|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2025:8565 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-11-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 24-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | C-01-391045 - HA ZA 23-17 C-01-391045 - HA ZA 23-17 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Handelszaak. Deskundigenbericht vonnis 1e fase (5 november 2025) en 2e fase (11 maart 2026). Besluitaansprakelijkheid. Bouwvergunning 1e fase voor melkveehouderij ten onrechte geweigerd. Onderzoek naar de marktomstandigheden, de financiering, de grond, de natuurvergunningen en het businessplan in de hypothetische situatie. Beslissingen over de grenzen van de rechtsstrijd; de formele rechtskracht; (voorshands) onrechtmatig handelen vanaf het einde van de wettelijke beslistermijn; de leer van het hypothetisch rechtmatig besluit en causaal verband c.s.q.n.; twee peildata. | | Trefwoorden | : | bouwvergunning | | | gewassen | | | koeien | | | landbouw | | | melkquotum | | | melkveehouderij | | | mestafzet | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/391045 / HA ZA 23-178
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van
PEBE LANDBOUW BEHEER B.V.,
te Maashorst,
eisende partij,
hierna te noemen: PEBE,
advocaat: mr. M.J.G. Pennings,
tegen
GEMEENTE MAASHORST,
te Uden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente, waarmee de rechtbank ook de relevante voorgangers bedoelt,
advocaat: mr. H.X. Botter.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 juni 2023
- de mondelinge behandeling van 17 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, waarbij de advocaten spreekaantekeningen en producties hebben overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
PEBE heeft al vele jaren een melkveehouderij (geiten).
2.2.
PEBE heeft in 2010 bij de gemeente een bouwvergunning aangevraagd. De bouwvergunning had betrekking op een (stal voor een) grote grondgebonden melkveehouderij (900 koeien). “Grondgebonden” betekent in deze context dat de onderneming beschikt over voldoende grond voor het telen van de gewassen (maïs) die de dieren eten.
2.3.
De gemeente heeft de vergunning geweigerd. Partijen hebben daarna gedurende bijna 10 jaar geprocedeerd bij de bestuursrechter. De bestuursrechter heeft in de loop van talrijke procedures zes keer een besluit van de gemeente vernietigd. Uiteindelijk heeft de gemeente de bouwvergunning verleend na de laatste beslissing van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelde vast dat 189 hectare grond vereist was voor de grondgebonden onderneming.
2.4.
De gemeente heeft door de weigering van de bouwvergunning onrechtmatig gehandeld.
2.5.
Het melkquotum is in april 2015 afgeschaft. Een regeling voor fosfaatrechten is op 2 juli 2015 ingevoerd.
3Het geschil
3.1.
PEBE vordert na eiswijziging samengevat:
1) verklaring voor recht dat de gemeente zich onrechtmatig heeft gedragen jegens PEBE zoals geschetst in het lichaam van de dagvaarding en dat Maashorst gehouden is tot schadevergoeding aan PEBE
2) primairveroordeling van Maashorst tot de betaling van een schadevergoeding ten belope van
€ 16.846.368,- over de periode tot en met 1 juli 2025, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen schadevergoeding over die periode, te vermeerderen met een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, over de periode na 1 juli 2025, alsmede de fiscale schade en de P.M. posten zoals genoemd in de aanvullende schaderapportage van [A] , tot en met de datum waarop PEBE beschikt over een volledig operationele melkrundveestal, althans een in goede justitie te bepalen datum, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening
2) subsidiair
veroordeling van Maashorst tot de betaling van een schadevergoeding op te maken en vereffenen volgens de wet in een schadestaatprocedure waarbij voor wat betreft de fosfaatrechten geldt dat Maashorst wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding tegen de dagkoers van 34.663 kilogram fosfaatrechten op het moment van het te wijzen vonnis in de schadestaatprocedure;
3) voor het geval van toewijzing van 2) subsidiair: voorschot op de schadevergoeding van € 10.000.000,- dan wel een in goede justitie betalen voorschot
4) proceskosten, wettelijke rente en nakosten.
3.2.
De gemeente voert verweer. De gemeente concludeert tot niet-ontvankelijkheid van PEBE, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van PEBE, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van PEBE in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat PEBE haar stellingen wat betreft het thema causaal verband voorshands voldoende heeft gemotiveerd en dat de gemeente de standpunten van PEBE op dit gebied voorshands voldoende heeft betwist. Partijen hebben over en weer rapporten van externe deskundigen overgelegd.
