Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:2942 
 
Datum uitspraak:24-03-2026
Datum gepubliceerd:24-03-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:24-3031
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort niet bevoegd is om ambtshalve de omgevingsvergunningen milieu van Circuit Zandvoort te actualiseren. De revisievergunning is verleend door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland. Een actualisatie van een verleende omgevingsvergunning milieu op grond van artikel 2.30 en 2.31 Wabo betreft een complementaire (aanvullende) bevoegdheid ten opzichte van de verlening van die vergunning. Dat betekent dat alleen het bevoegd gezag dat de omgevingsvergunningen milieu (waaronder de revisievergunning) heeft verleend aan Circuit Zandvoort die vergunningen en de daaraan verbonden voorschriften daarna (ambtshalve) kan aanpassen of intrekken. Dit is vergelijkbaar met bijvoorbeeld een ambtshalve intrekking van een verleende omgevingsvergunning op grond van artikel 2.33 en 5.19 Wabo. Onder de Omgevingswet is dit niet veranderd. De rechtbank ziet ook in artikel 2.4, vijfde lid, Wabo een bevestiging van haar standpunt. In het geval geen sprake zou zijn geweest van een ambtshalve actualisatie maar van een aanvraag, beslist immers op grond van het vijfde lid ook het bevoegd gezag dat de geldende omgevingsvergunning heeft verleend op elke aanvraag die betrekking heeft op een project dat zal worden of wordt uitgevoerd op de plaats ten aanzien waarvan die vergunning is verleend. Onder de Omgevingswet wijzigt ook die systematiek niet, omdat in artikel 4.16, eerste lid, van het Omgevingsbesluit, ter uitvoering van artikel 5.13 van de Omgevingswet een vergelijkbare bepaling als artikel 2.4, vijfde lid, Wabo is opgenomen. Dat betekent dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland en niet het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort bevoegd was tot actualisatie van de omgevingsvergunningen milieu van het Circuit Zandvoort. De beroepen zijn daarom gegrond. Omdat het bestreden besluit tot actualisatie van de omgevingsvergunning milieu wordt vernietigd gaan de oude vergunningen van het Circuit Zandvoort weer gelden (herleven).
Trefwoorden:geluidshinder
omgevingsvergunning
varkens
wabo
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 24/3031, 24/3583, 24/3584, 24/3585, 24/3781, 24/3789
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaken tussen
1. zaak 24/3781) de besloten vennootschap Exploitatie Circuit Park Zandvoort B.V., uit Zandvoort, hierna: Circuit Zandvoort,
gemachtigden: mr. J. Tingen en mr. A. Collignon, advocaten te Amsterdam,
2. ( zaak 24/3789) de vereniging Vereniging Minder Herrie Circuit, uit Haarlem , hierna: de Vereniging,
en 35 in bijlage 1 bij deze uitspraak genoemde natuurlijke personen, hierna: [naam 1] e.a., tezamen: de Vereniging e.a,
gemachtigde: mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem,
3. ( zaak 24/3585) de stichting Stichting Rust bij de Kust, uit Haarlem, hierna: Stichting RbdK,
gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,
4. ( zaak 24/3031) de stichting Stichting Vrienden van Middenduin, uit Overveen, hierna: Stichting Middenduin,
gemachtigde: [naam 10] ,
5. ( zaak 24/3584) [eiser], uit Zandvoort, hierna: [eiser] ,
6. ( zaak 24/3583) de stichting Stichting Duinbehoud, uit Leiden, hierna: Stichting Duinbehoud,
gemachtigde: [directeur] , directeur,
gezamenlijk te noemen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort,
gemachtigde: mr. A.J.P. Beemster, in dienst van de Omgevingsdienst IJmond.

Als derde-partij neemt aan de zaken van eisers 2 tot en met 6 deel: Circuit Zandvoort, uit Zandvoort
gemachtigden: mr. J. Tingen en mr. A. Collignon, advocaten te Amsterdam.

Als derde-partijen nemen aan de zaak van eiseres 1 deel:

Vereniging e.a., uit Haarlem,
gemachtigde: mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem,

Stichting RbdK, uit Haarlem,
gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

Stichting Middenduin, uit Overveen,
gemachtigde: [naam 10] ,


[eiser]
, uit Zandvoort,

Stichting Duinbehoud, uit Leiden,
gemachtigde: [directeur] , directeur.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot ambtshalve actualisatie van de aan Circuit Zandvoort eerder in 1997 en nadien verleende (wijzigings)omgevingsvergunningen milieu voor het racecircuit in Zandvoort.

