Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:98 
 
Datum uitspraak:10-03-2026
Datum gepubliceerd:10-03-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:23/189 24/810 en 25/692
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Areaalbijdragen en keuringsbijdragen voor 2022, 2023 en 2025 voor boomkwekerij.
Trefwoorden:kwekerij
tuinbouw
Wetreferenties:Zaaizaad- en Plantgoedwet
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 23/189, 24/810 en 25/692

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] ( [naam 2] )
(gemachtigde: [naam 2] )

en

de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw)
(gemachtigden: mr R.G.J. Broenink en mr. M. van der Ven)




Procesverloop


Zaak 23/189


Met het besluit van 20 december 2022 heeft Naktuinbouw aan [naam 2] een factuur gestuurd voor een keuringsbijdrage voor het seizoen 2022 van € 5.663,53. Met het besluit van 23 december 2022 heeft Naktuinbouw voor de areaalbijdrage voor het seizoen 2022 een factuur van € 9.287,96 gestuurd. Bij besluit van 28 december 2022 heeft Naktuinbouw het bezwaar van [naam 2] tegen deze besluiten ongegrond verklaard. [naam 2] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.


Zaak 24/810


Met het besluit van 13 december 2023 heeft Naktuinbouw aan [naam 2] een factuur gestuurd voor een keuringsbijdrage voor het seizoen 2023 van € 4.965,84. Met het besluit van 18 december 2023 heeft Naktuinbouw voor de areaalbijdrage voor het seizoen 2023 een factuur van € 9.017,65 gestuurd. [naam 2] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Bij besluit van 9 december 2024 heeft Naktuinbouw het bezwaar van [naam 2] tegen deze besluiten ongegrond verklaard. [naam 2] heeft naar aanleiding van dit besluit een schriftelijke uiteenzetting gegeven.


Zaak 25/692


Met het besluit van 13 augustus 2025 heeft Naktuinbouw aan [naam 2] een factuur gestuurd voor een keuringsbijdrage voor het seizoen 2025 van € 5.209,90. Bij besluit van 8 augustus 2025 heeft Naktuinbouw het bezwaar van [naam 2] ongegrond verklaard. [naam 2] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.


Alle zaken


Naktuinbouw heeft verweerschriften ingediend en nadere stukken ingezonden.

De zitting was op 27 januari 2026. De zaken zijn op de zitting gevoegd behandeld met de zaak 23/1394. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Na de zitting zijn de zaken 23/189, 24/810 en 25/692 van de zaak 23/1394 gesplitst.



Overwegingen


Waar gaat deze zaak over



1.1

[naam 2] heeft een boomkwekerij. Naktuinbouw heft jaarlijks bijdragen voor de werkzaamheden in verband met de registratie van de boomkwekerij van [naam 2] en de verrichte administratieve controles en veldkeuringen. [naam 2] is het niet eens met deze heffingen. In de zaken die hier aan de orde zijn, gaat het om de heffingen van areaalbijdragen over de seizoenen 2022 en 2023 en de heffingen van keuringsbijdragen voor de door Naktuinbouw verrichte administratieve controles en veldkeuringen in de seizoenen 2022, 2023 en 2025. Bij de veldkeuringen voeren de keurmeesters in één inspectiegang keuringen uit op zowel kwaliteit als plantgezondheid. De hoogte van de areaalbijdrage wordt berekend op basis van een tarief per vierkante meter en voor de administratieve controles en veldkeuringen geldt een uurtarief.



1.2
Het College heeft in eerdere uitspraken beslist op beroepen over areaalbijdragen en keuringsbijdragen die bij [naam 2] in rekening zijn gebracht. De uitspraken van 24 april 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:159) en van 4 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:62) hebben betrekking op de areaalbijdrage over het jaar 2015. De uitspraak van 23 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:562) heeft betrekking op areaalbijdragen over de jaren 2018 tot en met 2021 en de keuringsbijdrage over de jaren 2020 en 2021.


