Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBLIM:2026:1670 
 
Datum uitspraak:18-02-2026
Datum gepubliceerd:09-03-2026
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:ROE 23/127
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Beroep tegen wijzigingsbesluit waarbij habitattypen en soorten zijn toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten voor Natura 2000-gebieden. Het niet ter inzage leggen van habitattypekaarten wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, onder vergoeding van griffierecht en veroordeling in de proceskosten. Voldoende gelegenheid tot inspraak. Verplichting voor verweerder om alle in bijlagen I en II van de Habitaitrichtlijn genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Gelet op die verplichting is er geen ruimte om rekening te houden met gevolgen voor agrarische bedrijfsvoering. Eisers hebben geen redenen gegeven waarom de relevante habitattypekaarten of de inventarisatie door de Vlinderstichting met betrekking tot soorten gebrekkig zouden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft niet te worden aangetoond dat de toegevoegde habitattypen en soorten aanleiding zijn geweest voor selectie van de Natura 2000-gebieden; Holohan-arrest wordt niet gevolgd. Uitsluitend gevolgen van ecologische aard mogen worden betrokken. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden. Daarmee moet bij instandhoudingsmaatregelen wel rekening worden gehouden. Niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van deze zaken verweten kan worden een onevenredige afweging van belangen te hebben gemaakt.
Trefwoorden:landbouw
 
Uitspraak
RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 23 / 127, 23 / 133, 23 / 134 en 23 / 135

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaken tussen


[eiseres 1] , te [vestigingsplaats 1]


[eiser 1]
, te [woonplaats 1]


[eiseres 2]
, te [woonplaats 2]
eisers in 23/127,


[eiseres 3] , te [vestigingsplaats 2]


[eiser 2]
, te [woonplaats 3]


[eiseres 4]
, te [woonplaats 4]


[eiser 3]
, te [woonplaats 5]
eisers in 23/133,


[eiser 4] , te [woonplaats 6]
eiser in 23/134,


[eiseres 5] , te [vestigingsplaats 3]


[eiser 5]
, te [woonplaats 7]


[eiseres 6]
, te [woonplaats 8]


[eiser 6]
, te [woonplaats 9]


[eiser 7]
, te [woonplaats 10]
eisers in 23/135,

(gemachtigde in alle zaken: mr. J.J.J. de Rooij),

en


de Minister van Natuur en Stikstof (nu: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), verweerder.




Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2022, bekend gemaakt in de Staatscourant van 25 november 2022, (het bestreden besluit) heeft verweerder het wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden (hierna ook: het wijzigingsbesluit) vastgesteld.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft vanwege proceseconomische gronden deze rechtbank gevraagd deze zaken te behandelen, omdat de beroepen hier zijn ingesteld, dan wel omdat de beroepen zich richten tegen Natura 2000-gebieden in de provincie Limburg. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brieven van 6 april 2023 aan partijen meegedeeld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Met brieven van 24 november 2025 hebben partijen in de onderscheiden zaken toestemming gegeven onderzoek ter zitting achterwege te laten en per heden is het onderzoek in deze zaken gesloten, waarbij de datum van de uitspraak is bepaald op heden.




Overwegingen


Overgangsrecht Aanvullingswet natuur Omgevingswet


1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.


1.1.
Het ambtshalve genomen wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.


Inleiding


2. Het wijzigingsbesluit heeft betrekking op 101 gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszone ter uitvoering van de Richtlijn 92/43 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn). Met het wijzigingsbesluit wordt beoogd te corrigeren wat niet goed is gegaan bij de oorspronkelijke aanwijzing van die gebieden.



2.1.
Eisers exploiteren agrarische bedrijven in [vestigingsplaats 1] , [vestigingsplaats 2] , [vestigingsplaats 4] en [vestigingsplaats 3] . Zij hebben beroep ingesteld tegen het wijzigingsbesluit, voor zover dat betrekking heeft op Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000-gebieden) geheel of gedeeltelijk gelegen in het arrondissement Limburg.


Totstandkoming en achtergrond van het besluit


3. De Habitatrichtlijn bepaalt dat een coherent Europees ecologisch netwerk moet worden gevormd van speciale beschermingszones: het Natura 2000-netwerk. Dit netwerk is bedoeld om bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving te beschermen en zo de biodiversiteit te behouden. De gebieden worden aangewezen vanwege hun relatieve belang voor de in bijlage I van de Habitatrichtlijn genoemde habitattypen en de in bijlage II van de Habitatrichtlijn genoemde habitatsoorten. Een gebied wordt in beginsel geselecteerd, wanneer het voor een habitattype of soort, afhankelijk van de omstandigheid of het een prioritair habitattype of prioritaire soort betreft, tot de vijf of tien belangrijkste gebieden in Nederland behoort.



