|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:1865 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | ROE 24/2881 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Beroep tegen de weigering om een omgevingsvergunning voor het aanleggen van verharding te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat het college de weigering van de omgevingsvergunning onvoldoende heeft gemotiveerd en onzorgvuldig heeft voorbereid. Het college heeft de door eiseres overgelegde stukken onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. Het college moet opnieuw op de aanvraag van eiseres beslissen en daarbij ook artikel 2.11, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toepassen en de aanvraag als een verzoek aanmerken om van artikel 50.3 van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” af te wijken. Het beroep is gegrond. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | waterschap | | | | Uitspraak | RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/2881
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres, uit [woonplaats] ,
(gemachtigden: mr. M. Stultiens en mr. L. Pronk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, het college,
(gemachtigden: mr. J.R.P. Lamers, mr. R.C.H. Schrömbges en J.D. Oegema).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [naam derde-partij 1] , [naam derde-partij 2] en
[naam derde-partij 3]
, uit [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. C.R. Jansen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanleggen van een verharding op het perceel aan de [adres 1] in [woonplaats] .
Eiseres is niet eens met deze weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de weigering om de omgevingsvergunning voor de verharding te verlenen onvoldoende heeft gemotiveerd en onzorgvuldig heeft voorbereid. Het college heeft de door eiseres overgelegde stukken onvoldoende bij de besluitvorming betrokken. Het college moet opnieuw op de aanvraag van eiseres beslissen en daarbij ook artikel 2.11, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) toepassen en de aanvraag als een verzoek aanmerken om van artikel 50.3 van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (hierna: het bestemmingsplan) af te wijken. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Met het besluit van 2 november 2023 heeft het college geweigerd om de omgevingsvergunning aan eiseres te verlenen. Met het bestreden besluit van 14 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de weigering gebleven met een aanvulling van de motivering. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld
4. Het college heeft op het beroep met een verweerschrift gereageerd en de
derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
5. Op 29 januari 2026 heeft in bijzijn van partijen een onderzoek ter plaatse (descente) plaatsgevonden als bedoeld in artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Van het onderzoek ter plaatse is een proces-verbaal opgemaakt dat reeds naar partijen is gestuurd.
6. Aansluitend aan het onderzoek ter plaatse heeft de rechtbank dit beroep, samen met de beroepen in zaaknummers ROE 23/1932, 24/2172, ROE 24/2880 en ROE 24/4465, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college, eiseres en haar gemachtigden, [naam] namens eiseres en [naam derde-partij 2] en zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
7. Eiseres is eigenaar van de gronden aan de [adres 1] en [adres 2] in [woonplaats] . Zij woont in een bedrijfswoning op dat perceel en de groepsaccommodatie [naam groepscaccommodatie] is ook op dat perceel gevestigd. Eiseres exploiteert deze groepsaccommodatie via de eenmanszaak ‘ [handelsnaam] ’. De derde-partij betreft [naam derde-partij 1] en [naam derde-partij 2] die aan de [adres 3] wonen en [naam derde-partij 3] die aan de [adres 4] woont.
4. Op 30 mei 2023 heeft Sport- en vakantiecentrum De Beierhof B.V. een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een verharding en het inrichten van het terrein. Deze aanvraag ziet op de activiteit “het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.
5. Bij besluit van 1 november 2023 heeft het college de aanvraag geweigerd. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar door eiseres heeft het college, in navolging op het advies van de bezwaarschriftencommissie, bij het bestreden besluit ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
8. Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wabo. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Omdat de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit vóór 1 januari 2024 is ingediend, volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Dit betekent dat de Wabo, zoals die gold vóór
1 januari 2024 met aanverwante wetgeving, van toepassing blijft op deze zaak.
