Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:2037 
 
Datum uitspraak:16-03-2026
Datum gepubliceerd:20-03-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB-25_643
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor tegemoetkoming in planschade. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Dat betekent dat het college terecht kon besluiten tot afwijzing van de aanvraag.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
geluidhinder
geluidshinder
intensieve veehouderij
perceel
planschade
stallen
vee
veehouderij
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/643
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr.ir. J.A.M. van der Lee),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld
(gemachtigde: mr. D.L. de Vries).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor tegemoetkoming in planschade. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.




Procesverloop

2. Eisers hebben op 8 december 2023 een verzoek ingediend voor tegemoetkoming in planschade. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.




Totstandkoming van het besluit

3. Op 8 december 2023 hebben eisers een verzoek om tegemoetkoming in planschade ingediend. Zij hebben daarbij aangevoerd dat hun woning aan de [locatie] [huisnummer 1] te [plaats] in waarde is gedaald als gevolg van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”. Eisers wonen naast de locatie waarop het bestemmingsplan betrekking heeft en stellen dat hun rustige, landelijke woonomgeving door dit bestemmingsplan wordt aangetast.


3.1.
Het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 10 juli 2019, is in werking getreden op 31 augustus 2019 en onherroepelijk geworden op 6 mei 2020. Het bestemmingsplan bevat, anders dan het voorheen geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2012”, een begripsomschrijving voor agrarisch loonbedrijf. Naar de overtuiging van eisers bevat deze omschrijving een uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden omdat nu ook activiteiten ten behoeve van weg- en waterbouw zijn toegelaten. Uit deze begripsomschrijving volgt verder dat de weg- en waterbouwactiviteiten naast de aan het buitengebied gerelateerde functies zijn toegestaan en deze niet vervangen. Daarnaast is op het perceel [locatie] [huisnummer 2] de functieaanduiding ‘agrarisch’ opgenomen, waardoor een bedrijfsmatige agrarische nevenactiviteit is toegestaan en het bestemmingsvlak is aangepast ten behoeve van een betere inrichting van het bedrijfsperceel. Dit alles leidt tot een waardedaling van hun woning.



3.2.
De Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) heeft een vergelijking gemaakt tussen het oude bestemmingsplan “Buitengebied 2012” en het nieuwe bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”. Naar aanleiding van het conceptadvies hebben eisers op 10 juni 2024 een zienswijze ingediend. Op 17 juni 2024 heeft de SAOZ het definitieve advies uitgebracht, waarin is geadviseerd de aanvraag om tegemoetkoming in planschade af te wijzen, omdat geen sprake is van een planologische verslechtering.



3.3.
Met inachtneming van dit deskundigenadvies heeft het college bij besluit van 10 juli 2024 de aanvraag om tegemoetkoming in planschade afgewezen. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. De SAOZ heeft bij nader advies van 30 oktober 2024 gereageerd op het bezwaarschrift van eisers. Op 30 december 2024 heeft de Adviescommissie Bezwaarschriften (hierna: de commissie) geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Het college heeft dit advies bij besluit van 8 januari 2025 integraal overgenomen en voor de motivering verwezen naar het advies van de commissie.




Beoordeling door de rechtbank


Overgangsrecht

4. Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.


4.1.
De door eisers in de aanvraag om een tegemoetkoming aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro en de aanvraag is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is.


Maatstaf

5. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade op grond van het oude recht dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. De rechtbank wijst hierbij naar de overzichtsuitspraak planschade van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.



5.1.
Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.



5.2.
Op de aanvrager rust in beginsel de bewijslast, indien hij een op een advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige gebaseerd oordeel van het bestuursorgaan omtrent het bestaan van schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro, omtrent de omvang van deze schade, of omtrent het oorzakelijk verband tussen de gestelde schadeveroorzakende planologische wijziging en de gestelde schade bestrijdt.


Mocht het college op het deskundige advies afgaan?

6. Eisers stellen dat het college niet zonder meer mocht afgaan op het advies van de SAOZ, omdat er volgens hen concrete aanknopingspunten voor twijfel bestaan. Door kritiekloos op de SAOZ te vertrouwen, zou het college volgens eisers onvoldoende eigen verantwoordelijkheid nemen voor het ruimtelijk beleid.



