Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:2345 
 
Datum uitspraak:04-03-2026
Datum gepubliceerd:10-03-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:HAA 24/5493
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Last onder dwangsom wegens zonder vereiste omgevingsvergunning gedeeltelijk in gebruik hebben van schuur als kantoor. Advies Agrarische beoordelingscommissie. Geen (volwaardig) agrarisch bedrijf. Beginselplicht tot handhaving. Gelijkheidsbeginsel. Evenredigheidsbeginsel. Ongegrond.
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
bestemmingsplan
gewassen
glastuinbouw
glastuinbouwbedrijf
intensieve veehouderij
kwekerij
landbouw
omgevingsvergunning
perceel
veehouderij
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/5493


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen




[eiseres] B.V., uit Alkmaar, eiseres
(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar

(gemachtigde: M. Blom).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die is opgelegd aan eiseres voor het zonder de vereiste omgevingsvergunning gedeeltelijk in gebruik hebben van de schuur [adres 1] als kantoor. Eiseres is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom mocht opleggen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.


Het procesverloop


2. Het college heeft bij besluit van 27 juni 2023 aan eiseres als eigenaar van het perceel een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 8 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.

2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] vergezeld door zijn vrouw namens eiseres en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 2] . De gemachtigde van eiseres was verhinderd en heeft dit per e-mail aan de rechtbank laten weten, ook verzoekt hij om aanhouding van de zitting. Namens eiseres is ter zitting expliciet aangegeven dat zij geen aanhouding wenst en dat zij de zitting door wil laten gaan, zodat zij op korte termijn meer duidelijkheid krijgt.


Beoordeling door de rechtbank



De totstandkoming van het bestreden besluit


3.1. Eiseres is de eigenaar van het perceel [adres 1] op perceelnummer [nummer] te Stompetoren (hierna: het perceel). Op het perceel staat een grote schuur die in gebruik is als kantoor en wordt verhuurd aan [bedrijf] B.V.. Het pand is 270 m2 groot, waarvan 54 m2 gebruikt wordt als kantoor.

3.2. Op 13 februari 2023 is naar aanleiding van een tweetal meldingen een bezoek gebracht aan het perceel door toezichthouders. De bevindingen zijn vastgelegd in een ‘Rapport van bevindingen’. In dit rapport staat dat op de gronden onder meer een grote schuur aanwezig is. De gronden rondom deze schuur worden gebruikt als tuin ten behoeve van de woning op de [adres 2] . De grote schuur wordt gebruikt als zijnde kantoor en is deels ook zo ingericht. De kleine schuur wordt gebruikt voor opslag van persoonlijke spullen van de eigenaar. Hier is onder meer een elektrische fiets gestald.

3.3. Het college heeft geconstateerd dat eiseres de grote schuur op het perceel niet gebruikt ten behoeve van de agrarische bestemming. Omdat dit op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan, heeft het college op 29 maart 2023 een vooraanschrijving dwangsom aan eiseres gestuurd waarin het college het voornemen aankondigt om een last onder dwangsom aan eiseres op te leggen. Naar aanleiding van deze vooraanschrijving heeft eiseres gebruik gemaakt van de mogelijkheid een zienswijze in te dienen.

3.4. Volgens eiseres is geen sprake van een overtreding. Eiseres heeft het pand verhuurd aan [bedrijf] B.V., zij huren het ter voorbereiding op de exploitatie van de grond. Door dwarsliggen van de gemeente staan hier nog geen planten. De stelling van het college dat het kantoor niet gebruikt wordt voor de agrarische bestemming is volstrekt onjuist. Bovendien is in 1992 het pand vergund gebouwd in overeenstemming met het toen geldende bestemmingsplan. Het pand is gebouwd ten dienste van een volwaardig agrarisch bedrijf.

3.5. Met het primaire besluit van 27 juni 2023 heeft het college een last onder dwangsom aan eiseres opgelegd. De zienswijze van eiseres heeft geen aanleiding gegeven om van handhaving af te zien. Volgens deze last dient eiseres vóór 1 september 2023 het gebruik van de grote schuur als kantoor op het perceel te staken en gestaakt te houden. Daarbij moet eiseres alle kantoorfaciliteiten uit de schuur verwijderen en verwijderd houden op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- euro ineens.

