij gelezen kan worden is onvoldoende gesteld noch gebleken. Als gedaagde alsdan een voldoende deugdelijke vordering heeft staat het haar in beginsel vrij daarvoor beslag te leggen. Dit leidt ertoe dat de enkele omstandigheid dat gedaagde conservatoir beslag heeft gelegd op de uitkering van het depotbedrag niet tot gevolg heeft dat dit beslag ontoelaatbaar of onrechtmatig wordt geacht.


Vordering summierlijk ondeugdelijk



4.8.
Eisers stellen verder dat de rechtbank Limburg in haar uitspraak van 17 september 2025 geoordeeld heeft dat de ene mestlozing, die op of omstreeks 25 november 2020 vanaf het erf van eisers heeft plaatsgevonden, geen sliblaag heeft kunnen veroorzaken van deze omvang. Vanwege de afstemmingsregel dient de voorzieningenrechter zijn oordeel in beginsel af te stemmen op het oordeel van de bestuursrechter, aldus eiser. Ten slotte is er volgens eisers sprake van cumulatie van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke sancties voor dezelfde overtredingen hetgeen in strijd is met het EVRM. Dit alles leidt volgens eisers tot de conclusie dat de door gedaagde ingestelde vordering summierlijk ondeugdelijk is.



4.9.
Gedaagde voert ten eerste aan dat de afstemmingsregel niet van toepassing is bij een vordering tot opheffing van een beslag. Bovendien dient er steeds een belangenafweging plaats te vinden. Deze belangenafweging dient, aldus gedaagde, in haar voordeel plaats te vinden. Gedaagde betwist dat er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van strafrechtelijke sancties en bestuursrechtelijke maatregelen en verwijst in dat kader naar vaste rechtspraak van de Afdeling. Ten slotte voert gedaagde aan dat na de uitspraak van de rechtbank Limburg gedaagde nieuwe besluiten heeft genomen. Aan de nieuwe last onder dwangsom heeft gedaagde zeven lozingen alsmede een deskundigenrapport van Haskoning ten grondslag gelegd. Volgens gedaagde is er dan ook geen sprake van een summierlijk ondeugdelijke vordering.



4.10.
Met betrekking tot de afstemmingsregel zoekt de voorzieningenrechter aansluiting bij rechtspraak van de Hoge Raad over deze materie en overweegt daarbij als volgt.
De afstemmingsregel is niet zonder meer van toepassing indien de gevraagde voorziening strekt tot opheffing van een conservatoire maatregel of tot een verbod tot het treffen van een dergelijke maatregel, en de uitspraak van de bodemrechter over de vordering ter verzekering waarvan de conservatoire maatregel strekt, nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen. Het ligt, aldus de HR in haar uitspraken van 30 juni 2006 en 17 april 2015, op de weg van degene die opheffing van een conservatoir beslag vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gestelde vordering ondeugdelijk is. Ook de omstandigheid dat die vordering is afgewezen, rechtvaardigt dit oordeel niet zonder meer indien tegen het vonnis of arrest een rechtsmiddel is ingesteld. In een zodanig geval dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken. De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden meegewogen. Van de rechter kan overigens niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis aangewende rechtsmiddel.



4.11.
Tegen het vonnis van de rechtbank Limburg is hoger beroep ingesteld. De voorzieningenrechter gaat niet vooruitlopen op het al dan niet slagen van het ingestelde hoger beroep. Het causale verband tussen de lozingen en de vervuiling van de sliblaag alsmede de omvang van de vordering ligt ter beoordeling voor aan de Afdeling. Met betrekking tot de cumulatie van bestuursrechtelijke maatregelen en strafrechtelijke sancties verwijst de voorzieningenrechter naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet bestuursrecht waarin is opgenomen dat cumulatie van een bestraffende sanctie (een bestuurlijke boete of een strafrechtelijke sanctie) met een herstelsanctie in beginsel mogelijk is, omdat beide typen sancties naar doel en strekking verschillen. In het licht van de gemotiveerde betwisting van gedaagde hebben eisers hun stelling dat het toepassen van meerdere herstelmaatregelen strijdig zou zijn met het EVRM onvoldoende onderbouwd. Concluderend is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat (nog) niet gezegd kan worden dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken. Ook een belangenafweging (zie randnummers 4.16 tot en met 4.19) noopt niet tot een ander oordeel.