3.1.
De procedure voor de aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden bestaat uit drie fases. In de eerste fase meldt de lidstaat een lijst met gebieden aan bij de Europese Commissie (hierna: de Commissie). In de tweede fase stelt de Commissie, in samenspraak met de lidstaat, de lijst van gebieden van communautair belang vast. Vervolgens wijst de lidstaat in de derde fase binnen zes jaar de gebieden op die lijst aan als Habitatrichtlijngebieden. Deze aanwijsverplichting is in Nederland geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb).



3.2.
De Europese Commissie heeft op 7 december 2004 een lijst van gebieden van communautair belang vastgesteld die geldt voor Nederland. Deze lijst is daarna meermaals geactualiseerd. Vanaf 2008 zijn in Nederland aanwijzingsbesluiten gepubliceerd voor deze Habitatrichtlijngebieden. In deze besluiten zijn de grenzen van de gebieden, de habitattypen en soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen en de instandhoudingsdoelstellingen voor die habitattypen en soorten opgenomen.



3.3.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 9 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1239, onder 8.2) overwogen dat de aanmelding en plaatsing van gebieden op de lijst van gebieden van communautair belang niet alleen zien op de habitattypen en habitatsoorten waarvoor dat gebied is geselecteerd. Die aanmelding en plaatsing hebben betrekking op alle habitattypen en habitatsoorten die in het bewuste gebied voorkomen in een meer dan verwaarloosbare oppervlakte of populatie. Ook voor die habitattypen en habitatsoorten moeten daarom instandhoudingsdoelstellingen worden geformuleerd.



3.4.
Gelet hierop was de minister verplicht om bij de aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden instandhoudingsdoelstellingen te formuleren voor alle in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn genoemde habitattypen en habitatsoorten die op dat moment in meer dan verwaarloosbare mate in die gebieden voorkwamen.



3.5.
Met het wijzigingsbesluit is beoogd te corrigeren wat niet goed is gegaan bij de oorspronkelijke aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden. Op het moment van aanwijzen waren in veel gevallen de habitattypenkaarten, waarop de aanwijzingen zijn gebaseerd, nog niet compleet. Met het wijzigingsbesluit zijn de habitattypen en soorten, die op het moment van aanwijzen van het desbetreffende Habitatrichtlijngebied al in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren, alsnog toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten. In een (beperkt) aantal gevallen bleken habitattypen en soorten op het moment van aanwijzen niet in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig te zijn. Deze zijn met het wijzigingsbesluit verwijderd. Verder voorziet het wijzigingsbesluit in de aanpassing van sommige instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen of soorten waarvoor de gebieden al zijn aangewezen. Het wijzigingsbesluit brengt geen wijzigingen aan in de begrenzingen van de Habitatrichtlijngebieden en gaat niet over de Vogelrichtlijngebieden.

4. In de beroepen is aangevoerd dat het wijzigingsbesluit onzorgvuldig is voorbereid, nu bij het wijzigingsbesluit geen habitattypenkaarten zijn gevoegd die de basis vormen voor het besluit. Onduidelijk is daarom de precieze locatie van de toegevoegde habitattypen.



4.1.
Eisers hebben verder aangevoerd dat niet is voldaan aan de motiveringsplicht nu noch uit het besluit noch uit de nota van toelichting onmiskenbaar volgt uit welke deskundigenonderzoeken blijkt dat de bij het wijzigingsbesluit toegevoegde habitattypen aanwezig waren in het betreffende gebied ten tijde van het aanwijzen ervan. Eisers zijn van mening dat voor het toevoegen van habitattypen slechts in algemene zin is verwezen naar de habitattypenkaarten en dat verweerder heeft nagelaten om per habitatgebied en per habitattype of soort ten tijde van het aanwijzen van het gebied te motiveren dat deze waarden aanwezig waren in het desbetreffende gebied. Daarvoor is als voorbeeld het Natura 2000-gebied Dwingelerveld genoemd.
Het aan het besluit ten grondslag liggende rapport van de Vlinderstichting is gebaseerd op waarnemingen in de periode 1 januari 2000 en 28 februari 2017 en daarmee is wat betreft soorten in alle gebieden niet zonder meer aangetoond dat deze reeds aanwezig waren in een betreffend gebied ten tijde van de aanwijzing ervan.
Eisers wijzen er verder op dat het Uitvoeringsbesluit 2011/484/EU iedere lidstaat verplicht om de aanwezige waarden op basis van de beste beschikbare informatie voor elk gebied dat deel uit maakt van het netwerk te laten registreren. Het bestreden besluit kan, nu deze informatie ontbreekt, zonder deugdelijke en draagkrachtige motivering niet in stand blijven.