De rechtbank merkt in deze context het volgende op.
a. PEBE heeft aandacht besteed aan (i) haar eigen positie als succesvolle onderneming met goede relaties en (ii) belangrijke marktontwikkelingen in de periode 2010-2015 en verder: haar standpunt wat de markt betreft is dat talrijke agrarische ondernemers in de relevante periode, door de afschaffing van het melkquotum, kansen zagen, voorbereidingen troffen en uiteindelijk succesvolle ondernemingen hebben opgebouwd.
De gemeente heeft benadrukt dat de voorgenomen onderneming niet rendabel/levensvatbaar zou zijn geweest door hoge kosten die samenhangen met:(i) de grote omvang ervan, dus een andere management- en arbeidsorganisatie(ii) de intensieve aard ervan, dus hoge voerkosten, mestafzetkosten en mestverwerkingskosten(iii) de behoefte aan personeel, dus betaalde arbeidsuren(iv) de opstartfase die moest worden doorlopen(v) naar verwachting een lagere melkprijs (in de beginjaren)(vi) sterke afhankelijkheid van pachtgronden tegen een hoge pachtprijs.
Partijen zijn het erover eens dat het voor de vraag of de onderneming / uitbreiding levensvatbaar en rendabel zou zijn, cruciaal is of er op 2 juli 2025 (de fosfaatdeadline) een stal met 900 koeien (althans een substantieel aantal) had gestaan, omdat PEBE dan fosfaatrechten had ‘gekregen’, terwijl zij die nadien moest kopen.
4.2.
De rechtbank overweegt een onderzoek door een deskundige/deskundigen in te laten stellen. De rechtbank houdt vooralsnog rekening met een onderzoek in twee fases:
- fase 1: causaal verband, in het bijzonder wat betreft de marktomstandigheden, financiering en vergunningen (zie de vragen hierna)
- fase 2 (indien nodig): begroting of schatting van schadeposten.
De rechtbank merkt voor de duidelijkheid op dat een schadestaatprocedure niet voor de hand ligt omdat de huidige lopende procedure toch al belangrijke kenmerken van een schadestaat heeft (het onrechtmatig handelen staat al vast).
4.3.
Voordat de rechtbank het onderzoek in fase 1 beveelt, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over:
- de wenselijkheid van een deskundigenbericht;
- het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n);
- de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
De rechtbank heeft de keuze gemaakt om dit vonnis in beknopte bewoordingen op te schrijven om de vaart in de procedure te houden. Dit aspect weegt zwaar omdat de rechtbank een onderzoek aankondigt dat veel tijd en energie kan kosten.
4.4.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat in fase 1 drie deskundigen moeten worden benoemd:- één deskundige/voorzitter die thuis is op het gebied van de marktomstandigheden voor melkveehouderijen (koeien) in de periode vanaf 2010 tot en met heden
- één deskundige die thuis is op het gebied van de bancaire financiering van agrarische ondernemingen in de melkveehouderij in de periode 2010 tot en met heden
- één deskundige die thuis is op het gebied van het regelgevend kader voor milieuvergunningen en natuurvergunningen voor agrarische ondernemingen in de melkveehouderij in de periode 2010 tot en met heden.
4.5.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat in fase 1 de volgende vragen moeten worden gesteld:
1. Hoe zou de vergunning eruit hebben gezien, op basis van de aanvraag zoals die is ingediend? Zouden er voorwaarden aan zijn gekoppeld? Zo ja, welke?Wilt u zich uitlaten over de termijn waarbinnen de gemeente had moeten beslissen op de aanvraag van 30 september 2010? Wat is gebruikelijk? Waarvan is de termijn afhankelijk? Kunt u dit toetsen aan de feiten in deze kwestie?
2. Wilt u de volgende vragen beantwoorden, uitgaande van de hypothetische situatie dat de gemeente de bouwvergunning (eerste fase) tijdig (conform uw beantwoording van vraag 1 hiervoor, januari 2011 of september 2012) zou hebben verleend:a. Wilt u de situatie in de markt voor melkveehouderijen beschrijven in de jaren 2011-2025? PEBE stelt dat talrijke agrarische ondernemers in die periode, door de afschaffing van het melkquotum, kansen zagen, voorbereidingen troffen en uiteindelijk succesvolle ondernemingen hebben opgebouwd. Kunt u zich hierover uitlaten?
b. Zou PEBE in 2011-2015 naar verwachting een rendabel en levensvatbaar businessplan hebben opgesteld en uitgevoerd, rekening houdend met alle nodige reële kosten, zoals in elk geval grond, management, arbeid, voer, mestafzet en mestverwerking?