3.6. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. Er heeft op 30 oktober 2023 een hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie plaatsgevonden. Deze commissie heeft het college aangeraden het bezwaar ongegrond te verklaren.





Het bestreden besluit

3.7. Met het bestreden besluit van 8 juli 2024 heeft het college – onder aanvulling van de motivering – de last onder dwangsom in stand gelaten. Het perceel waarop de grote schuur staat heeft volgens het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2014 de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarde – cultuurhistorie’.
Binnen deze bestemming is onder andere een agrarisch grondgebonden bedrijf, niet zijnde bollenteelt of glastuinbouw toegestaan (Artikel 4.1 planregels). Hier is geen sprake van.
Als aan de bestemming uit artikel 4.1 wordt voldaan, gelden de bouwregels uit artikel 4.2 van de planregels, er mag uitsluitend gebouw worden ten dienste van een volwaardig agrarisch bedrijf.
Door het college is advies aan de Agrarische beoordelingscommissie gevraagd (hierna: Abc). De Abc komt tot de conclusie dat het bedrijf [bedrijf] B.V. (die het perceel huurt) niet aan te merken is als een volwaardig agrarisch bedrijf en niet voldoet aan het bestemmingsplan. Het bedrijf is een kwekerij in opstart, gericht op een duurder assortiment van planten in grotere pot- en containermaten. De teelt van planten in potten is niet grondgebonden, aangezien de grond niet als productiemiddel dient. Daarnaast wordt uiteengezet waarom niet kan worden voldaan aan het vereiste van volwaardigheid. Voor het gebouw is in 1992 een vergunning verleend voor de verbouw van de schuur als kantine voor de kinderboerderij. Dat gebruik is al jaren gestaakt, er is nu alleen nog gebruik conform de bestemming mogelijk. Nu het kantoor niet gebruikt wordt ten behoeve van de agrarische bestemming is volgens het college het gebruik als kantoor in strijd met artikel 2.1, eerste lid aanhef, sub c, Wabo. Er is sprake van overtreding en er geldt een beginselplicht tot handhaving. Het college is niet bereid om mee te werken aan legalisatie en dus bestaat er geen concreet zicht op legalisatie. Er zijn ook geen andere bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien. Ook is volgens het college niet gebleken van feiten en omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat handhavend optreden in deze kwestie onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.


Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Als het bestuursorgaan vóór 1 januari 2024 artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft toegepast in voorbereiding op een handhavingsbesluit, dan blijft het oude recht van toepassing. Ook als het besluit na die datum is genomen. Dit volgt uit artikel 4.5 en 4.23 Iw Ow. Het college heeft op 29 maart 2023 het voornemen bekend gemaakt om handhavend op te treden waartegen eiseres een zienswijze mocht indienen.

4.1. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.


Juridisch kader

5. Voor de toepasselijke bepalingen wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak. De tekst van de hierna te noemen bepalingen is in de bijlage te vinden.






Bespreken van de beroepsgronden



Is sprake van een overtreding?


De schuur


6.1.
Eiseres voert aan dat sinds 1953 het bestemmingsplan Uitbreidingsplan (hierna: UP) in hoofdzaak gemeente Alkmaar van toepassing is. De grond is bestemd voor agrarische doeleinden en daarbij behorende niet voor bewoning dienende agrarische bedrijfsgebouwen, niet hoger dan begane grond en kap. In 1992 is de plaats waar het huidige gebouw staat vergund en gebouwd conform het geldende bestemmingsplan binnen het bouwvlak.
Na 1953 is het bestemmingsplan in 2003 opnieuw vastgesteld en nadien nog een keer in 2014, maar de agrarische bestemming is nooit gewijzigd.



6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De last onder dwangsom die is opgelegd ziet niet op het gebouw zelf, maar op het gebruiken van de schuur als kantoor. Door het college wordt niet gehandhaafd wegens strijd met de bouwregels. Het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2014 is op 30 september 2014 in werking getreden en bepaalt het toegestane gebruik. Of het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan wordt hieronder in de volgende beroepsgrond besproken.