4.2.
Eisers bestrijden het standpunt van verweerder dat alle habitattypen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen ook moeten worden aangewezen. Het arrest van het Hof van 7 maart 2018 in de zaak Holohan (HvJ EU C-461/17; ECLI:EU:C:2018:883) pleit er naar de mening van eisers voor onderscheid te maken tussen habitattypen en soorten die de eerste aanleiding waren om een gebied te selecteren en soorten en habitattypen die in het gebied voorkomen maar niet de aanleiding waren om het gebied te selecteren. Dat uitgangspunt zou in andere landen ook zo worden toegepast. Hieruit volgt volgens eisers dat niet zonder meer kan worden gesteld dat de opvatting van verweerder dat het beschermingsregime van Natura 2000-gebieden zich uitstrekt tot iedere soort die en ieder habitattype dat in meer dan verwaarloosbare omvang of oppervlakte in een gebied aanwezig is, steun vindt in de Habitatrichtlijn. Voor zover het wijzigingsbesluit is bedoeld als correctie van de eerdere aanwijzingen, zijn eisers van mening dat door verweerder niet is aangetoond dat de toegevoegde gebieden de aanleiding waren voor selectie van het Natura 2000-gebied.



4.3.
Verder zijn eisers van mening dat verweerder ten onrechte een aantal habitattypen en soorten heeft aangewezen die slechts in verwaarloosbare mate voorkomen in een gebied. Het gaat dan om typen en soorten die onder meer in oppervlakte verwaarloosbaar, dan wel in kwaliteit verwaarloosbaar zijn.



4.4.
Eisers hebben ook aangevoerd dat zij als belanghebbenden alvorens de aangewezen waarden bij de Europese Commissie bekend waren gemaakt in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om een zienswijze in te dienen. Doordat de zienswijzeprocedure pas open is gesteld nadat de Europese Commissie is geïnformeerd over de aanwijzing van de aanwezige waarden is de mogelijkheid van inspraak niet zinvol en draagt deze niet bij aan een goede rechtsbescherming van burgers. Ook in zoverre ontbreekt het aan een zorgvuldige voorbereiding van de procedure.



4.5.
Tot slot hebben eisers aangevoerd dat onvoldoende is onderzocht wat de juridische gevolgen gaan zijn van het vaststellen van het aangevochten wijzigingsbesluit en van de verwachte extra stikstofgevoelige natuur voor de betreffende ondernemers, agrarische bedrijven en omwonenden. Er is volgens hen ten onrechte geen aandacht besteed aan de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en aan de regionale en lokale bijzonderheden.
Op gebiedsniveau gaat het om het toevoegen van (o.m. stikstofgevoelige) habitattypen en soorten, hetgeen gevolgen kan hebben voor agrarische ondernemers en hun huidige en toekomstige bedrijfsvoering. Eisers vrezen voor verzwaring van de stikstofopgave en voor belemmering van hun bedrijfsvoering. Daarom had de nodige zorgvuldigheid betracht moeten worden bij het inzichtelijk maken van de beweerdelijke grondslag voor het alsnog aanwijzen van habitattypen en soorten. In ieder geval had bij het toevoegen van (o.m. stikstofgevoelige) habitattypen ook rekening gehouden moeten worden met de belangen van eisers. Het besluit is volgens eisers ook in zoverre in strijd met artikel 3:2 in samenhang met 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen.



4.6.
Eisers hebben herhaaldelijk aangekondigd dat zij nog deskundige onderbouwing op gebieds- en individueel niveau zouden indienen. De rechtbank heeft die nadere onderbouwing echter niet ontvangen en stelt vast dat eisers geen gebiedsspecifieke gronden hebben ingediend.