Standpunt [naam 2]




2.1

[naam 2] stelt dat zij is gedwongen om materiaal dat geen teeltmateriaal is op te geven, waarna Naktuinbouw dit materiaal als teeltmateriaal heeft aangemerkt. Het keuren van eindproducten alsof het teeltmateriaal is, is onrechtmatig omdat daarvoor de wettelijke grondslag ontbreekt. Het is onzinnig om materiaal dat via een hovenier aan consumenten wordt afgezet, te zien als teeltmateriaal. Bovendien is de bewijsvoering van de bestemming van planten met artikel 69 van Verordening 2016/2031 heel eenvoudig geworden, gezien de verplichte traceerbaarheid van planten. Inkoop, verkoop en teelt moeten altijd inzichtelijk en traceerbaar zijn. Naktuinbouw heeft als bevoegde instantie altijd inzicht in deze gegevens, niet alleen bij [naam 2] , maar bij alle kwekers in Nederland. Een eindproduct dat als teeltmateriaal wordt gebruikt, zal daarom altijd door Naktuinbouw gezien (kunnen) worden. De producten van [naam 2] kunnen wel twintig jaar op de kwekerij verblijven, maar met de traceerbaarheidsverplichting kan het materiaal gevolgd worden tot het moment van verkoop. Zou het naar een hovenier gaan, dan is bij de hovenier na te gaan bij welke eindgebruiker het eindproduct is geplant.



2.2
Het College heeft volgens [naam 2] eerder alleen uitspraak gedaan over de berekening van de areaalbijdrage over het jaar 2015. De uitspraken van het College van 4 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:62) en van 23 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:562) hebben geen betrekking op keuringsbijdragen.



2.3
De fytosanitaire keuringen zijn onnodig, omdat [naam 2] deze zelf uitvoert. Fytosanitaire inspecties worden door de marktdeelnemers uitgevoerd onder toezicht van Naktuinbouw. Alleen als daartoe de noodzaak zou bestaan, zou Naktuinbouw een fytosanitaire keuring uitvoeren.


Standpunt Naktuinbouw


3 [naam 2] heeft niet aangetoond dat de materialen op haar percelen, of een deel ervan, eindproducten zijn. [naam 2] lijkt zelfs te stellen dat zij niet meer zelf hoeft aan te tonen welk plantmateriaal al dan niet door tussenkomst van een derde rechtstreeks aan een eindgebruiker is of wordt geleverd, maar dat Naktuinbouw dat zelf zou kunnen vanwege de verplichte traceerbaarheid van planten. Die stellingname is niet juist en bovendien praktisch ondoenlijk. De areaalbijdragen en keuringsbijdragen zijn terecht bij [naam 2] in rekening gebracht.


Wettelijk kader


4 [naam 2] wijst in zijn betoog op artikel 69 van Verordening 2016/2031. Dit artikel is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.


Beoordeling College




5.1
In de uitspraak van 23 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:562) heeft het College (onder 4 tot en met 7) geoordeeld dat de Zaaizaad- en plantgoedwet een wettelijke basis biedt voor de areaalbijdrage en de keuringsbijdrage. Met de keuringsbijdrage brengt Naktuinbouw kosten in rekening voor veldkeuringen waarbij in één inspectiegang zowel op kwaliteit als fytosanitair (plantgezondheid) wordt gekeurd. Op de zitting heeft Naktuinbouw de stelling van [naam 2] , dat de fytosanitaire keuring door het bedrijf zelf wordt uitgevoerd, onder toezicht van Naktuinbouw, bevestigd. Naktuinbouw heeft toegelicht dat de keurmeester bij de geïntegreerde veldkeuringen kwaliteitsaspecten keurt en ambtshalve monsters neemt voor plantenziektes. Dat er geen noodzaak was voor Naktuinbouw om deze monsters te nemen, heeft [naam 2] niet betoogd.



