Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:1434 
 
Datum uitspraak:13-03-2026
Datum gepubliceerd:18-03-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202600609/2/A3
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 27 september 2023 heeft de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur de aanvraag van de vereniging buiten behandeling gelaten. De vereniging heeft de minister op 27 augustus 2021 op grond van artikel 67 van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 verzocht om informatie te verstrekken uit het register van twee professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen. De minister heeft dit verzoek buiten behandeling gelaten, omdat de vereniging niet wenst dat het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) wordt behandeld. De vereniging heeft hiertegen rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. Op de zitting bij de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte het verzoek buiten behandeling heeft gelaten, maar dat het verzoek evenwel op grond van de Woo moet worden afgewezen. Volgens de minister berust de informatie die de vereniging wil hebben niet bij de minister en behoort deze informatie daar ook niet te berusten. De Verordening verplicht hem niet om informatie uit de registers van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen op te vragen als om verstrekking van die informatie wordt verzocht, aldus de minister.
Trefwoorden:landbouw
 
Uitspraak
202600609/2/A3.
Datum uitspraak: 13 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 12 januari 2026 in zaak nr. 23/5100 in het geding tussen:
de staatssecretaris
en
Vereniging Meten=Weten.
Procesverloop
Bij besluit van 27 september 2023 heeft de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur de aanvraag van de vereniging buiten behandeling gelaten.
Bij uitspraak van 12 januari 2026 heeft de rechtbank het door de vereniging daartegen rechtstreeks ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 september 2023 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van de vereniging.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2026, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Stolker en mr. D.W.M. Wenders, bijgestaan door L.C.C. Lageschaar, en de vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2.       De vereniging heeft de minister op 27 augustus 2021 op grond van artikel 67 van de Verordening (EG) nr. 1107/2009 verzocht om informatie te verstrekken uit het register van twee professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen. De minister heeft dit verzoek buiten behandeling gelaten, omdat de vereniging niet wenst dat het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) wordt behandeld. De vereniging heeft hiertegen rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. Op de zitting bij de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte het verzoek buiten behandeling heeft gelaten, maar dat het verzoek evenwel op grond van de Woo moet worden afgewezen. Volgens de minister berust de informatie die de vereniging wil hebben niet bij de minister en behoort deze informatie daar ook niet te berusten. De Verordening verplicht hem niet om informatie uit de registers van professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen op te vragen als om verstrekking van die informatie wordt verzocht, aldus de minister.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank is het niet eens met de minister en overweegt daarover het volgende. Uit artikel 4, vierde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden volgt dat de minister de bevoegde autoriteit is die belast is met het nemen van besluiten op verzoeken om toegang tot informatie als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de Verordening. De minister moet het verzoek met toepassing van de Woo en de Verordening beoordelen. De informatie in de registers berust bij de professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen die verplicht zijn een register bij te houden; het blijkt nergens uit dat die informatie in de registers ook bij de minister aanwezig behoort te zijn. Dit laat volgens de rechtbank onverlet dat artikel 4.2, tweede lid, van de Woo hier niet voorziet in een doeltreffende uitoefening van het inzagerecht als bedoeld in de Verordening. Dit komt omdat de bevoegdheid tot het vorderen van informatie door een bestuursorgaan in de Woo is voorbehouden aan publieke informatie in documenten die bij het bestuursorgaan rusten of behoren te rusten. Daarvan is hier echter geen sprake. De rechtbank is daarom van oordeel dat uit artikel 67, eerste lid, tweede alinea, van de Verordening volgt dat de minister als bevoegde autoriteit de bevoegdheid heeft om een professionele gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen te verzoeken om relevante informatie uit de registers ter beschikking te stellen indien derde partijen een verzoek om toegang tot deze informatie bij de minister hebben gedaan. De minister kan deze bevoegdheid ook gebruiken in andere gevallen dan als hij van overheidswege controle uitoefent op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De minister is bovendien verplicht om inzage te geven in de verzochte informatie, omdat het gaat om milieu-informatie over emissies als bedoeld in artikel 5.1, zevende lid, van de Woo.
Verzoek om voorlopige voorziening
4.       De staatssecretaris verzoekt de voorzieningenrechter de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. Het hoger beroep van de staatssecretaris gaat in de kern over de vraag of de uitleg die de rechtbank geeft aan de Verordening juist is. Onder andere zal beoordeeld moeten worden of verenigbaar is met het systeem van de Woo dat de staatssecretaris gehouden is om informatie met het oog op openbaarmaking daarvan op te vragen zonder dat daarvoor aanleiding bestaat vanuit het belang van de uitoefening van toezicht. Dit zijn principiële rechtsvragen die zich niet lenen voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure, maar in de bodemprocedure aan bod zullen komen. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of vooruitlopend op de beoordeling van het hoger beroep een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.
5.       Uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft tot gevolg dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen waarin hij bij de professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen verzoekt en zo nodig met gebruik van zijn toezichthoudende bevoegdheden vordert om de door de vereniging verzochte informatie uit het register aan de staatssecretaris ter beschikking te stellen, zodat de staatssecretaris de vereniging inzage kan verlenen in die informatie. Of de staatssecretaris gehouden is dit te doen, is het punt van geschil dat in hoger beroep voorligt. De procedure in hoger beroep zou geen zin meer hebben als de rechtbankuitspraak vooruitlopend daarop wordt uitgevoerd. Daarnaast is op de zitting van de voorzieningenrechter naar voren gekomen dat niet is uitgesloten dat er meer inzageverzoeken en daarmee verband houdende procedures zullen komen als de staatssecretaris uitvoering geeft aan de opdracht van de rechtbank door bij professionele gebruikers informatie uit de registers op te vragen. Voor de voorzieningenrechter is verder niet buiten twijfel dat de aangevallen uitspraak onverkort stand zal houden. Voor het oordeel van de rechtbank zijn namelijk geen directe aanknopingspunten te vinden in de huidige rechtspraak over de Woo of in de Verordening. Van een zwaarder wegend belang aan de kant van de vereniging is niet gebleken. Verder zal de voorzieningenrechter bevorderen dat de hoofdzaak op korte termijn zal worden behandeld. Om bovenstaande redenen zal de voorzieningenrechter het verzoek van de staatssecretaris toewijzen en de hierna te melden voorlopige voorziening treffen.
6.       De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026
1013
Link naar deze uitspraak