1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet bevoegd is om ambtshalve de omgevingsvergunningen milieu van Circuit Zandvoort te actualiseren en dat het besluit niet in stand kan blijven. Dat betekent dat de oude vergunningen herleven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 wordt de achtergrond van deze procedure beschreven. Onder 4 wordt het bestreden besluit samengevat. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. De rechtbank bespreekt eerst of het beroep van Circuit Zandvoort ontvankelijk is. Onder 6 bespreekt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van de Vereniging e.a. Onder 7 beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van [naam 1] e.a. die het beroep samen met de Vereniging hebben ingediend. Onder 8 beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van Stichting Duinbehoud. Onder 9 staat de conclusie over de ontvankelijkheid van partijen. Onder 10 bespreekt de rechtbank het overgangsrecht. Onder 11 beoordeelt de rechtbank of het college bevoegd was om het bestreden besluit te nemen. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.



1.3.
Enige, in de uitspraak verkort aangehaalde, wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in bijlage 2 bij deze uitspraak.




Procesverloop


2.1
Na bekendmaking van een ontwerpbesluit op 30 november 2023 heeft het college in het bestreden besluit van 30 mei 2024 heeft ambtshalve de aan Circuit Zandvoort verleende omgevingsvergunningen milieu geactualiseerd en in één document samengebracht.



2.2
Stichting Middenduin heeft op 13 juni 2024 daartegen beroep ingesteld (HAA 24/3031).



2.3
Stichting Duinbehoud heeft op 3 juli 2024 beroep ingesteld (HAA 24/ 3583).



2.4
Stichting RbdK en [eiser] hebben op 4 juli 2024 beroepen ingesteld (HAA 24/3585 en 24/3584).



2.5
De Vereniging e.a,, hebben op 9 juli 2024 beroep ingesteld (HAA 24/3789).



2.6
Circuit Zandvoort heeft op 11 juli 2024 beroep ingesteld (HAA 24/3781).



2.7
Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften van 24 februari 2025, 8 september 2025 en 31 december 2025.



2.8
De Vereniging e.a. hebben op 21 mei 2025 en op 7 november 2025 de rechtbank verzocht om als derde-belanghebbende te mogen deelnemen aan de beroepszaken van de andere eisers.



2.9
De rechtbank heeft op 18 november 2025 de Vereniging e.a. geïnformeerd dat zij alleen als derde-belanghebbende kunnen deelnemen aan het beroep van Circuit Zandvoort.



2.10
De rechtbank heeft de overige eisers op 18 november 2025 gevraagd of zij als derde-belanghebbende wensen deel te nemen aan het beroep van Circuit Zandvoort. Alle overige eisers hebben daar bevestigend op geantwoord, behalve [eiser] . Op 9 december 2025 heeft de rechtbank schriftelijk bevestigd dat zij als derde-belanghebbenden aan het beroep van Circuit Zandvoort deelnemen. [eiser] heeft op de zitting van 13 januari 2026 alsnog verzocht om als derde-belanghebbende deel te nemen aan het beroep van Circuit Zandvoort. Dat verzoek heeft de rechtbank ingewilligd.



2.11
Op 17 december 2025 heeft Circuit Zandvoort gereageerd op de verweerschriften.



2.12
Op 31 december 2025 heeft Stichting RbdK op het beroep van Circuit Zandvoort gereageerd.



2.13
De rechtbank heeft de beroepen op 13 januari 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: - namens Circuit Zandvoort: de gemachtigden mr. J. Tingen en mr. A. Collignon en [naam 2] , directeur van Circuit Zandvoort, [naam 3] , [naam 4] , [adviseur 1] en [adviseur 2] , beiden adviseur bij ingenieursbureau Peutz Group N.V.; - namens de Vereniging e.a.: de gemachtigde mr. J.E. Dijk, [naam 1] , [deskundige 4] , deskundige in dienst van de Nederlandse Stichting Geluidshinder en [deskundige 3] , als deskundige werkzaam voor [deskundige 3] Audiologie; - namens Stichting RbdK: de gemachtigde mr. A.M. van Eik, vergezeld door [naam 9] , voorzitter, en [deskundige 3] , deskundige van [deskundige 3] Audiologie;
- namens Stichting Middenduin: gemachtigde [naam 10] . Namens Stichting Duinbehoud, de directeur [directeur] ;- namens het college: de gemachtigde mr. A.J.P. Beemster, vergezeld door [geluidsdeskundige 1] , geluidsdeskundige bij de Omgevingsdienst IJmond en [geluidsdeskundige 2] , geluidsdeskundige van het geluidsbureau M+P. Voorts heeft deelgenomen [eiser] .



2.14
Na de zitting en zoals afgesproken op de zitting heeft Stichting Middenduin een machtiging aan de rechtbank gestuurd, waarin staat dat [naam 10] door de gezamenlijk handelende penningmeester en secretaris van de Stichting is gemachtigd om in bezwaar en beroep het belang van de Stichting te behartigen en de Stichting te vertegenwoordigen.