6.1.
Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.



6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank zal hierna ingaan op de verschillende concrete beroepsgronden van eisers. Zoals zal worden geoordeeld slagen die niet. Ook verder hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Het college heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom het op het advies van de SAOZ is afgegaan en heeft inzichtelijk gemaakt waarom de door eisers aangevoerde punten geen aanleiding geven tot twijfel aan de zorgvuldigheid van het advies. Daarbij komt dat eisers geen deskundig tegenonderzoek hebben laten verrichten waarin het advies van de SAOZ wordt weerlegd.


Planvergelijking

7. Eisers zijn het niet eens met de planvergelijking en voeren daarover verschillende beroepsgronden aan.


Weg- en waterbouw

8. Eisers stellen dat onder het nieuwe bestemmingsplan ook werkzaamheden voor weg- en waterbouw zijn toegestaan indien deze niet in combinatie met agrarisch loonwerk plaatsvinden. Volgens eisers voegt de partiële herziening daarmee een geheel nieuwe, zelfstandige bedrijfscategorie toe: weg- en waterbouw. Hierdoor zou de aard van het bedrijf veranderen in een grootschaliger onderneming, waarbij veel grotere en zwaardere voertuigen vertrekken, terugkeren, worden leeggestort, opgeladen en onderhouden dan bij uitsluitend agrarisch loonwerk zonder weg- en waterbouwactiviteiten. Het college volgt hierbij de redenering van de SAOZ in het planschadeadvies, waarin onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland wordt gesteld dat weg- en waterbouw op grond van het overgangsrecht was toegestaan. Deze conclusie is volgens eisers echter te kort door de bocht, omdat het overgangsrecht was gebaseerd op het bestemmingsplan uit 1983, waarin destijds niet is geïnventariseerd welke activiteiten daaronder vielen.



8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van planschade niet relevant is of gebruiksmogelijkheden worden uitgebreid, maar of die gestelde uitbreiding voor omwonenden tot schade of nadeel leidt. Uit het advies van de SAOZ blijkt dat het toelaten van weg- en waterbouwactiviteiten naast agrarische activiteiten het karakter van het bedrijfsperceel niet wezenlijk verandert en daardoor geen verslechtering van de situeringswaarde van de woning veroorzaakt. Opslag van materialen en het stallen en onderhouden van grote voertuigen was reeds toegestaan, waarbij het geen verschil maakt of deze voertuigen voor agrarische dan wel voor weg- en waterbouwdoeleinden worden gebruikt. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake zal zijn van relevante verschillen indien weg- en waterbouwwerkzaamheden al dan niet in combinatie met agrarisch loonwerk plaatsvinden. Evenmin hebben eisers aannemelijk gemaakt dat hierdoor de aard van het bedrijf zou veranderen in een grootschaliger onderneming of dat grotere en zwaardere voertuigen worden gebruikt voor weg- en waterbouw. De rechtbank merkt op dat het aantal en de omvang van de voertuigen in de eerste plaats beperkt wordt door de oppervlakte van het terrein en de aanwezige bebouwing. Daarbij is van belang dat met de planherziening het bedrijfsperceel is verkleind en de bouwmassa niet is toegenomen.



8.2.
De rechtbank merkt tot slot op dat in het advies van de SAOZ expliciet is vermeld dat bij de beoordeling geen rekening kon en mocht worden gehouden met de in de voorgaande situatie onder het overgangsrecht toegestane niet-agrarische loonwerkactiviteiten. De stelling van eisers dat het overgangsrecht in het advies van de SAOZ is betrokken bij de planvergelijking, is daarom onjuist.