Misbruik van recht



4.12.
Eisers stellen dat gedaagde misbruik van recht maakt omdat zij via de weg van de nieuwe kostenverhaalsbeschikking en het dwangbevel het depotbedrag altijd nog aan haar kan doen toevloeien door snel met een beslag tussen te komen. Bovendien zou het beslag disproportioneel zijn omdat er minder bezwarende beslagobjecten, onroerende zaken met een aanzienlijk waarde, aanwezig zijn.



4.13.
Gedaagde betwist dat er sprake is van misbruik van recht en voert daartoe aan dat gedaagde beslag heeft gelegd tot zekerheid van verhaal van haar vordering. Er is geen alternatief doel noch is er sprake van een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend. Eiser sub 3 werd eerder in privé failliet verklaard. Het eerst gelegde bankbeslag op onroerende zaken raakte bij geen van de partijen zijdens eisers enig saldo. De onroerende zaken van de holding zijn met meerdere hypotheken en opstalrechten bezwaard, waardoor deze geen verhaal bieden. Er is aldus gedaagde geen minder bezwarend beslag mogelijk. Gedaagde heeft bovendien aangevoerd dat als de Afdeling de kostenverhaalbeschikking vernietigt, de beslagen gelden dan terugvloeien naar eisers.



4.14.
De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen. Uit de door gedaagde overgelegde stukken blijkt dat er forse hypotheekrechten gevestigd zijn op de onroerende zaken van eisers en op een aantal objecten bovendien opstalrechten gevestigd zijn. Bij een eventuele executieverkoop zal de waarde verder in prijs dalen. Daarnaast is gedaagde al eerder in privé failliet verklaard, welke faillissement bij een gebrek aan baten is opgeheven, waarbij alle schulden blijven open staan. Dat er minder bezwarende beslagobjecten voorhanden zijn is de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken, zeker nu ook een eerder beslag op onroerende zaken onvoldoende verhaal bood. Waarom dat nu anders zou zijn is onvoldoende gemotiveerd. In het licht van het voorgaande bezien komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het beslag op de derdenrekening niet disproportioneel is en geen ander doel treft dan waarvoor de voorziening verleend is: zekerheidstelling van verhaal.


Belangenafweging



4.15.
De beslagen kunnen in beginsel dus gewoon blijven liggen tenzij een belangenafweging tot een ander oordeel leidt. Eisers hebben in dat kader aangevoerd dat zij dringend over de depotgelden dient te beschikken voor de realisatie van een zonnepark. Zonder deze gelden dreigt een noodtoestand en verdere vertraging. Ter zitting lichtte eiser sub 3 desgevraagd toe dat het zonnepark inmiddels gerealiseerd is maar dat er nog kosten zijn voor het aansluiten van de transformator en het leggen van de leidingen en er nog openstaande rekeningen zijn waardoor het zonnepark nog niet in werking is getreden en er geen inkomen gegenereerd wordt. Gedaagde betwist dat er sprake is van een noodtoestand bij eisers. Er is door eisers middels een geldlening een zonnepark gerealiseerd. Dat eisers deze lening niet kunnen aflossen en (hoge) rentes dienen te betalen, dient niet voor rekening van gedaagde te komen.



4.16.
Onbetwist vast staat dat het zonnepark inmiddels gerealiseerd is. Dat er nog openstaande rekeningen bestaan waardoor het zonnepark nog niet in werking is getreden is onvoldoende aannemelijk geworden. Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat er geen minder bezwarend beslag gelegd kan worden en het enige reële verhaalsobject voor gedaagde de gelden zijn die de Stichting Derdengelden voor eisers houdt.



4.17.
Dit leidt ertoe dat - na afweging van de wederzijdse belangen - aan het belang van gedaagde bij handhaving van het beslag een zwaarder gewicht moet worden toegekend dan aan het belang van eisers bij opheffing daarvan.



4.18.
Al met al komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de vorderingen van eisers moeten worden afgewezen en het beslag op de derdenrekening in stand wordt gehouden.


Proceskosten



4.19.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagde worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.306,00 ( 2 punten x € 653,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.230,00







5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.
wijst de vorderingen van eisers af;



5.2.
veroordeelt eisers in de proceskosten van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;



5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.



ECLI:NL:HR:2006:AV1559, NJ 2007/483, ECLI:NL:HR:2015:1074


Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, blz. 88)
Link naar deze uitspraak