Achtergrond van deze procedure


3.1
Circuit Zandvoort exploiteert sinds 1948 het racecircuit in Zandvoort. De exploitatie bestaat uit het jaarrond gebruiken van het circuit met auto’s en andere voertuigen voor wedstrijden, trainingen, scholing, beproevingen, demonstraties, recreatie en films- en televisieproducties. Ook vinden grootschalige publieksevenementen plaats zoals de Dutch Grand Prix.



3.2
Op 12 september 1997 hebben gedupeerde staten van Noord-Holland een revisievergunning op grond van (het toenmalige) artikel 8.4 van de Wet milieubeheer (Wm) aan Circuit Zandvoort verleend. In die vergunning zijn onder meer geluidsemissiegrenswaarden voor de inrichting het circuit in Zandvoort neergelegd. De revisievergunning hebben gedeputeerde staten daarna verschillende malen gewijzigd namelijk bij besluiten van 9 november 2001, 2 januari 2006, 9 juni 2006 en op 4 februari 2011.



3.3
Met de besluiten van 23 december 2019 en 31 juli 2023 heeft ook het college de revisievergunning en de wijzigingsbesluiten met omgevingsvergunningen beperkte milieutoets gewijzigd.



3.3
Het college heeft op 30 november 2023 het ontwerpbesluit gepubliceerd. Tegen dit ontwerpbesluit hebben (voor zover van belang), [eiser] , [naam 1] (mede namens [naam 13] en [naam 14] ), Stichting Duinbehoud, Stichting RbdK en Stichting Middenduin zienswijzen ingediend.




Het bestreden besluit

4. Het college heeft met het bestreden besluit ambtshalve de revisievergunning zelf in stand gelaten, maar alle voorschriften en begripsbepalingen van alle omgevingsvergunningen milieu van Circuit Zandvoort vanaf 12 september 1997 tot heden ingetrokken en op grond van artikel 2.30 en 2.31 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) nieuwe begripsbepalingen en voorschriften aan de vergunning van 12 september 1997 verbonden. Het college heeft het besluit (samengevat) als volgt gemotiveerd. Bij de overdracht van het vergunningendossier van Circuit Zandvoort vanuit gedeputeerde staten aan het college werd het college geconfronteerd met onoverzichtelijke omgevingsvergunningen. Het college achtte zich gehouden om de voorschriften van de verschillende vergunningen bij elkaar te brengen in een overzichtelijke omgevingsvergunning. Dit te meer omdat een aantal in de vergunning genoemde technische documenten achterhaald was. Daarnaast heeft het college ook bezien of er gewijzigde inzichten bestaan ten opzichte van de normstellingen in de voorschriften en om die reden enkele voorschriften gewijzigd.



Beoordeling door de rechtbank


Ontvankelijkheid beroep Circuit Zandvoort


5.1
Het college stelt dat het beroep van Circuit Zandvoort niet-ontvankelijk is op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat Circuit Zandvoort geen zienwijze tegen het ontwerpbesluit heeft ingediend. Circuit Zandvoort is als vergunninghouder nadrukkelijk gewezen op de mogelijkheid tot het naar voren brengen van een zienswijze. De “Varkens in Nood-jurisprudentie” van de Raad van State behoort volgens het college in deze situatie buiten toepassing te blijven. Circuit Zandvoort kan namelijk niet worden aangemerkt als “lid van het betrokken publiek” zodat zij zich niet kan beroepen op de uit de jurisprudentie voortvloeiende beschermende werking. Met “leden van het betrokken publiek” worden belanghebbende (derde) (rechts)personen bedoeld, maar niet de vergunninghouder. Circuit Zandvoort is de direct betrokken normadressaat en vergunninghouder. Weliswaar heeft de Raad van State categorisch belanghebbenden onder de werking van de “Varkens in Nood-jurisprudentie” geschaard, maar meer specifiek gaat het dan om buitenstaanders, zoals: burgers en collectieve belangenbehartigers. Ook is volgens het college bij dit actualisatiebesluit geen sprake van een Aarhus-besluit. Niet wordt voldaan aan de hiervoor geldende criteria: er is niet sprake van een besluit waarvoor een m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapport is vereist; het besluit staat niet vermeld op de lijst genoemd in Bijlage I van het verdrag; ook anderszins is geen sprake van een besluit met aanzienlijke effecten op het milieu.