5. Bij de beoordeling van het bestreden besluit stelt de rechtbank voorop dat daarbij, aan de hand van de beroepsgronden, alleen aan de orde komt de vraag of verweerder met dit wijzigingsbesluit van 22 november 2022 habitattypen en soorten en instandhoudingsdoelstellingen kon toevoegen aan bestaande Natura 2000-gebieden. De rechtbank geeft geen oordeel over het systeem van de Habitatrichtlijn en de Wnb, besluiten uit het verleden, mogelijke toekomstige wijzigingen van Natura 2000-gebieden, de (oorzaak van de) stikstofproblematiek of de verdeling van de lasten over de samenleving.


Ter inzage legging van habitattypenkaarten

6. Artikel 3:11 van de Awb schrijft voor dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit ter inzage legt, samen met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp.
Artikel 3:44, tweede lid, van de Awb bepaalt dat gelijktijdig met de bekendmaking van het besluit kennisgegeven wordt van de terinzagelegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste lid.



6.1.
De rechtbank stelt vast dat voor zover het betreft aan de Natura 2000-gebieden toegevoegde habitattypen het wijzigingsbesluit is gebaseerd op de habitattypenkaarten. Daarmee staat ook vast dat de habitattypenkaarten aangemerkt dienen te worden als op het besluit betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp en voor de beslissing al dan niet beroep in te stellen. Voor de beoordeling van het (ontwerp)wijzigingsbesluit was het van belang dat belanghebbenden konden nagaan of een habitattype zich ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate in het voor elke individuele eiser relevante Natura 2000-gebied voorkwam. Dit konden belanghebbenden nagaan met de habitattypenkaarten.



6.2.
Verweerder heeft ervoor gekozen de habitattypenkaarten niet bij het (ontwerp)besluit ter inzage te leggen, maar om in het (ontwerp)besluit te wijzen op de mogelijkheid om deze op te vragen bij het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, omdat verweerder niet zelf de bronhouder van die kaarten is.



6.3.
Daarmee heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:11 en artikel 3:44, tweede lid, van de Awb. De habitatkaarten hadden ter inzage gelegd moeten worden bij het (ontwerp)besluit en daarom kleeft er aan het bestreden besluit een gebrek in de voorbereiding ervan. In dit geval zal de rechtbank het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden niet zijn benadeeld door het gebrek. Eisers konden immers, zij het door het opvragen van de kaarten, toegang krijgen tot de kaarten en hebben inmiddels ook toegang gekregen, nu die begin 2023 alsnog op een openbare website zijn gezet. Zij hebben ook niet gesteld dat zij eerder of anderszins zijn benadeeld door de werkwijze van verweerder op grond waarvan zij in de gelegenheid waren de benodigde stukken op te vragen.



6.4.
Het gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit leidt daarom niet tot gegrondverklaring van het beroep, maar wel tot vergoeding van griffierecht en tot een proceskostenveroordeling.


Zienswijzeprocedure

7. Verweerder heeft in 2017 -toen duidelijk was welke habitattypen en soorten toegevoegd en verwijderd moesten worden- de wijzigingen via het Standaardgegevensformulier bij de Europese Commissie gemeld. In het verweerschrift heeft de staatssecretaris toegelicht dat het aanmelden van habitattypen en soorten en het actueel houden van de gegevens een verplichting is, die volgt uit het Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie van 11 juli 2011 betreffende een gebiedsinformatieformulier voor Natura 2000-gebieden (2011/484/EU). Dat geen inspraak is geboden voordat de wijzigingen met het Standaardgegevensformulier bij de Europese Commissie zijn doorgegeven, geeft de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de procedure onzorgvuldig is verlopen. Het doorgeven van gegevens via dit formulier heeft geen rechtsgevolg. Het is ook niet zo dat voor de nieuw toe te voegen habitattypen en soorten op dat moment al een beschermingsregime is gaan gelden. Daarvoor is besluitvorming nodig in welk kader verweerder ter voorbereiding daarop in overeenstemming met artikel 3:11 van de Awb het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegd en belanghebbenden de mogelijkheid heeft gegeven om een zienswijze naar voren te brengen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gelegenheid tot inspraak geboden, en is ook aan het vereiste van inspraakverplichtingen die voortvloeien uit het verdrag van Aarhus voldaan. De rechtbank oordeelt dat de inspraak ook als doeltreffend is aan te merken, omdat de minister met het ontwerpbesluit mag afwijken van de gegevens zoals gemeld bij de Europese Commissie (en dan verplicht is die wijzigingen ook door te geven). Uit het wijzigingsbesluit blijkt overigens dat dat in een aantal gevallen ook is gebeurd. De mogelijkheid tot inspraak en de rechtsbescherming is naar het oordeel van de rechtbank adequaat. De hierop gerichte beroepsgrond slaagt niet.