Omvang van het geding
Eerdere weigering omgevingsvergunning
9. Het college voert als meest verstrekkend verweer aan dat het beroep van eiseres afstuit op de formele rechtskracht. Het college stelt in dat kader dat het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 13 december 2023 is ingetrokken. Die beslissing op bezwaar zag op exact dezelfde situatie als die nu wederom aan de rechtbank wordt voorgelegd. Als gevolg van het intrekken van het beroep heeft die beslissing op bezwaar formele rechtskracht gekregen. Er is daardoor sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De aanvrager moet daarom nieuw gebleken feiten en omstandigheden aangeven. Dit is hier niet gebeurd waardoor de aanvraag afstuit op de formele rechtskracht van de eerdere beslissing op bezwaar.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat het college de onderhavige aanvraag om een omgevingsvergunning niet met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgewezen en een dergelijk besluit ligt dan ook niet voor. De rechtbank beoordeelt alleen de feitelijke en juridische situatie zoals die bestond op het moment dat de onderhavige beslissing op bezwaar werd genomen. Dit betekent dat de formele rechtskracht van het besluit van 13 december 2023, dat ná de beslissing op bezwaar is genomen, hier géén rol speelt. Dat besluit valt dan ook buiten de omvang van het geding.
Uitwegvergunning
10. De beroepsgrond die ziet op de uitwegvergunning op grond van artikel 2:3 van de Algemene Plaatselijke Verordening blijft onbesproken, omdat een dergelijke vergunning niet is aangevraagd en buiten de omvang van dit geding valt.
Procesbelang
11. De eerste vraag die de rechtbank ambtshalve moet beantwoorden is of eiseres procesbelang bij haar beroep tegen het bestreden besluit heeft, omdat op zitting is gebleken dat Sport- en vakantiecentrum De Beierhof B.V., die de aanvrager is van de onderhavige omgevingsvergunning, is opgeheven. Procesbelang is een voorwaarde voor ontvankelijkheid van het beroep.
11.1.
Procesbelang houdt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in dat met het beroep een belang bij de uitkomst van de procedure wordt nagestreefd. Het moet mogelijk zijn om met dat beroep het nagestreefde belang daadwerkelijk te kunnen verwezenlijken. Dat belang moet reëel en actueel zijn.
11.2.
De rechtbank overweegt dat eiseres belanghebbende bij het beroep is, omdat zij eigenaar is van de gronden waarop het besluit betrekking heeft. De rechtbank gaat ervan uit dat zij voornemens is om de aanvraag op haar naam te doen stellen (in plaats van Sport- en vakantiecentrum De Beierhof B.V.) mocht deze aanvraag (na een geslaagd beroep) opnieuw in de bezwaarfase komen. Eiseres runt namelijk ook de eenmanszaak ‘ [handelsnaam] ’, welke onderneming voorheen door Sport- en Vakantiecentrum De Beierhof B.V. werd gedreven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres procesbelang heeft bij beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank zal dan ook haar beroep hieronder inhoudelijk beoordelen.
Heeft het college de omgevingsvergunning mogen weigeren?
12. Eiseres voert aan dat het college aan haar de omgevingsvergunning voor de verharding had moeten verlenen, omdat aan artikel 50.1 in samenhang met artikel 50.3 van het bestemmingsplan wordt voldaan. Volgens eiseres komt met de verharding het behoud en de bescherming van de landschappelijke waarden niet in het gedrang en zij verwijst daarvoor naar een quickscan ecologie van 8 augustus 2023 die bij de aanvraag behoort. Het college heeft geen tegenrapport overgelegd. Daarnaast stelt eiseres dat de verharding wel passend is in het straatbeeld en de landschappelijke omgeving en dat het geheel geen grote impact op het gebied heeft. Zij verwijst in dat kader naar artikel 37.1 van het bestemmingsplan en stelt dat aan de kernkwaliteiten in dat artikel geen afbreuk is gedaan. Daarbij heeft eiseres ook verwezen naar een memo van 11 december 2023 waarin is bevestigd dat de verharding binnen het straatbeeld past. Verder stelt eiseres dat de verharding noodzakelijk is voor de bussen en touringcars die ter plaatse komen voor de recreatieve activiteiten op de naastgelegen recreatieve bestemming. Ten slotte voert eiseres aan dat het college heeft erkend dat hij geen advies van het waterschap heeft gevraagd, terwijl dit wel op grond van artikel 50.4 van het bestemmingsplan is vereist. Al om die reden kan de weigering niet in stand blijven. In het geval de verharding in strijd met het bestemmingsplan zou zijn, dan had het college op grond van artikel 2.11 van de Wabo in ieder geval moeten beoordelen of er een mogelijkheid is voor vergunningverlening in afwijking van het bestemmingsplan.