Handel en opslag in grond, zand en grind

9. Eisers stellen dat handel in zand, grind en grond onder het vorige bestemmingsplan niet was toegestaan. Het toestaan van de verkoop van deze materialen, zonder beperkingen aan de hoeveelheid opgeslagen materiaal, komt volgens eisers feitelijk neer op het toestaan van handel. De omvang van het opslagterrein (meer dan 200 m²) maakt volgens hen zelfs dat sprake is van groothandel. Dit betreft een activiteit in milieucategorie 3.2, die meer ruimtelijke en milieueffecten met zich brengt dan onder het vorige bestemmingsplan mogelijk was, niet alleen door de opslag zelf, maar ook door het manipuleren van de materialen met shovels, het laden van vrachtauto’s en het storten vanaf vrachtwagens. Daarnaast stellen eisers dat het college geen beperkingen stelt aan de hoogte of omvang van de opslag van materialen. Volgens eisers betekent dit dat nieuwe, grotere activiteiten (zoals weg- en waterbouw, handel in materialen, voorraadvorming en tijdelijke opslag van afval) kunnen leiden tot enorme materiaalhopen die van grote afstand zichtbaar zijn en niet landschappelijk zijn ingepast.



9.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals ook het college betoogt worden grootschalige handel in grond en het ontvangen en verwerken van vervuilde grond niet beschouwd als activiteiten die inherent of onlosmakelijk verbonden zijn met een agrarisch loonwerkbedrijf. Dergelijke actviteiten zouden dan ook in strijd zijn met het bestemmingsplan, zodat daar bij de beoordeling van planschade geen rekening mee mag worden gehouden, omdat planschade uitsluitend betrekking heeft op de ruimtelijk relevante gevolgen van toegestaan handelen binnen de planologische kaders. Voor zover deze activiteiten zich zouden voordoen, zouden eisers kunnen overwegen om hiervoor een verzoek om handhaving in te dienen.



9.2.
Ten aanzien van de opslag van materialen stelt de rechtbank vast dat het college er op basis van het advies van de SAOZ van mocht uit gaan dat de opslag van materialen als zand, grond en stenen voorheen ten dienste van de toegelaten bedrijfsactiviteit eveneens was toegestaan en dat het karakter en de ruimtelijke uitstraling daarvan niet merkbaar anders zal zijn wanneer deze materialen worden gebruikt voor agrarische doeleinden of voor weg- en waterbouw. Bovendien waren ook onder het oude bestemmingsplan geen maximale opslaghoogten voorgeschreven. Van belang is verder dat het bedrijfsbestemmingsvlak verder van het woonperceel van eisers is komen te liggen. Daarnaast is het bedrijfsperceel door de planherziening verkleind, is de bouwmassa niet toegenomen en moet het perceel beter landschappelijk worden ingepast. Deze verbeterde landschappelijke inpassing weegt op tegen een eventuele toename van de opslag van materialen. Daarbij komt dat op korte afstand van het perceel van eisers planologisch een grote bebouwingswand mogelijk is, die vrijwel over de gehele diepte van het perceel loopt en een grotere impact op het uitzicht heeft dan de opgeslagen materialen.


Karakter woonomgeving

10. Eisers stellen dat de nieuw toegestane activiteiten het karakter van de woonomgeving wijzigen van een rustig woongebied naar een bedrijventerrein of gemeentewerf, met veel en zwaar af en aanrijdend verkeer dat in omvang en invloed op verkeersgeluid van de weg groter is dan het overige verkeer.



10.1.
Ook dit betoog faalt. Zoals hiervoor al overwogen was de opslag van materialen ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten voorheen al toegestaan, en het karakter daarvan is niet merkbaar anders wanneer deze materialen worden gebruikt voor agrarische doeleinden of voor weg- en waterbouw. Er is ook niet gebleken dat deze verschillende activiteiten verschillende verkeersstromen met zich zouden brengen. Dat het verkeer in de loop der tijd is toegenomen, is een feitelijke situatie die niet relevant is bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade. Verder is het bedrijfsperceel niet vergroot, maar juist verkleind, de bouwmassa is niet toegenomen en het perceel moet beter landschappelijk worden ingepast.