Gebruik van het pand


7.1.1.
Eiseres voert aan dat aangezien het pand vergund gebouwd is onder het oude bestemmingsplan, het college het pand niet heeft wegbestemd en de functie niet is gewijzigd, het pand dezelfde functie heeft. Het pand is vergund als kantine. Het gebruiksdoel volgens de wet basisregistratie adressen en gebouwen (Bag) is daarom tenminste een bijeenkomstfunctie of een logiesfunctie als het college van mening is dat een kantoorfunctie niet hoort bij een bedrijf. Eiseres voert aan dat het pand nooit enkel in gebruik is geweest als schuur. De voorzieningen van het pand zijn sinds de bouw aanwezig, het pand heeft eigen ontsluiting/nutsvoorzieningen/huisnummer en eigen keuken/toilet. Het is absurd dat het gebouw in strijd is met de regels van het bestemmingsplan en dat er alleen een kantoor mogelijk is bij een volwaardig agrarisch bedrijf.



7.1.2.
Eiseres voert voorts aan dat het pand is verhuurd aan [bedrijf] B.V. ter voorbereiding op exploitatie van de grond. Doordat het college vindt dat het perceel te dicht achter de lintbebouwing ligt en te dicht op een bestaand agrarisch bedrijf, is de kans klein dat medewerking wordt verleend aan het vestigen van een volwaardig agrarisch bedrijf. Door het college wordt het standpunt ingenomen dat het kantoor niet ten behoeve van een agrarisch bedrijf wordt gebruikt, maar het college kent de inhoud van het bedrijf niet. Het college wil alleen voorkomen dat er een bedrijf op het perceel gevestigd wordt met een kantoor in de schuur. Er is sprake van een cirkelredenering; [bedrijf] B.V. mag er niet komen en vervolgens verwijt het college eiseres dat zij het kantoor niet ten behoeve van de agrarische bestemming gebruikt; dat maakt het onmogelijk om te kunnen voldoen aan de regels uit het bestemmingsplan.




7.2.
De rechtbank overweegt dat in artikel 4.1 van het bestemmingsplan is bepaald wat is toegestaan op deze gronden.
Beantwoording van de vraag of het aanwezige gebouw ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom als bedrijfsgebouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf kon worden gebruikt is niet aan de orde, omdat vast staat dat er op dat moment geen agrarisch bedrijf op de betreffende locatie aanwezig was. Alleen daarom al kon het pand niet gebruikt worden voor een agrarisch bedrijf. Voor het opleggen van de last onder dwangsom was de vaststelling dat er op het moment van de controle feitelijk geen agrarisch bedrijf aanwezig was, voldoende. In zoverre heeft het college terecht geconstateerd dat sprake was van een overtreding. Voor de volledigheid heeft het college daarnaast aan de Abc gevraagd advies uit te brengen over de vraag of het te verwachten was dat er een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden gerealiseerd. In geschil is of sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf in de zin van artikel 1.96. De vraag die naar aanleiding daarvan beantwoordt moet worden is of het college het advies van de Abc ten grondslag heeft kunnen leggen aan dat deel van het besluit waarin gesteld wordt dat dit niet het geval is.


Advies Abc onjuist en commissie niet objectief/onpartijdig



8.1.
Eiseres voert aan dat het rapport van de Abc niet juist is. Eiseres heeft betoogt dat het perceel volgens de bestemming zal worden gebruikt door [bedrijf] B.V. en wordt voldaan aan de voorwaarde ‘waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat het bedrijf zal uitgroeien tot de vereiste minimale omvang’. Er wordt gesteld dat geen sprake is van jaarrond arbeid, dit is onjuist. De planten worden het hele jaar door verkocht en ook de verzorging is gedurende het heel jaar noodzakelijk; er is sprake van volwaardigheid. Ook de stelling dat uitbreiding niet mogelijk is, is onjuist; de achterliggende gronden zijn te koop en er is contact met de eigenaar van de grond over verkoop. Deze gronden hebben reeds de agrarische bestemming. Abc kan niet als onafhankelijk en deskundig worden beschouwd; ze worden betaald door de gemeente en de vraagstelling is door het college geformuleerd. De commissieleden zijn al geruime tijd niet meer werkzaam in de branche; eiseres betwijfelt de objectiviteit en deskundigheid en vreest dat er sprake is van wrok van een oud-collega in deze branche. Bovendien zijn de mensen van Abc geen juristen en laten zij zich wel uit over een bestemmingsplan. Hier komt nog bij dat de toetsing van de Abc niet relevant is omdat de gronden al bestemd zijn voor agrarische doeleinden en de panden reeds zijn vergund.