De aanvraag
12.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres alleen een omgevingsvergunning voor de activiteit “het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo heeft aangevraagd. Dit betekent dat bij de afweging of hiervoor een vergunning wordt verleend het college het gebruik van de gronden niet mag beoordelen. Een omgevingsvergunning voor de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is immers niet aangevraagd. Het college heeft dan ook ten onrechte bij de weigering van de omgevingsvergunning het gebruik van de verharding als parkeerplaats bij de beoordeling betrokken. Voordat de rechtbank ingaat op de beoordeling van de aanvraag door het college zal de rechtbank eerst het wettelijk kader hieronder weergeven.
Toetsingskader
12.2.
De rechtbank overweegt dat in artikel 2.11 van de Wabo de toetsingsgronden zijn opgenomen voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Daarin is het volgende bepaald:
“1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan (...), wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
“2. Indien sprake is van strijd met de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.”
12.3.
Het voorgaande betekent dat het college eerst moet nagaan of het bestemmingsplan een vergunningplicht bevat voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Als sprake is van een vergunningplicht dan moet het college aan de hand van het toetsingskader in het bestemmingsplan beoordelen of een omgevingsvergunning wordt verleend of geweigerd. In het geval de aanvraag in strijd met de bestemmingsplanregels is, dan verplicht artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo ertoe dat de omgevingsvergunning wordt geweigerd. Het gaat hier dus om dwingende weigeringsgronden. Als de aanvraag in strijd met één van de in het eerste lid genoemde dwingende weigeringsgronden, dan kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend als die strijdigheid wordt weggenomen. Daarvoor is een omgevingsvergunning nodig als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Als de vergunning moet worden geweigerd vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan, dan moet het college op grond van artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo de aanvraag ook aanmerken als een verzoek om van die regels af te wijken op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
Weigering door het college
12.4.
De rechtbank stelt vast dat de verharding zich bevindt – voor zover relevant – binnen de bestemmingen “Waarde - Zone bronsgroene landschapszone” en “Agrarisch met waarden” met als aanduidingen “milieuzone – hydrologische beschermingszone” en “overige zone – beekdal”. Tussen partijen is niet in geschil dat een vergunningplicht geldt op grond van artikel 50.1 van het bestemmingsplan. Daarin is voor deze locatie bepaald dat het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere verhardingen verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.
12.5.
In artikel 50.3 is bepaald dat het college de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 50.1 alleen verleent als door de in artikel 50.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarden, belangen en/of functies die het plan beoogt te beschermen, niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
12.6.
Deze waarden betreffen volgens het college het volgende:
Voor de aanduiding “Milieuzone - hydrologische beschermingszone”: hydrologisch beschermen van de verdrogingsgevoelige natuurgebieden.
Binnen de bestemming “Waarde - Zone bronsgroene landschapszone”: behoud en bescherming van de landschappelijke waarden, waarbij de kernkwaliteiten zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf.
Voor de aanduiding “overige zone – beekdal”:
Beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap met (al dan niet rechtlijnige) beeklopen.
Doorgaans natte structuur, waardoor de beekdalen functioneren als ecologische verbindingszones.
Specifieke functie voor (strategische) waterberging.
12.7.
Het college heeft de aanvraag voor de verharding geweigerd, omdat de omvang van de verharding en de grilligheid qua materialen niet past in het straatbeeld en de landschappelijke omgeving. De aanvraag is ook geweigerd doordat een deel van de verharding een gesloten verharding betreft en dit zorgt volgens het college voor een verstoring van de waterbergingsfunctie van het perceel en draagt niet bij aan het groene karakter van de omgeving. In het bestreden besluit heeft het college daaraan toegevoegd dat eiseres met de ecologische quickscan niet aannemelijk heeft gemaakt dat de landschappelijke waarden niet worden aangetast. Het onderzoek daarvoor heeft volgens het college immers op een reeds aangelegde verharding plaatsgevonden en om die reden is niet onderzocht wat de te verwachten landschappelijk effect op de locatie is.
12.8.