Agrarische nevenactiviteiten

11. Eisers stellen dat het toevoegen van de functieaanduiding ‘agrarisch’ tot gevolg heeft dat de ondernemer, mits woonachtig in de dienstwoning, diverse agrarische activiteiten mag uitoefenen. De SAOZ gaat in haar advies enkel in op het op- en overslaan van aardappelen, terwijl volgens eisers nu allerlei agrarische activiteiten zijn toegestaan (behalve intensieve veehouderij). Dit zou een planologische verslechtering opleveren. Zij wijzen erop dat het houden van vee mogelijk wordt, zonder beperkingen aan soorten of aantallen, en dat zij nu al hinder ondervinden van de op- en overslag van aardappelen.



11.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het gaat om een agrarische nevenactiviteit van de bewoner van het perceel. Van belang is als eerste dat het merendeel van de door eisers ervaren overlast wordt veroorzaakt door het verwerken van aardappelen ten behoeve van het loonwerkbedrijf, aardappelen die niet op het eigen perceel zijn verbouwd. Het verwerken en opslaan van aardappelen ten behoeve van het loonwerkbedrijf vallen echter niet onder het begrip agrarische nevenactiviteit. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het verwerken van aardappelen van het eigen perceel slechts een klein deel uitmaakt van het totale volume. De overige mogelijke agrarische nevenactiviteiten leiden, gelet op de beperkte omvang, het verbod op intensieve veehouderij en de ligging in een overwegend agrarische omgeving, niet tot een planologische verslechtering. Daarbij moeten de agrarische nevenactiviteiten worden afgezet tegen de activiteiten die op het perceel reeds waren toegestaan. De totale bebouwde oppervlakte voor agrarische nevenactiviteiten bedroeg feitelijk 250 m² en komt met een uitbreiding van 10% neer op 275 m², hetgeen beperkt is. Bovendien kan het perceel niet gelijktijdig voor zowel agrarische nevenactiviteiten als de toegestane bedrijfsactiviteiten worden gebruikt. Een eventuele toename van een agrarische nevenactiviteit betekent dus ook dat (de overlast van) een bedrijfsactiviteit minder wordt.


Geluidshinder

12. Eisers stellen dat het akoestisch rapport dat de partiële herziening onderbouwt, is gebaseerd op het door de derde-partij opgegeven representatief gebruik. In de praktijk blijkt dit gebruik echter niet representatief: het aantal geluidbronnen en de bedrijfstijden worden vele malen overschreden. Bij de beoordeling van planschade moet worden gekeken naar het maximaal toegestane gebruik volgens de bestemming. Door de uitbreiding van toegestane activiteiten is het gebruik van zwaar materieel sterk toegenomen, wat milieuhinder veroorzaakt en de woningwaarde van omwonenden aanzienlijk vermindert. Omdat het college en SAOZ geen onderzoek hebben gedaan naar het actuele en maximaal mogelijke gebruik, is de afwijzing van het planschadeverzoek onvoldoende onderbouwd en kan deze niet gehandhaafd blijven Eisers stellen daarnaast dat ten onrechte is aangenomen dat de nieuw te bouwen loods voldoende geluidwerend zou zijn.



12.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet op grond van het advies van de SAOZ geen reden om te veronderstellen dat de geluidhinder die mogelijk was van de voorheen ter plaatse toegestane bedrijfsactiviteiten wezenlijk anders zou zijn dan de hinder die op grond van de nieuwe planologie mogelijk is, aangezien de activiteiten qua aard en uitstraling naar de nabije omgeving vergelijkbaar zijn, zoals hiervoor al overwogen onder 7.1. Verder kon het college uitgaan van het akoestisch onderzoek dat aan het betreffende bestemmingsplan ten grondslag heeft gelegen. In de uitspraak van 6 mei 2020 heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad het akoestisch onderzoek ten grondslag heeft mogen leggen aan het wijzigingsplan.