5.2
Anders dan [naam 2] betoogt, hebben de uitspraken van het College van 4 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:62) en 23 augustus 2022 niet alleen betekenis voor de areaalbijdrage over 2015. De uitspraken gaan over de wijze waarop Naktuinbouw mag bepalen wanneer materiaal kan worden aangemerkt als teeltmateriaal en wanneer als eindmateriaal. In dat verband heeft het College in zijn uitspraak van 23 augustus 2022 verwezen naar de uitspraak van 4 februari 2020, waarin onder 8.3 is overwogen:

“Naktuinbouw mag voor de berekening van de hoogte van de bijdrage uitgaan van de oppervlakte zoals die door de betrokken boomkweker is opgegeven. Als de boomkweker zijn opgave niet heeft gespecificeerd, mag Naktuinbouw ervan uitgaan dat het volledige oppervlakte teeltmateriaal is. Als er percelen of delen van percelen zijn waarop geen teeltmateriaal staat, zal de boomkweker dat bij zijn jaarlijkse opgave moeten kunnen aantonen. De bestemming of het feitelijk gebruik van het materiaal kan bijvoorbeeld blijken uit facturen waarop staat aan wie het materiaal is verkocht. Daarbij ligt het in de rede dat Naktuinbouw het voor de boomkweker mogelijk maakt om voorafgaande aan de keuring al door te kunnen geven om welk materiaal het gaat en om welke percelen of perceelsgedeelten. Materiaal dat is of wordt verkocht aan een eindgebruiker, zoals een particulier, evenementenbedrijf of gemeente, is in beginsel niet aan te merken als teeltmateriaal. Percelen waarop alleen dit soort materiaal staat mogen niet betrokken worden bij de berekening van de areaalbijdrage. Dat is alleen anders als Naktuinbouw aantoont dat het wel om teelmateriaal gaat. Materiaal dat aan andere kopers is of wordt verkocht is in beginsel aan te merken als teeltmateriaal, behalve als de boomkweker aantoont dat het geen teeltmateriaal is. Voor materiaal dat is of wordt verkocht aan bijvoorbeeld hoveniers, handelaren en groenvoorzieners/architecten geldt dat dat in beginsel teeltmateriaal is, tenzij de boomkweker heeft aangetoond dat het materiaal rechtstreeks is afgeleverd bij een eindgebruiker. Daarbij acht het College het denkbaar dat Naktuinbouw aan de hand van de aangeleverde facturen steekproefsgewijs het oppervlak van het areaal kan bepalen waarover geen tarief verschuldigd is. Het uitgangspunt is dus dat in de gevallen dat het materiaal niet rechtstreeks van de boomkwekerij bij de eindgebruiker terechtkomt er sprake is van teeltmateriaal, en dat er geen sprake is van teeltmateriaal in de gevallen dat de boomkweker aantoont dat, al dan niet door tussenkomst van een derde, rechtstreeks geleverd wordt aan een eindgebruiker.”

Het gaat hierbij om de wijze waarop in het algemeen vastgesteld kan worden of iets al dan niet teeltmateriaal is en daarbij maakt het dus niet uit of het betrekking heeft op de areaalbijdrage of de keuringsbijdrage. Het College begrijpt dat het voor [naam 2] niet eenvoudig is om (jaren) voorafgaand aan een levering van materiaal aan hoveniers en groenvoorzieners aan te tonen dat deze hoveniers en groenvoorzieners het materiaal rechtstreeks zullen afleveren aan een eindgebruiker, en dat het dus geen teeltmateriaal is. Maar dat levert geen overtuigend argument op om anders te oordelen dan het College in de uitspraken van 4 februari 2020 en 23 augustus 2022 heeft gedaan. Zo overwoog het College al in de uitspraak van 23 augustus 2022, onder 13:

“(…) Het standpunt van appellante dat het voor haar heel moeilijk is om aan te tonen dat planten op haar kwekerij rechtstreeks aan eindgebruikers worden geleverd, omdat de planten soms wel 20 jaar opgekweekt worden voordat ze de kwekerij verlaten en het in die periode vaak nog niet duidelijk is aan wie de planten worden verkocht, maakt dit niet anders. Het is immers aan appellante om aan te tonen dat er sprake is van eindmateriaal en problemen met het leveren van bewijs ligt in haar risicosfeer. Daarbij merkt het College op dat verweerster zich ten opzichte van appellante tot nog toe steeds welwillend heeft opgesteld wat betreft de manier waarop appellante bewijsstukken kon inbrengen.”

