|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:263 | | | | | Datum uitspraak | : | 03-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-03-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 23/3368 PW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Toekenning van bijstand. Afwijzing aanvragen om bijzondere bijstand. Ingangsdatum. Geen bijzondere omstandigheden. Vaststaat dat appellant ten tijde van het inloopspreekuur geen woon- of verblijfadres had en is hem geadviseerd om een briefadres aan te vragen. Alleen al om die reden kan van een melding in de zin van art. 44 lid 2 PW op dat moment geen sprake zijn geweest. Hij had immers geen adres dat geregistreerd kon worden. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij op het inloopspreekuur een formulier voor het aanvragen van bijstand heeft ingevuld en ingediend. Van bijzondere omstandigheden die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen, is niet gebleken. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | paarden | | | uitkering | | | | Uitspraak | 23/3368 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/3368 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 november 2023, 23/1882 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 3 maart 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de ingangsdatum van de aan appellant toegekende bijstand en om de afwijzing van twee aanvragen om bijzondere bijstand. Het college heeft bijstand toegekend vanaf de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. De aanvragen om bijzondere bijstand heeft het college afgewezen op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant wil dat aan hem met ingang van een eerdere datum bijstand wordt toegekend en voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens appellant kan het recht op bijzondere bijstand dan wel worden vastgesteld. Appellant krijgt geen gelijk.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.G. ten Have, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Have. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door I.M. van Dijk.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Aanvraag algemene bijstand
1.1.
Appellant heeft een eigen bedrijf en had dat ook al ten tijde hier van belang. Op 1 april 2022 is appellant op het inloopspreekuur van het dak- en thuislozenteam (inloopspreekuur) geweest met de intentie om een uitkering aan te vragen. Hij had op dat moment geen woonadres. Om die reden heeft hij zich met terugwerkende kracht tot 20 februari 2022 met een briefadres laten inschrijven op het adres van de daklozenopvang.
1.2.
Op 26 april 2022 heeft appellant als gevestigd ondernemer een aanvraag om algemene bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ingediend, met als gewenste ingangsdatum 1 april 2022. Op het aanvraagformulier heeft appellant onder meer vermeld dat hij heeft geleefd van een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers en van inkomen uit zijn bedrijf. Als reden voor de gewenste ingangsdatum heeft appellant opgegeven: “In februari heb ik een aanvraag briefadres gestart. In maart heb ik een BBZ aanvraag gestart via W&I. Het briefadres is in april goedgekeurd. Mevrouw [X] is hiervan op de hoogte.” Met een brief van 3 mei 2022 heeft het college appellant verzocht om uiterlijk 18 mei 2022 een aantal nader genoemde gegevens te verstrekken, waaronder financiële gegevens van zijn bedrijf. Ook heeft een medewerker diverse keren geprobeerd telefonisch contact te krijgen met appellant, wat niet is gelukt. Appellant heeft de gevraagde gegevens niet verstrekt. Met een besluit van 19 mei 2022 heeft het college de Bbz-aanvraag buiten behandeling gesteld. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Appellant heeft op 4 juli 2022 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend met als gewenste ingangsdatum 1 april 2022. Appellant heeft op het formulier vermeld vanaf 1 april 2020 geen inkomsten meer te hebben en dat hij geld heeft geleend van vrienden. Als reden voor de gewenste ingangsdatum heeft appellant opgegeven:
“In maart heb ik een aanvraag bijstand en biefadres bij het loket dak- en thuislozen gedaan Daar heb ik geen beslissing over ontvangen. Ik heb daarover contact gehad met mevr. [X].
In april heb ik bij bureau zelfstandigen Groningen een aanvraag gedaan voor een BBZ. Ik heb aangegeven niet over een postadres te beschikken met het verzoek om de communicatie daarom per mail te doen. Echter daar heb ik niks meer gehoord.
Ik trek nu echt aan de bel want in de periode april tot heden heb ik geen inkomsten gehad en geld moeten lenen waardoor ik nu een schuld heb opgebouwd. Daarom verzoek ik de ingangsdatum van 1 april.”
1.4.
Het college heeft appellant diverse keren verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken. Ook heeft een medewerker geprobeerd een gesprek met appellant te plannen, wat niet is gelukt. Appellant heeft een aantal gegevens verstrekt.
1.5.
Met een besluit van 27 oktober 2022 (besluit 1) heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.
1.6.
Met een besluit van 2 maart 2023 (besluit 2) heeft het college opnieuw beslist op de bijstandsaanvraag van appellant van 4 juli 2022 en daarbij, voor zover hier van belang, vanaf 4 juli 2022 bijstand op grond van de PW toegekend aan appellant.
Bijzondere bijstand
1.7.
Op 16 en 30 september 2022 heeft appellant drie aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van rechtsbijstand en griffierecht. Met twee afzonderlijke besluiten van 3 november 2022 (besluiten 3 en 4) en een besluit van 25 november 2022 (besluit 5) heeft het college deze aanvragen afgewezen.
1.8.