Wilt u bij de beantwoording in het bijzonder rekening houden met deze punten:
(i) Kon PEBE in de relevante periode (bijvoorbeeld 2011-2015) beschikken over 189 hectare grond voor het telen van gewassen binnen een straal van 25 kilometer? Zo ja, hoe? Welke rol speelt een eventuele mogelijkheid om tijdelijk minder geiten te houden (zoals PEBE beschrijft)?
(ii) Hoe beoordeelden de banken financieringsaanvragen voor een agrarische onderneming in de melkveehouderij in de periode 2011-2015?
Wat voor afwegingen maakten zij?
Hoe zou een bank een financieringsaanvraag van PEBE in die periode hebben beoordeeld?
Welke gegevens zou u daarbij nodig hebben en welke factoren zouden relevant bij het beoordelen van een aanvraag?
Kunt u iets zeggen over de duur van het doorlopen van het financieringstraject, dus vanaf het moment van de eerste benadering tot aan het moment van het daadwerkelijk ter beschikking stellen van de benodigde financiering (van circa € 4.000.000)?
(iii) Wilt u, bij de beantwoording van de vragen onder (ii) hiervoor over de financiering, aandacht besteden aan deze mogelijkheden:
- De mogelijkheid dat een vereiste (artikel 19d) natuurvergunning nog niet was verleend.
Hoe zou een bank deze mogelijkheid hebben afgewogen en beoordeeld?
Zou het hebben van de natuurvergunning een voorwaarde zijn voor het verstrekken van de financiering? Was er in die tijd (bijvoorbeeld 2011-2015) in de praktijk handhaving in geval van bouwen zonder natuurvergunning en zou de bevoegde instantie hebben gehandhaafd?
Waren de banken op de hoogte van de handhavingspraktijk en hoe gingen zij daarmee om?
- De mogelijkheid dat saldering (in de geitenhouderij) kon worden toegepast zodat de vereiste natuurvergunning kon worden verleend.
- De mogelijkheid van een PAS-melding (Programma Aanpak Stikstof).
3. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
4.6.
De rechtbank is voornemens in fase 1 de deskundigen te vragen eerst een schriftelijk rapport uit te brengen over de gestelde vragen. De rechtbank houdt er rekening mee dat een mondelinge behandeling daarna nodig zal zijn voor:- debat tussen de advocaten en partijen
- een nadere toelichting door de deskundigen- interactie tussen de deskundigen en de deskundige adviseurs van partijen.
De rechtbank verneemt graag van partijen over de vraag of zo’n mondelinge behandeling nodig zal zijn en, zo ja, wanneer de mondelinge behandeling kan worden gepland om onnodige vertraging te voorkomen.
4.7.
De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om voor fase 1 het voorschot op de kosten van de deskundige(n) gelijkelijk over partijen te verdelen. Partijen moeten daarom ieder de helft van dit voorschot betalen. Enerzijds staat het onrechtmatig handelen van de gemeente in beginsel vast als gevolg van de beslissingen van de bestuursrechter. Anderzijds rusten stelplicht en bewijslast van causaal verband en schade op PEBE.
4.8.
In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundigen moet betalen.
4.9.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de personen die in fase 1 als deskundigen gaan optreden. Voor zover partijen daarover geen overeenstemming kunnen bereiken en om die reden iedere partij deskundigen voorstelt, moeten partijen gemotiveerd aangeven waarom zij de voorkeur geven aan de door henzelf voorgestelde deskundigen en waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige(n) niet voor benoeming in aanmerking mag/mogen komen. Daarbij valt te denken aan zwaarwegende redenen als gebrek aan deskundigheid of gerechtvaardigde twijfels met betrekking tot de onpartijdigheid van de deskundige(n). Die zwaarwegende redenen moeten worden onderbouwd. De rechtbank zal dan, na weging van de onderbouwing vóór en tegen de benoeming van (een) potentiële deskundige(n), door partijen aangedragen deskundigen of eigen deskundigen benoemen.
4.10.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich hierover bij akte kunnen uitlaten. Partijen moeten de concept-akte uiterlijk een week vóór de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij in hun definitieve akte op de akte van de wederpartij kunnen reageren.
4.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 17 december 2025 om beide partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten over het aangekondigde deskundigenbericht, in het bijzonder over het bepaalde in r.o. 4.2 t/m 4.6,
5.2.
bepaalt dat partijen elkaar uiterlijk een week vóór de genoemde roldatum de concept-akte moeten toesturen, zodat zij ieder in hun eigen akte nog kunnen reageren op de standpunten van de wederpartij,
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|