De rechtbank is van oordeel dat het college de weigering om een omgevingsvergunning voor de verharding te verlenen onvoldoende heeft gemotiveerd en onzorgvuldig heeft voorbereid. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres voorafgaand aan de weigering van de omgevingsvergunning een e-mail van 6 oktober 2023 heeft overgelegd en in de bezwaarfase een memo van 11 december 2023. Daarin heeft een adviseur van eiseres toegelicht waarom voor verschillende materialen is gekozen en dat de verharding binnen het straatbeeld past. De rechtbank overweegt dat het college deze stukken onvoldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken, nu het college enkel stelt dat de verharding niet binnen het straatbeeld past zonder nadrukkelijk in te gaan op de ingebrachte stukken. Het is de rechtbank ook niet duidelijk waarom de verharding niet binnen het straatbeeld zou passen, gelet op de zichtbaarheid daarvan zoals door de rechter is geconstateerd tijdens de descente voorafgaand aan de zitting. De verharding valt nauwelijks op, vooral doordat een deel slechts half is verhard en uit de open verharding gras/onkruid groeit. Daarnaast overweegt de rechtbank over de verstoring van de waterbergingsfunctie dat het college de e-mail en de memo van eiseres onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. Ook hier geldt dat het college enkel stelt dat de verharding zorgt voor een verstoring van de waterbergingsfunctie zonder nadrukkelijk in te gaan op de ingebrachte stukken. Van belang is dat de verharding op een deel van het agrarische perceel is aangelegd en het overige perceel onbebouwd is en daarop gras en overige beplanting aanwezig is. Een deel van de verharding is open waardoor neerslag wordt geïnfiltreerd. Het college moet deze aspecten bij zijn afweging betrekken. Verder overweegt de rechtbank over het groene karakter van de omgeving dat de verharding daarop invloed kan hebben, maar het college moet daarbij ook betrekken dat het om halfverharding gaat wat begroeid is. Tot slot overweegt het college over de quickscan ecologie (door overname van het advies van de commissie bezwaarschriften) dat deze fundamenteel onjuist is opgesteld, omdat eventueel aanwezige flora en fauna al verdreven is door tot illegale realisatie van de verharding over te gaan. Het college stapt hier naar het oordeel van de rechtbank te snel over het feit heen dat uit de quickscan ecologie volgt dat ook voor het uitvoeren van de verharding geen sprake kon zijn van beschermde soorten op de planlocatie, omdat deze hiervoor een vestigingsmogelijkheden bood (en biedt). Bovendien wordt ten onrechte (in het overgenomen advies van de commissie bezwaarschriften) gesteld dat de impact van de poort en het hekwerk, en verkeersbewegingen, bij de quickscan ecologie betrokken hadden moeten worden. Zoals hieronder onder r.o. 12.11 tot en met 12.13 nog zal worden toegelicht, zijn deze aspecten niet aangevraagd en hadden die ook niet gelijktijdig aangevraagd hoeven worden.
12.9.
Verder overweegt de rechtbank ten overvloede dat, indien de waarden niet in het geding zijn en dus niet worden aangetast, het college nog steeds de vrijheid heeft om de aanvraag om een omgevingsvergunning te weigeren, maar dan moet het college wel een onderbouwing daaraan ten grondslag leggen.
Onlosmakelijke samenhang
12.10.
Op zitting heeft het college aangevoerd dat de aanvraag voornamelijk is geweigerd, omdat er op een agrarisch gebied wordt geparkeerd voor de naastgelegen recreatieve bestemming (groepsaccommodatie van eiseres). De rechtbank heeft het college op zitting voorgehouden dat voor het strijdig gebruik met het bestemmingsplan ten behoeve van parkeren geen omgevingsvergunning is aangevraagd (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo). Het college heeft daarop geantwoord dat hier sprake is van een onlosmakelijke samenhang met het parkeren. Daarover overweegt de rechtbank dat dit standpunt niet eerder naar voren is gebracht en ook niet in de besluitvorming is opgenomen. Nog afgezien van het feit dat dit buiten de omvang van het geding valt, ziet de rechtbank niet in dat het aanleggen van verharding onlosmakelijk met het gebruik daarvan als parkeerterrein is verbonden. De verharding kan immers worden aangelegd zonder dat die als parkeerterrein wordt gebruikt.