5.2.
De rechtbank is met Circuit Zandvoort van oordeel dat haar beroep ontvankelijk is en legt dit als volgt uit. De Raad van State heeft in de uitspraak van 14 april 2021 geoordeeld dat het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Varkens in Nood over toegang tot de rechter bij besluiten die binnen de werkingssfeer van artikel 6 van het Verdrag van Aarhus vallen (hierna: Aarhus-besluiten) niet alleen geldt voor non-gouvernementele organisaties, maar voor "het betrokken publiek" in het algemeen. De Raad van State concludeert daarom dat op basis van dit arrest in ieder geval het recht van belanghebbenden om beroep in te stellen tegen Aarhus-besluiten, niet afhankelijk mag worden gesteld van deelname aan de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat voor belanghebbenden het beroepsrecht tegen dit soort besluiten niet afhankelijk mag worden gesteld van de in artikel 6:13 Awb neergelegde regel die inhoudt dat geen beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht.
Vervolgens heeft de Raad van State geoordeeld dat de beoordeling in de praktijk of een besluit een Aarhus-besluit is, erg gecompliceerd zal zijn en dat het steeds uitvoeren van die toets voor de rechtspraktijk onwerkbaar wordt. In afwachting van een oplossing door de wetgever, heeft de Raad van State daarom gekozen voor een uit oogpunt van rechtsbescherming ruimhartige uitleg van het verdrag, vooral ook om te verzekeren dat het uit het verdrag voorvloeiende recht op toegang tot de rechter niet een te beperkte invulling krijgt. Daarom wordt in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet worden tegengeworpen aan belanghebbenden.



5.3
De vraag of wel of niet sprake is van een Aarhus-besluit en of Circuit Zandvoort aan te merken is als het “betrokken publiek”, is dus niet relevant. Gelet op de ruimhartige uitleg van het verdrag wordt ten aanzien van een omgevingsrechtelijk besluit, aan een belanghebbende niet tegengeworpen dat hij geen zienswijze heeft ingediend. Vast staat dat het bestreden besluit tot actualisatie van de omgevingsvergunning milieu van Circuit Zandvoort een omgevingsrechtelijke zaak betreft. Daarnaast is Circuit Zandvoort belanghebbende, zodat op grond van deze jurisprudentie niet aan Circuit Zandvoort kan worden tegengeworpen dat zij geen zienswijze heeft ingediend. Haar beroep is dus ontvankelijk.


Ontvankelijkheid beroep van de Vereniging



6.1
Het college stelt dat het beroep van de Vereniging niet-ontvankelijk is. Daartoe voert het college onder meer aan dat de vereniging bij het indienen van het beroep nog in oprichting was.



6.2
De rechtbank oordeelt als volgt. Ten tijde van het indienen van het beroep op 9 juli 2024 was de Vereniging nog in oprichting. Pas op 2 augustus 2024 is de oprichtingsakte bij de notaris gepasseerd, zo blijkt uit de overgelegde statuten van de vereniging. Een vereniging in oprichting is (nog) geen rechtspersoon en kan geen beroep instellen. Aan de stelling dat er voordien reeds een tot optreden in rechte bevoegde informele vereniging bestond (waarvan de Vereniging de voortzetting zou zijn) gaat de rechtbank voorbij, omdat die stelling niet is onderbouwd. Dat betekent dat het beroep van de Vereniging niet-ontvankelijk is.


Ontvankelijkheid beroep van [naam 1] e.a

7. Ten aanzien van de beroepen van [naam 1] e.a. die gelijk met het beroep van de Vereniging zijn ingediend, oordeelt de rechtbank als volgt. Het college wijst erop dat niet alle natuurlijke personen zienswijzen hebben ingediend. Niet in geschil is dat in ieder geval één persoon in Zandvoort woont en gevolgen van enige betekenis van het bestreden besluit ondervindt en daarom belanghebbende is. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.2 e.v. is overwogen kan hem daarom artikel 6:13 Awb dus niet worden tegengeworpen.
Daarnaast hebben twee natuurlijke personen die zelfstandig beroep hebben ingesteld, wel een zienswijze ingediend, namelijk [naam 1] en [naam 13] . Op grond van het Verdrag van Aarhus kunnen zij in beroep komen, ook al zouden zij geen belanghebbende zijn. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat in ieder geval de beroepen ingediend door deze 3 personen ontvankelijk zijn. Of ook de beroepen van de andere natuurlijke personen ontvankelijk zijn, laat de rechtbank daarom uit proceseconomische overwegingen buiten bespreking.


Ontvankelijkheid beroep Stichting Duinbehoud



8.1
Het college stelt dat het beroep van de Stichting Duinbehoud niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat haar statutaire doelstelling te veelomvattend is en voor een te groot gebied geldt. De statutaire doelstelling is onvoldoende onderscheidend om op grond daarvan te kunnen aannemen dat het statutaire belang van Stichting Duinbehoud rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit.



8.2
Stichting Duinbehoud stelt dat haar beroep ontvankelijk is. Stichting Duinbehoud is een belangenorganisatie die al vele jaren actief is in de kustzone van Nederland. De Stichting wordt regelmatig gevraagd door overheden en terreinbeheerders om een bijdrage te leveren aan beleidsvorming over en beheer van natuur, milieu en landschap in de kustzones. In de statuten van Stichting Duinbehoud is het werk en het beleidsveld specifiek benoemd. De bemoeienis van de stichting, zo voert zij aan, met het circuit dateert al uit de vorige eeuw en komt voort uit de gespannen verhouding tussen de activiteiten op het circuit en het omliggende Natura 2000-gebied.