Met een besluit van 15 maart 2023 (besluit 6) heeft het college appellant meegedeeld dat besluit 5 komt te vervallen en dat alsnog bijzondere bijstand wordt toegekend voor de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 315,-.
Bestreden besluit
1.9.
Met een besluit van 22 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het college beslist op het bezwaar van appellant tegen besluit 2, voor zover het de ingangsdatum betreft, en op de bezwaren van appellant tegen de besluiten 3 en 4.
1.9.1.
Het college heeft het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Het gesprek van appellant tijdens het inloopspreekuur op 1 april 2022 is geen melding voor een aanvraag om bijstand op grond van de PW. Appellant wilde toen een briefadres en een Bbz-uitkering aanvragen. Hij heeft die uitkering op 26 april 2022 aangevraagd en heeft tegen de buiten behandelingstelling van die aanvraag geen bezwaar gemaakt. Er zijn geen bijzondere omstandigheden om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.
1.9.2.
Het college heeft de bezwaren tegen de besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat niet vastgesteld kan worden of appellant recht heeft op bijzondere bijstand voor de gevraagde kosten. Op het moment dat de kosten werden gemaakt had appellant namelijk geen geregistreerd inkomen en was hij dak- en thuisloos. Hij reageerde niet op informatieverzoeken en op telefoontjes.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de ingangsdatum van de algemene bijstand en de afwijzingen van de (twee) aanvragen om bijzondere bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Ingangsdatum algemene bijstand
4.1.
In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2026, en de vaste rechtspraak over de voorloper van die bepaling (artikel 68a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet).
4.2.
Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als komt vast te staan dat de betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend die tot een beslissing had moeten leiden, of als is gebleken dat de betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Dit is vaste rechtspraak.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat om de volgende redenen in zijn geval zich bijzondere omstandigheden voordoen die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht tot 1 april 2022 rechtvaardigen. Appellant heeft zich tijdens het inloopspreekuur op 1 april 2022 gemeld om bijstand aan te vragen in de zin van artikel 44, tweede lid, van de PW. Hij heeft toen ook het aanvraagformulier voor een bijstandsuitkering ingevuld. Appellant was daarom in de veronderstelling dat hij tijdens het inloopspreekuur een aanvraag had ingediend en dat hij enkel nog een briefadres moest regelen, waarna de aanvraag in behandeling zou worden genomen. Nadat appellant een briefadres had geregeld, kreeg hij te horen dat hij als zelfstandige een Bbz-uitkering moest aanvragen. Dit heeft appellant ook nog gedaan. Hij dacht dat zijn bijstandsaanvraag op dat moment ook nog in behandeling was bij het college. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van betekenis.
4.3.1.
Vaststaat dat appellant op 1 april 2022 op het inloopspreekuur is geweest. Op dat moment had appellant geen woon- of verblijfadres en is hem geadviseerd om een briefadres aan te vragen. Alleen al om die reden kan van een melding op 1 april 2022 in de zin van artikel 44, tweede lid, van de PW geen sprake zijn geweest. Hij had immers geen adres dat geregistreerd kon worden.
4.3.2.
Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij op 1 april 2022 op het inloopspreekuur een formulier voor het aanvragen van bijstand op grond van de PW heeft ingevuld en ingediend. De enkele stelling dat appellant dat heeft gedaan, zonder enige onderbouwing, volstaat niet, te meer omdat het college betwist dat appellant een aanvraagformulier heeft ingediend en dat formulier niet bij de stukken zit.
4.3.3.
Vaststaat dat appellant op 26 april 2022 een Bbz-aanvraag heeft ingediend. Appellant stelt wel dat hij naast die aanvraag ook nog een aanvraag om bijstand op grond van de PW heeft ingediend en daarmee, zoals hij ter zitting heeft betoogd, op twee paarden wilde wedden, maar heeft voor die stelling geen begin van bewijs geleverd.
4.3.4.
Dit alles nog daargelaten dat appellant zelf op 26 april 2022 een Bbz-aanvraag heeft ingediend en vervolgens, ook na de buiten behandelingstelling van die aanvraag, tot 4 juli 2022 heeft gewacht om een aanvraag om bijstand op grond van de PW in te dienen.
Afwijzing aanvragen bijzondere bijstand
4.4.
Zoals ter zitting is vastgesteld, heeft appellant met zijn beroepsgrond dat hij recht op bijzondere bijstand heeft, omdat hij vanaf 1 april 2022 recht op algemene bijstand heeft, geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd over de afwijzingen van de aanvragen om bijzondere bijstand. Die afwijzingen hoeven dus niet te worden besproken.
Conclusie en gevolgen
4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de ingangsdatum van de algemene bijstand en de afwijzing van de aanvragen om bijzondere bijstand in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Artikel 44 van de Participatiewet, zoals dit artikel luidde voor 1 januari 2026
1. Indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
2. De belanghebbende heeft zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn geregistreerd, en:
a. indien artikel 41, vierde lid, van toepassing is: hij door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op de hoogte is gesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en de inhoud van artikel 41;
b. indien artikel 41, vierde lid, niet van toepassing is: hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste of derde lid, of bij het college, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, tweede lid.
[...]
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP8626. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|