12.11.
Het college heeft in het bestreden besluit wel aangevoerd dat sprake is van een onlosmakelijke samenhang voor de erfafscheiding en de poort met het hekwerk en dat een omgevingsvergunning nodig is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Omdat hier sprake is van een onlosmakelijke samenhang als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo had eiseres volgens het college voor alle samenhangende activiteiten in één keer een aanvraag moeten indienen.
12.12.
De rechtbank overweegt over de onlosmakelijke samenhang dat op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, onverminderd het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, ervoor zorg draagt dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten. Deze verplichting houdt in, dat de aanvrager gehouden is activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen gelijktijdig aan te vragen. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als een activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere activiteit als omschreven in die artikelen en deze activiteiten fysiek niet van elkaar zijn te scheiden.
12.13.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de aanvraag om een omgevingsvergunning niet ziet op de erfafscheiding en de poort met het hekwerk. Het college heeft in dat verband terecht aangevoerd dat de erfafscheiding en de poort met het hekwerk niet vergunningvrij zijn en voor dat oordeel verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 24 februari 2026 van deze rechtbank. Dat hiervoor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is aangevraagd, leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot strijd met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. Daartoe overweegt de rechtbank dat hoewel de erfafscheiding en de poort met het hekwerk enige relatie met de verharding hebben niet kan worden gesproken van een onlosmakelijke samenhang. Het gaat hier immers niet om fysiek dezelfde activiteiten, nu de verharding in fysieke zin los staat van de erfafscheiding en de poort met het hekwerk. Het college heeft dan ook ten onrechte gesteld dat hier sprake is van onlosmakelijke samenhang.
Afwijken van het bestemmingsplan
12.14.
Nadat het college op grond van de vergunningplicht in artikel 50.1 van het bestemmingsplan heeft geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen, had het college naar het oordeel van de rechtbank vervolgens artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo moeten toepassen en de aanvraag als een verzoek moeten aanmerken om van artikel 50.1 en 50.3 af te wijken. Dat heeft het college in het bestreden besluit niet expliciet gedaan.
12.15.
In het verweerschrift heeft het college aangevoerd dat er wel degelijk is onderzocht om van het bestemmingsplan af te wijken en dat het college niet bereid is om daarvan af te wijken, omdat er verschillende illegale situaties worden aangevraagd met afzonderlijke aanvragen in plaats van één integrale aanvraag ondersteund door een ruimtelijke onderbouwing die ziet op alle relevante aspecten. Hierover overweegt de rechtbank dat deze afweging in de beslissing op bezwaar niet uitdrukkelijk op de verharding ziet en bovendien niet ziet op de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank overweegt dat voor het al dan niet afwijken van de regels getoetst moet worden of sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
12.16.
Op zitting heeft het college desgevraagd bevestigd dat de uitkomst van deze toets van strijdig gebruik hetzelfde is als de motivering voor de weigering om de omgevingsvergunning te verlenen zoals dat in het bestreden besluit is opgenomen. De rechtbank constateert gelet op het voorgaande een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek. Het college had namelijk de ruimtelijke ordening toets uitdrukkelijk moeten vermelden in het bestreden besluit en expliciet moeten aangeven wat de redenen zijn waarom hij niet wil afwijken van artikel 50.3 van het bestemmingsplan. Deze beroepsgrond slaagt.
12.17.
Verder overweegt de rechtbank dat vaststaat dat het college geen schriftelijk advies als bedoeld in artikel 50.4, sub c, onder 2, van het bestemmingsplan bij het waterschap heeft gevraagd. In dat artikel staat dat, voordat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 50.1 verleent, schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het waterschap en wordt de Keur van het waterschap in acht genomen. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht geen schriftelijk advies heeft gevraagd, omdat een schriftelijk advies volgens dat artikel enkel gevraagd moet worden als het college de omgevingsvergunning wil verlenen. Dat is hier niet het geval.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Het college zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
15. De rechtbank veroordeelt het college verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Drent, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 februari 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaaknummer ROE 23/276.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3265
In zaaknummer ROE 23/1932. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|