8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college het advies van de Abc aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. De Abc wordt in de jurisprudentie als deskundig adviseur op het gebied van landbouw beschouwd. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat die partij over het advies heeft aangevoerd. De Abc heeft haar oordeel gebaseerd op gegevens die afkomstig zijn van eiseres. Nu de Abc als deskundige moet worden gezien wat de beoordeling van agrarische activiteiten betreft en zij vanuit die deskundigheid de gegevens heeft beoordeeld en eis geen aanleiding aan de juistheid daarvan te twijfelen. Eiseres betwist de deskundigheid van Abc, maar motiveert vervolgens niet waarom Abc niet deskundig zou zij. Zij heeft ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de juistheid van het advies. De conclusie is dan ook dat er geen concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid van het advies van Abc. Het college mocht het advies dan ook aan zijn besluit ten grondslag leggen.
De beroepsgrond slaagt niet.




Beginselplicht tot handhaving
9. Zoals hierboven vastgesteld is sprake van een overtreding. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt.


9.1.
Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden evenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.



9.2.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.




Een bijzonder geval: concreet zicht op legalisering?

10.1.
Eiseres voert aan dat al legaal gebruik wordt gemaakt van het pand. Naar aanleiding van brieven van het college dat een agrarisch bedrijf op deze plek niet wenselijk is, is een aanvraag gedaan voor een andere bestemming; die is afgewezen. Het college weigert in gesprek te gaan over wat wel wenselijk is. Door het college is een toelichting geschreven op het bestemmingsplan, in hoofdstuk 4 agrarische sector paragraaf 4.8 blijkt welke bedrijven zijn toegestaan. Onder meer bedrijven tot maximaal categorie 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB) zijn toegestaan, hieronder vallen verscheidene kantoorfuncties die zelfs binnen categorie 1 vallen. De grond komt in aanmerking voor de vrijkomende agrarische bebouwing (vAB) regeling.



10.2.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling voor concreet zicht op legalisatie ten minste is vereist dat een aanvraag om een dergelijke omgevingsvergunning is ingediend. Dat is hier niet gebeurd. Bovendien volstaat in beginsel ook het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid. Het college heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van hun bevoegdheid. Ook daarom is van concreet zicht op legalisatie geen sprake, het college had om die reden niet van handhavend optreden af hoeven zien.




Andere omstandigheden die maken dat sprake is van een bijzonder geval?


Gelijkheidsbeginsel


11.1.
Eiseres voert aan dat het college een perceel op 300 meter afstand, [perceel 1] , een vergunning heeft verleend voor drie schuurwoningen in de tweede lijn. Op [perceel 2] zijn reeds acht woningen gebouwd in de tweede lijn. Het is onduidelijk waarom aan eiseres hier geen vergunning kan worden verleend. Volgens het college is het niet wenselijk om een agrarisch bedrijf te vestigen omdat dit belemmerend zou zijn voor het andere agrarisch bedrijf, dit bedrijf is al niet meer actief. De belemmering ten aanzien van lintbebouwing gaat ook niet op omdat de gronden altijd al als zodanig bestemd waren.



11.2.
De rechtbank kan het college volgen in hun stelling dat geen sprake is van gelijke gevallen reeds omdat daar via een apart bestemmingsplan bebouwing met een woonfunctie mogelijk is gemaakt, er is geen sprake van hetzelfde gebruik. De beroepsgrond slaagt niet.


Opzet



12.1.
Eiseres voert aan dat het college expres zaken achterwege heeft gelaten om de tegenstrijdigheid van haar besluit t maskeren. Ook lijkt het om een persoonlijke inquisitie te gaan waarbij de afgelopen jaren procedure op procedure wordt veroorzaakt door het college. Het college weigert iedere uitnodiging om een gesprek aan te gaan.