Hetzelfde geldt voor de stelling van [naam 2] dat de bewijsvoering eenvoudig wordt met de verplichte traceerbaarheid van planten. Zelfs als het klopt dat Naktuinbouw op grond van artikel 69 van Verordening 2016/2031 planten op een eenvoudige manier kan traceren via registers van professionele marktdeelnemers, hetgeen Naktuinbouw betwist, dan nog blijft het College van oordeel dat het aan [naam 2] , als boomkweker, is om aan te tonen dat het materiaal rechtstreeks is afgeleverd bij een eindgebruiker.



5.3
Uit het voorgaande volgt dat het College geen aanleiding ziet om te oordelen dat Naktuinbouw de heffingen voor areaalbijdragen en keuringsbijdragen ten onrechte bij [naam 2] in rekening heeft gebracht. De beroepsgronden slagen niet.


Slotsom


6 Het beroep is ongegrond.

7 Naktuinbouw hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.







w.g. J.H. de Wildt w.g. C.D.V. Efstratiades




Bijlage


Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016, betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten


Artikel 69
Traceerbaarheid
1. Een professionele marktdeelnemer aan wie planten, plantaardige producten of andere materialen worden geleverd waarvoor krachtens artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met d), artikel 28, leden 2 en 3, artikel 30, leden 1, 3 en 4, artikel 37, lid 2, artikel 41, leden 2 en 3, artikel 46, leden 1 en 3, artikel 48, leden 1 en 2, artikel 49, lid 1, artikel 54, leden 2 en 3, de artikelen 56, 57 en 58 en artikel 79, lid 1, voorschriften of voorwaarden gelden, houdt een register bij aan de hand waarvan hij voor elke geleverde handelseenheid planten, plantaardige producten of andere materialen kan nagaan welke professionele marktdeelnemers deze aan hem hebben geleverd.
2. Een professionele marktdeelnemer die planten, plantaardige producten of andere materialen levert waarvoor krachtens artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met d), artikel 28, leden 2 en 3, artikel 30, leden 1, 3 en 4, artikel 37, lid 2, artikel 41, leden 2 en 3, artikel 46, leden 1 en 3, artikel 47, lid 1, artikel 48, leden 1 en 2, artikel 49, lid 1, artikel 54, leden 2 en 3, de artikelen 56, 57 en 58 en artikel 79, lid 1, voorschriften of voorwaarden gelden, houdt een register bij aan de hand waarvan hij voor elke geleverde handelseenheid planten, plantaardige producten of andere materialen kan nagaan aan welke professionele marktdeelnemers hij deze heeft geleverd.
3. Indien krachtens artikel 84, lid 1, door een erkende marktdeelnemer een plantenpaspoort wordt afgegeven, en indien krachtens artikel 84, lid 2, door de bevoegde autoriteit een plantenpaspoort wordt afgegeven ten behoeve van een geregistreerde marktdeelnemer, houdt die exploitant ter waarborging van de traceerbaarheid uit hoofde van de leden 1 en 2 van dit artikel met betrekking tot dat plantenpaspoort een register bij van de volgende gegevens:
a. a) in voorkomend geval, de professionele marktdeelnemer die de betrokken handelseenheid heeft geleverd;
b) de professionele marktdeelnemer aan wie de betrokken handelseenheid is geleverd; en
c) relevante informatie met betrekking tot het plantenpaspoort.
4. De professionele marktdeelnemers bewaren de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde gegevens gedurende ten minste drie jaar na de datum waarop de betrokken plant of het betrokken plantaardig product of ander materiaal aan of door hen werd geleverd.
5. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen het volgende vaststellen:
a. a) een kortere of langere minimumperiode dan die welke is vermeld in lid 4 met betrekking tot specifieke planten, indien de lengte van de teeltperiode van die planten dit rechtvaardigt; en
b) voorschriften betreffende de inhoud en de toegankelijkheid van de gegevens die de in de leden 1 en 2 bedoelde professionele marktdeelnemers moeten bijhouden.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
6. Op verzoek zenden de in lid 4 bedoelde professionele marktdeelnemers de gegevens uit de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde registers toe aan de bevoegde autoriteit.
7. Dit artikel is niet van toepassing op de in artikel 65, lid 3, eerste alinea, onder c) en d), bedoelde professionele marktdeelnemers.
Link naar deze uitspraak