7.1.
Voor zover eisers hebben aangevoerd dat in het kader van de registratie bij de Europese Commissie de benodigde beste beschikbare informatie ontbreekt, kan dat in deze procedure niet aan de orde komen omdat het in deze zaken niet gaat over de (niet appellabele) registratie maar over het wijzigingsbesluit.


Motivering bestreden besluit

8. Zoals hiervoor is overwogen (3.3 en 3.4) was verweerder verplicht om alle in bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft verweerder nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de al aangewezen Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet op die verplichting is er geen ruimte om rekening te houden met de gevolgen van het wijzigingsbesluit voor de agrarische bedrijfsvoering van de onderscheiden eisers en kan dan ook geen sprake zijn van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek in dit opzicht. De hierop gerichte beroepsgrond slaagt niet.



8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de habitattypenkaarten in beginsel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren in het gebied ten tijde van de aanwijzing. De rechtbank verwijst daartoe ook naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2961; onder 6.2.). Het is vervolgens aan eisers om aannemelijk te maken dat deze kaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat verweerder de relevante habitattypekaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken. De rechtbank ziet in de aan de orde zijnde zaken geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de habitattypekaarten die zien op de in deze zaken aan de orde zijnde Natura 2000-gebieden niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Eisers hebben immers geen redenen gegeven waarom de relevante kaarten gebrekkig zouden zijn. Verwijzing naar een in deze zaken niet relevante habitattypekaart (van een Natura 2000-gebied buiten de arrondissementsgrenzen en buiten de invloedssfeer van de bedrijfsactiviteiten van eisers) is daarvoor onvoldoende. De enkele niet onderbouwde stelling dat verweerder ten onrechte een aantal habitattypen en soorten heeft aangewezen die slechts in verwaarloosbare mate voorkomen in een gebied, is evenmin overtuigend. De rechtbank ziet geen grond om de stelling van eisers te volgen dat eerst met deskundigenberichten moet worden vastgesteld dat de bij het aanwijzingsbesluit toegevoegde habitattypen en soorten in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren ten tijde van de aanwijzing. De habitattypenkaarten worden gevalideerd door diegene die de betreffende kaart heeft laten maken en door de interbestuurlijke Projectgroep Habitatkartering. Voordat de kaarten worden vastgesteld, worden ze nogmaals grondig bekeken door ecologen van het ministerie en de provincie samen en zo nodig is nader veldonderzoek gedaan. In wat eisers in algemene zin hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de gehanteerde werkwijze onzorgvuldig is. De beroepsgrond slaagt niet.



8.2.
Aan de toevoeging van soorten aan de aangewezen Natura 2000-gebieden in het wijzigingsbesluit ligt het rapport ‘Het voorkomen van Habitatrichtlijnsoorten in Habitatrichtlijngebieden’ uit 2017 van de Vlinderstichting ten grondslag. In het rapport van de Vlinderstichting wordt uiteengezet dat een quickscan is gemaakt van de waarnemingen met voorlopige conclusies en dat het resultaat per soort is besproken met de soortexperts. Dit rapport dateert van na de aanwijzingsbesluiten (de peildata) en bevat goedgekeurde waarnemingen tussen 1 januari 2000 en 28 februari 2017. Voor de vraag of een soort toegevoegd kan worden is bepalend of op de peildatum een bestendige populatie voorkwam. Dat is met het rapport van de Vlinderstichting aannemelijk gemaakt. Dat sommige waarnemingen hebben plaatsgevonden voor of na de datum van aanwijzing van het betreffende Natura 2000-gebied maakt niet dat de werkwijze niet zorgvuldig is. In het algemeen is over langere tijd gekeken of een soort aanwezig is en daarvoor zijn ook recentere waarnemingen nodig. Met de enkele stelling dat wat betreft soorten in alle gebieden niet zonder meer is aangetoond dat deze reeds aanwezig waren in het betreffende gebied ten tijde van de aanwijzing ervan, is niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van de Vlinderstichting niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag gelegd mocht worden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de aanwezigheid van toegevoegde soorten op de datum van de oorspronkelijke aanwijzingen met het rapport van de Vlinderstichting onvoldoende is komen vast te staan. De beroepsgrond slaagt niet.