8.3
Naar het oordeel van de rechtbank is de statutaire doelstelling van de Stichting voldoende specifiek. Uit artikel 2 van de statuten van de Stichting Duinbehoud volgt dat het doel van de Stichting, onder meer, is het bevorderen van het behoud en het herstel van het natuurlijke milieu in het Nederlandse duingebied en aangrenzende gebieden ten behoeve van flora, fauna en landschap en ten behoeve van natuurbeleving. Ook staat daarin opgenomen dat het werkveld van de Stichting de gehele Nederlandse kustzone beslaat. Dat is weliswaar een groot gebied, maar voldoende afgebakend. Daar valt dus het duingebied van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland, dat grenst aan het terrein van het circuit Zandvoort, ook onder. Dit doel wil de Stichting, zo blijkt verder uit haar statuten, bereiken door alle legale middelen in de ruimste zin die daarmee verband houden of bevorderlijk zijn. Niet is in geschil dat de stichting werkzaamheden verricht gericht op het duingebied nabij het circuit in Zandvoort. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Stichting Duinbehoud wel belanghebbende is en het beroep dus ontvankelijk is.


Conclusie ontvankelijkheid beroepen



9.1
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat alleen het beroep van de Vereniging niet-ontvankelijk is. De beroepen van enkele van de natuurlijke personen zijn wel ontvankelijk. De ontvankelijkheid van de andere natuurlijke personen laat de rechtbank uit proceseconomische overwegingen in het midden.



9.2
De rechtbank heeft ambtshalve ook de beroepen van [eiser] , Stichting RbdK en Stichting Middenduin beoordeeld en komt tot de conclusie dat die beroepen ook ontvankelijk zijn. De alsnog overgelegde machtiging van de Stichting Middenduin merkt de rechtbank als rechtsgeldig aan, zodat ook het beroep namens die partij bevoegd is ingesteld.


Overgangsrecht

10. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 Awb van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 4.4, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. Het ontwerpbesluit tot actualisatie van de revisievergunning is ter inzage gelegd op 30 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en de daarbij horende uitvoeringsbesluiten, zoals die golden vóór 1 januari 2024, nog op de beoordeling in beroep van toepassing zijn.


Bevoegdheid college



11.1
Mede gelet op de beroepsgrond die de natuurlijke personen samen met de Vereniging aanvoeren, dat het college niet bevoegd was om tot actualisatie van de revisievergunning over te gaan, dient de rechtbank eerst ambtshalve te onderzoeken of het college bevoegd is het bestreden besluit te nemen.



11.2
De natuurlijke personen stellen dat het college niet bevoegd was en wijzen in hun beroep op artikel 2.4, tweede lid, Wabo, gelezen in samenhang met categorie 19.2 van bijlage 1, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 3.3. Bor is aanvullend daarop bepaald dat gedeputeerde staten voor wat betreft bijlage 1 onderdeel C bevoegd gezag zijn, voor zover het activiteiten betreft met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. Daarbij is niet de vraag of sprake is van een drempelwaarde bepalend, maar de aard van de installatie. Binnen het Circuit zijn volgens die eisers een of meer IPPC-installaties gevestigd. Tot slot wijzen die eisers op artikel 2.4, vijfde lid, Wabo en stellen dat ook op die grond gedeputeerde staten bevoegd zijn en niet het college. Gedeputeerde staten waren in het verleden ook steeds het bevoegd gezag bij eerdere omgevingsvergunningen milieu voor de inrichting van Circuit Zandvoort.



11.3
Het college voert aan dat zij wel bevoegd is. In artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, Bor is bepaald dat inrichtingen ten aanzien waarvan in bijlage 1, onderdeel C, van het Bor is bepaald dat gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn én waartoe een IPPC-installatie behoort onder de bevoegdheid van gedeputeerde staten vallen. Die twee vereisten gelden dus cumulatief. Weliswaar is in categorie 19.2 van bijlage 1, onderdeel C, ten aanzien van inrichtingen als het Circuit bepaald dat gedeputeerde staten het bevoegde gezag zijn, maar niet wordt voldaan aan het cumulatief geldende vereiste dat tot het circuit ook een IPPC-installatie behoort als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, Wabo. Het college acht zich daarom op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wabo het bevoegd gezag.



11.4
De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 2.4, eerste lid, Wabo bepaalt als hoofdregel dat burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid. Uit het vijfde lid volgt dat het bevoegd gezag met betrekking tot een geldende omgevingsvergunning beslist op elke aanvraag die betrekking heeft op een project dat zal worden of wordt uitgevoerd op de plaats ten aanzien waarvan die vergunning is verleend.
De rechtbank constateert dat beide bepalingen niet van toepassing zijn omdat hier geen sprake is van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, maar van een ambtshalve actualisatie van een reeds verleende omgevingsvergunning milieu.