12.2.
Het college herkent zich niet in hetgeen hiervoor is weergegeven. Het college heeft toegelicht dat deze handhavingsprocedure het gevolg is van een verzoek om handhaving. Er bleek vervolgens sprake van een overtreding waartegen handhavend moest worden opgetreden. Er is geen sprake van concreet zicht op legalisatie en geen situatie waarbij handhavend optreden onevenredig is met het te dienen doel: handhaving van de goede ruimtelijke ordening ter plaatse.


Evenredigheidsbeginsel

13. De rechtbank kan het college volgen in hun standpunt dat het belang van handhaving van het bestemmingplan en het behoud van een goede ruimtelijke ordening in dit geval groter is dan het belang van eiseres bij het kunnen gebruiken van de schuur als kantoor.




Overig

14.1.
Eiseres verzoekt in haar beroepschrift tot slot om een verklaring voor recht dat bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak staan en om te erkennen dat eiseres de gronden voor agrarische doeleinden kan gebruiken en de bedrijfsgebouwen als volwaardig agrarisch bedrijf in gebruik kan nemen en houden.


14.2.
Het gaat in deze zaak om de door het college opgelegde last onder dwangsom. De verzoeken die eiseres doet zijn niet relevant voor de onderhavige beoordeling en vallen daarom buiten deze procedure. De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijke bespreking van dit punt.


Conclusie en gevolgen


15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.














Wet- en regelgeving (voor zover relevant)


Wabo



Artikel 2.1

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,



Bestemmingsplan Landelijk Gebied 2014, bestemming Agrarisch met Waarde – Cultuurhistorie.


Artikel 1.8 Agrarisch bedrijf

Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten (met uitzondering van houtteelt en fruitbomen) door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, mits de exploitatie grotendeels gebonden is aan de ter plaatse of in de nabijheid aanwezige gronden als productiemiddel.


1.96

Volwaardig agrarisch bedrijf

Een duurzaam agrarisch bedrijf met de omvang van ten minste één volledige arbeidskracht die binding heeft met het agrarische bedrijf, met een daarbij passende bedrijfsomvang, ofwel waarvan redelijkerwijs verwacht mag worden dat het bedrijf zal uitgroeien tot de vereiste minimale omvang.


Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
De voor 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. een agrarisch grondgebonden bedrijf, niet zijnde bollenteelt of glastuinbouw;
b. agrarische bedrijfswoningen;
c. grasland of weiland al dan niet in gebruik voor hobbymatige beweiding door dieren;
d. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen –plattelandswoning’: een (al dan niet tweede) bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf die tevens als plattelandswoning gebruikt mag worden, met bijbehorende erven, tuinen en bouwwerken;
e. in afwijking van het bepaalde onder a: ter plaatse van de aanduiding glastuinbouw tevens een glastuinbouwbedrijf;
f. bestaande paardenbakken en paddocks;
g. bestaande intensieve veehouderij;
h. ter plaatse van de aanduiding ‘kampeerboerderij’ is tevens een kleinschalig kampeerterrein toegestaan als nevenactiviteit onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 4.5.1 onder i en j;
met daaraan ondergeschikt:
i. het behoud en/ of herstel dan wel ontwikkeling van de in het bestemmingsgebied voorkomende dan weI eigen cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
j. het behoud van de cultuurhistorische verkaveling voor zover het de hoofdstructuur van de waterlopen betreft;
k. het behoud van de openheid van het landschap;
l. extensief dagrecreatief medegebruik;
met de daarbij behorende:
m. voorzieningen zoals (ontsluitings-) wegen, agrarische kavelpaden, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging.



4.2

Bouwregels

Op de in lid 4.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van een volwaardig agrarisch bedrijf (…)





Artikel 1.96 van de planregels.


artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo.


ECLI:NL:RVS:2021:2824.


ECLI:NL:RVS:2025:678.


ECLI:NL:RVS:2022:285.


ECLI:NL:RVS:2024:3748.


ECLI:NL:RVS:2025:3892.
Link naar deze uitspraak