Omvang geding



Aanvoer en opslag van grof puin en groenafval

13. Eisers stellen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de aanvoer en opslag van grof puin en groenafval, met het doel deze materialen door derden elders te laten verwerken en vervolgens te gebruiken voor loonwerk of weg- en waterbouw, onderdeel vormen van agrarisch loonwerk of weg- en waterbouwwerkzaamheden en dat geen sprake is van een nieuwe activiteit. Zij voeren aan dat de aanvoer vaak plaatsvindt met afvalcontainers die door vrachtauto’s op de verharding van het bedrijfsterrein worden geplaatst, hetgeen veel geluid veroorzaakt. Volgens eisers leidt dit tot aanzienlijke geluidhinder in hun tuin, wat afbreuk doet aan het verblijfsklimaat en daarmee aan de waarde van hun woning.



13.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Ook hiervoor geldt dat de aanvoer en opslag van grof puin en groenafval niet worden beschouwd als activiteiten die inherent of onlosmakelijk verbonden zijn met een agrarisch loonwerkbedrijf. Eventuele nadelen die worden ondervonden van dergelijke activiteiten blijven buiten de planschadebeoordeling; eisers kunnen hiervoor een verzoek om handhaving indienen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat handhavend wordt opgetreden tegen de aanvoer en opslag van groenafval.


Nieuwe transporttak van het bedrijf

14. Eisers stellen dat het college geen aandacht heeft besteed aan het ontstaan van een transporttak binnen het bedrijf, bestaande uit voertuigen die afvalcontainers vervoeren waarmee puin, groenafval en zand worden opgehaald. Dit zou blijken uit eigen onderzoek van eisers, waarin het aantal vervoersbewegingen in verband met zandtransport is bijgehouden. Volgens eisers heeft het bedrijf hierdoor de kenmerken gekregen van een goederenvervoerbedrijf, hetgeen leidt tot meer vrachtverkeer en tot geluid- en trillinghinder.



14.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft ter zitting bevestigd dat een transportbedrijf niet binnen de planologische kaders valt. Ook hier geldt dat eventuele nadelen, ondervonden van activiteiten die niet inherent of onlosmakelijk zijn verbonden met een agrarisch loonwerkbedrijf, buiten beschouwing blijven bij de planschadebeoordeling. De rechtbank stelt vast dat de feitelijke situatie niet relevant is bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade. Uitsluitend de planologische mogelijkheden onder het oude en het nieuwe regime zijn van belang, ongeacht of en in hoeverre deze mogelijkheden feitelijk worden benut. Of het aantal vervoersbewegingen feitelijk is toegenomen, kan daarom niet bij de beoordeling worden betrokken.


Richtafstanden

15. Eisers stellen dat het bestemmingsplan destijds niet behoorlijk is vastgesteld omdat geen rekening is gehouden met de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering.



15.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat bij de beoordeling in deze zaak uitsluitend relevant is welke maximale mogelijkheden het oude en het nieuwe planologische regime bieden. Of bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening is gehouden met de aanbevolen richtafstanden, is hierbij niet van belang.


Voorzienbaarheid

16. Eisers stellen dat de SOAZ onterecht heeft geconcludeerd dat zij bij de aankoop al rekening dienden te houden met het feit dat de toegelaten werkzaamheden van het loonwerkersbedrijf niet alleen beperkt waren tot agrarisch gerelateerde activiteiten, maar ook betrekking hadden op weg- en waterbouw.



16.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in het advies van de SOAZ geen conclusies zijn getrokken over de voorzienbaarheid. In het advies is een overweging over de voorzienbaarheid opgenomen, maar daarin worden geen conclusies getrokken. Er wordt vermeld dat, indien sprake zou zijn van planologisch nadeel en schade, er nader zou worden ingegaan op de voorzienbaarheid. Omdat de SAOZ vervolgens concludeert dat geen sprake is van schade of nadeel, is dat echter niet gebeurd. Eisers hebben hierin ten onrechte een conclusie over de voorzienbaarheid gelezen.




Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht kon besluiten tot afwijzing van de aanvraag van eisers voor tegemoetkoming in planschade. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RVS:2020:1190.



ECLI:NL:RVS:2025:3690.


Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 8.3 en 8.4.


ECLI:NL:RBGEL:2017:258.


SOAZ ‘Planschade Advies’, p. 22.


ECLI:NL:RVS:2025:3690.



ECLI:NL:RVS:2020:1190
Link naar deze uitspraak