11.5
Een actualisatie van een verleende omgevingsvergunning milieu op grond van artikel 2.30 en 2.31 Wabo betreft een complementaire (aanvullende) bevoegdheid ten opzichte van de verlening van die vergunning. Oftewel, alleen het bevoegd gezag dat de omgevingsvergunning milieu (de revisievergunning) heeft verleend aan Circuit Zandvoort, kan die vergunning en de daaraan verbonden voorschriften daarna (ambtshalve) aanpassen of intrekken. Dit is vergelijkbaar met bijvoorbeeld een ambtshalve intrekking van een verleende omgevingsvergunning op grond van artikel 2.33 en 5.19 Wabo. Onder de Omgevingswet is dit niet veranderd.
De rechtbank ziet overigens ook in artikel 2.4, vijfde lid, Wabo een bevestiging van haar standpunt. In het geval geen sprake zou zijn geweest van een ambtshalve actualisatie maar van een aanvraag, beslist immers op grond van het vijfde lid ook het bevoegd gezag dat de geldende omgevingsvergunning heeft verleend op elke aanvraag die betrekking heeft op een project dat zal worden of wordt uitgevoerd op de plaats ten aanzien waarvan die vergunning is verleend. Onder de Omgevingswet wijzigt die systematiek niet, omdat in artikel 4.16, eerste lid, van het Omgevingsbesluit, ter uitvoering van artikel 5.13 van de Omgevingswet een vergelijkbare bepaling als artikel 2.4, vijfde lid, Wabo is opgenomen.



11.6
In het bestreden besluit wijzigt het college ambtshalve de door gedeputeerde staten op 12 september 1997 verleende omgevingsvergunning milieu in zoverre dat de daaraan verbonden voorschriften en begripsbepalingen worden ingetrokken en vervangen door nieuwe voorschriften. Daarnaast worden van de in de periode 2001 tot 2023 genomen besluiten tot aanpassing van die revisievergunning uit 1997 de voorschriften en begripsbepalingen ook ingetrokken of vervangen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn daarom uitsluitend gedeputeerde staten hiertoe bevoegd.



11.7
Het feit dat het college in de besluiten van 23 december 2019 en 31 juli 2023 de revisievergunning van 12 september 1997 van Circuit Zandvoort ook heeft aangepast en deze besluiten onherroepelijk zijn, maakt niet dat de bevoegdheid op het college is overgegaan. Ten overvloede merkt de rechtbank daar nog bij op dat met de besluiten van 23 december 2019 en 31 juli 2023 door het college aan de revisievergunning van Circuit Zandvoort van 12 september 1997 verbonden voorschriften met het bestreden besluit niet geactualiseerd worden omdat die voorschriften zijn uitgewerkt.



11.8
Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat het college niet bevoegd was om ambtshalve tot actualisatie van de door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning milieu van 12 september 1997 en de nadien genomen wijzigingsbesluiten over te gaan.




Eindconclusie en gevolgen


12.1
Het beroep van de Vereniging is niet-ontvankelijk.



12.2
De beroepen van de andere eisers, waaronder het beroep van de [naam 1] e.a, zijn gegrond omdat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, hetgeen in strijd is met de artikelen 2.30 en 2.31 Wabo. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen mogelijkheid gebruik te maken van haar bevoegdheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook kan de rechtbank het college niet opdragen om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Het college is immers niet bevoegd om ambtshalve een actualiserend besluit te nemen.



12.3
Voor zover de rechtbank is gevraagd om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, Awb ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de voorschriften van het te vernietigen besluit worden gehandhaafd, overweegt de rechtbank als volgt. Dit artikel biedt de rechtbank de mogelijkheid om een naar tijdsduur te begrenzen voorlopige voorziening te treffen in afwachting van nieuwe besluitvorming. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat gedeputeerde staten en niet het college bevoegd zijn om ambtshalve de revisievergunning te actualiseren. Of gedeputeerde staten daartoe over zullen gaan is niet bekend en zij zijn daartoe niet gehouden nu er geen aanvraag voorligt waarop beslist moet worden. De rechtbank ziet daarom geen mogelijkheid om een voorlopige voorziening te treffen.


Proceskosten



13.1
Omdat de beroepen gegrond zijn moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. De Vereniging heeft echter het griffierecht betaald voor het beroep dat zij mede namens [naam 1] e.a. heeft ingediend. Aangezien de Vereniging niet-ontvankelijk is, krijgt zij het griffierecht niet terug. [naam 1] e.a. krijgen tezamen eenmaal het griffierecht voor natuurlijke personen vergoed.