8.3.
Hiervoor (in 3.3 en 3.4) is ook al overwogen dat de aanmelding en plaatsing van gebieden op de lijst van gebieden van communautair belang niet alleen zien op de habitattypen en soorten waarvoor dat gebied is geselecteerd, maar betrekking hebben op alle habitattypen en soorten die in het bewuste gebied voorkomen in een meer dan verwaarloosbare oppervlakte of populatie. De rechtbank gaat daarom niet mee in de stelling van eisers dat verweerder hierbij een onjuist uitgangspunt heeft genomen.
Het door eisers aangehaalde Holohan-arrest maakt dit niet anders, omdat dat arrest gaat over passende beoordelingen voor projecten en plannen in of in de buurt van Natura 2000-gebieden en niet over aanwijzings(- of wijzigings)besluiten voor die gebieden. Ook overigens kan uit dat arrest niet worden afgeleid dat alleen de habitattypen en soorten die de primaire aanleiding waren voor de selectie van een gebied, moeten worden beschermd en de rest van de soorten en habitattypen van bijlagen I en II van de Habitatrichtlijn die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen niet. Dat betekent ook dat niet hoeft te worden aangetoond dat de toegevoegde habitattypen (en soorten) aanleiding waren voor selectie van de Natura 2000-gebieden. Ook in zoverre is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een deugdelijke en draagkrachtige motivering van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eisers hebben nog aangevoerd dat niet is onderzocht wat de juridische gevolgen gaan zijn van het vaststellen van het aangevochten wijzigingsbesluit en van de verwachte extra stikstofgevoelige natuur voor de betreffende ondernemers, agrarische bedrijven en omwonenden. De rechtbank overweegt echter dat bij de toevoeging van habitattypen en soorten aan de bestaande Natura 2000-gebieden in het wijzigingsbesluit uitsluitend overwegingen van ecologische aard mogen worden betrokken. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn. In verband hiermee was het, ook volgens de Afdeling in haar uitspraak van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2961; onder 7.1), niet nodig om de gevolgen van de toevoeging van habitattypen en soorten voor de door eisers genoemde belangen te onderzoeken. Daarmee is niet ontkend dat er in de toekomst mogelijk sprake is van rechtsgevolgen, maar dat kan bij het nemen van het bestreden besluit niet aan de orde komen. Verweerder heeft die belangen naar het oordeel van de rechtbank in het kader van het bestreden besluit terecht niet meegewogen bij de toevoeging van habitattypen en soorten aan de betrokken aanwijzingsbesluiten. In zoverre slaagt de grond niet.



9.1.
Uit artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn vloeit voort dat bij het treffen van instandhoudingsmaatregelen wel rekening moet worden gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden. Daarbij is vereist dat wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6 van de Habitatrichtlijn en dat het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding niet wordt bemoeilijkt. Verweerder heeft aangegeven dat andere dan ecologische belangen zijn meegewogen door relatief vaak te kiezen voor het -minimaal noodzakelijke- ambitieniveau ‘behoud’. Dat neemt niet weg dat bij een deel van de instandhoudingsdoelstellingen is gekozen voor het ambitieniveau ‘uitbreiding’ of ‘verbetering’. Met de algemene stelling dat de juridische gevolgen niet zijn onderzocht, is niet aannemelijk gemaakt dat verweerder ten aanzien van deze zaken verweten kan worden een onevenredige afweging van belangen te hebben gemaakt. Ook in zoverre slaagt deze grond niet.



Conclusie

10. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de beroepsgronden niet slagen, dan wel gepasseerd worden. De rechtbank zal daarom de beroepen ongegrond verklaren.



10.1.
De rechtbank ziet in het geconstateerde gebrek in de voorbereiding van het besluit wel aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen per zaak betaalde griffierecht vergoedt.



10.2.
Op diezelfde grond veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de vier samenhangende zaken vast op € 1.401,- (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1, vermenigvuldigd met een factor 1,5 vanwege het aantal samenhangende zaken).





Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden:
- voor de zaken 23/127, 23/133 en 23/135 € 365,- per zaak;
- voor de zaak 23/134 €184,-;
- veroordeelt verweerder in de gezamenlijke proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.041,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van J.N. Buddeke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.






griffier rechter




Afschrift verzonden aan partijen op: 18 februari 2026




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Link naar deze uitspraak