13.2
Daarnaast krijgen de ontvankelijke eisers ook een vergoeding van hun proceskosten, voor zover zij gebruik hebben gemaakt van professionele rechtsbijstand. Het college moet deze vergoeding betalen.



13.3
Het Circuit Zandvoort, [naam 1] e.a., die tezamen met de Vereniging beroep hebben ingesteld en Stichting RbdK ontvangen daarom een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- voor het Circuit Zandvoort en [naam 1] e.a. omdat deze gemachtigden beroepschriften hebben ingediend en aan de zitting hebben deelgenomen. Stichting RbdK ontvangt € 934,- omdat haar gemachtigde alleen aan de zitting heeft deelgenomen.



14.1

[naam 1] e.a. hebben ook verzocht om vergoeding van de kosten van de door hen ingeschakelde deskundigen, namelijk de Nederlandse Stichting Geluidshinder en [deskundige 3] Audiologie. Ter onderbouwing daarvan hebben zij een factuur van [deskundige 3] Audiologie overgelegd van 9 januari 2026 ter hoogte van € 1.149,-, met de specificering van 6 uur voorbereiding en 3 uur rechtszitting, met een uurtarief van € 125,- en reiskosten ter hoogte van € 24,- Ook is aangegeven dat geen BTW verschuldigd is.
Daarnaast hebben zij een factuur van de Nederlandse Stichting Geluidshinder overgelegd van 8 januari 2026, ter hoogte van € 1.250,- incl. BTW. Daarin wordt aangegeven dat deze kosten bestaan uit voorbereiding en overleg, het lezen van diverse documenten en aanwezigheid op de zitting. Een uurtarief wordt niet gegeven.
Het college heeft de onderbouwing van deze bedragen desgevraagd niet betwist.



14.2
De Stichting RbdK heeft een factuur van [deskundige 3] Audiologie overgelegd van 9 januari 2026 ter hoogte van € 1.125,-, met de specificering van 6 uur voorbereiding en 3 uur rechtszitting, met een uurtarief van € 125,-. Daarin is aangegeven dat geen BTW verschuldigd is.
Het college heeft de onderbouwing van deze bedragen desgevraagd niet betwist.




14.3
De rechtbank overweegt over deze proceskosten als volgt. De kosten van een deskundige komen op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf ook redelijk zijn.



14.4
De rechtbank acht het inroepen van een deskundige over het aspect geluid in een geschil als het onderhavige dat gericht is tegen een ambtshalve actualisatie van de voorschriften van een revisievergunning voor beide eisers redelijk.



14.5
Ten aanzien van de hoogte van de kosten overweegt de rechtbank als volgt.



14.6
De deskundige [deskundige 3] was op verzoek van [naam 1] e.a. tijdens de zitting aanwezig zodat zijn gedeclareerde 3 uur en de reiskosten voor deelname aan de zitting redelijk zijn. Ook hebben [naam 1] e.a in beroep een schriftelijke bijdrage van de deskundige [deskundige 3] overgelegd. De 6 uur voor het opstellen daarvan van [deskundige 3] acht de rechtbank daarom ook redelijk. Dat betekent dat de factuur van [deskundige 3] van € 1.149,- vergoed dient te worden. De rechtbank zal daarom het verzoek om het college te veroordelen tot betaling van deze kosten, toewijzen.



14.7
De deskundige [deskundige 4] van de Nederlandse Stichting Geluidshinder was ook op verzoek van de natuurlijke personen tijdens de zitting aanwezig en ook hij heeft een schriftelijke bijdrage geleverd. Aangezien zijn gemaakte uren en zijn uurtarief niet gespecificeerd zijn, ziet de rechtbank aanleiding om aan te sluiten bij de door [deskundige 3] gemaakte kosten. De rechtbank acht een vergoeding van € 1.125,- (exclusief reiskosten, die niet zijn gevraagd) in plaats van € 1.250,- daarom redelijk.



14.8
De deskundige [deskundige 3] was ook namens Stichting RbdK tijdens de zitting aanwezig zodat zijn gedeclareerde 3 uur voor deelname aan de zitting redelijk zijn. [deskundige 3] heeft echter geen schriftelijke bijdrage geleverd aan het beroep van de Stichting. De gefactureerde voorbereiding van 6 uur acht de rechtbank daarom niet redelijk. Dat betekent dat een vergoeding van 3 maal € 125,-, te weten € 375,- redelijk is. De rechtbank weegt daar bij mee dat [naam 1] e.a en Stichting RbdK onbestreden hebben gesteld, dat [deskundige 3] zijn tarief zo heeft verdeeld dat hij die beide partijen de helft in rekening brengt, hetgeen redelijk is. De rechtbank zal daarom het verzoek om het college te veroordelen tot betaling van deze kosten, toewijzen.











































Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep 24/3789, voor zover dat is ingediend door de Vereniging niet-ontvankelijk;
- verklaart de overige beroepen HAA 24/3781, 24/3789 (voor zover ingediend door [naam 1] e.a.), 24/3585, 24/3031, 24/3584 en 24/3583 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 30 mei 2024;
- bepaalt dat het college telkens het griffierecht van € 371,- moet vergoeden aan respectievelijk Circuit Zandvoort, Stichting Duinbehoud, Stichting RbdK en Stichting Middenduin;
- bepaalt dat het college telkens het griffierecht van € 187,- moet vergoeden aan respectievelijk [eiser] en aan [naam 1] e.a. eenmaal tezamen,
- veroordeelt het college tot betaling van telkens € 1.868,- aan proceskosten aan respectievelijk het Circuit Zandvoort en [naam 1] e.a.;
- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan Stichting RbdK;
- veroordeelt het college tot vergoeding van door [naam 1] e.a, in verband met het beroep gemaakte deskundigenkosten, tot een bedrag van € 1.149 en € 1.125,-, in totaal € 2.274,-;
- veroordeelt het college tot vergoeding van door de Stichting RbdK in verband met het beroep gemaakte deskundigenkosten, tot een bedrag van € 375,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. R.H.M. Bruin, leden, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.













griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage 1:




[naam 1]



[naam 13]



[naam 15]



[naam 16]



[naam 17]




[naam 18]



[naam 19]




[naam 20]



[naam 21]




[naam 22]



[naam 23]




[naam 24]



[naam 25]




[naam 26]



[naam 27]



[naam 28]



[naam 29]




[naam 30]



[naam 32]




[naam 33]



[naam 34]



[naam 35]



[naam 36]



[naam 37]



[naam 38]




[naam 39]



[naam 40]



[naam 41]




[naam 42]




[naam 43]




[naam 44]



[naam 45]



[naam 46]



[naam 47]



[naam 48]
















Bijlage 2: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Algemeen wet bestuursrecht

Artikel 8:72
1.Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.
2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
(…)
5. De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. Daarbij bepaalt hij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt.
(…)



Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.4
1. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, op de aanvraag beslissen ten aanzien van projecten die behoren tot een bij de maatregel aangewezen categorie projecten die van provinciaal belang zijn. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën gevallen.
(…)
5. Het bevoegd gezag met betrekking tot een geldende omgevingsvergunning beslist op elke aanvraag die betrekking heeft op een project dat zal worden of wordt uitgevoerd op de plaats ten aanzien waarvan die vergunning is verleend. De eerste volzin geldt niet voor burgemeester en wethouders in gevallen als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid en gedeputeerde staten in gevallen als bedoeld in het derde en vierde lid. De eerste volzin geldt voorts niet in gevallen die behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Artikel 2.30 Wabo
1. Voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, beziet het bevoegd gezag regelmatig of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Onder ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu wordt mede verstaan de vaststelling van nieuwe of herziene conclusies over beste beschikbare technieken, overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid, van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334).
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het eerste lid wordt toegepast met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën inrichtingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangewezen categorieën gevallen.

Artikel 2.31 Wabo
1. Het bevoegd gezag wijzigt voorschriften van de omgevingsvergunning:
(…)
b.indien door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt;
(…)
2Het bevoegd gezag kan voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen voor zover deze betrekking hebben op:
(…)
b.een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, voor zover dit in het belang van de bescherming van het milieu is;
(…)

Artikel 2.33
1.Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in, voor zover:
(…)

Artikel 5.19
1.Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
(…)




Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 4.4.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing:
a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt,
b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.



Besluit omgevingsrecht

Artikel 3.3. Bor bepaalt:
1. Gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, zijn bevoegd te beslissen op:
(…)
b. overige aanvragen die betrekking hebben op activiteiten met betrekking tot inrichtingen die behoren tot een categorie ten aanzien waarvan dat in bijlage I, onderdeel C, is bepaald, voor zover het betreft activiteiten met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort.



Omgevingswet

Artikel 5.13
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin gedeputeerde staten of Onze Minister die het aangaat beslissen op elke aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een locatie waarvoor een door hen eerder verleende omgevingsvergunning geldt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 5.9 of 5.9a.



Omgevingsbesluit

Artikel 4.16
1. In afwijking van artikel 4.6 beslissen gedeputeerde staten op elke enkel- of meervoudige aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een of meer activiteiten als bedoeld in artikel 5.1 of 5.4 van de wet als:
a.die activiteiten geen wateractiviteiten zijn;
b.die activiteiten worden verricht op dezelfde locatie als een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, 3.55, eerste lid, 3.58, eerste lid, 3.61, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.67, eerste lid, 3.70, eerste lid, 3.73, eerste lid, 3.76, eerste lid, 3.79, eerste lid, 3.82, eerste lid, 3.85, eerste lid, 3.88, eerste lid, of 3.91, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en
c.voor de milieubelastende activiteit, bedoeld onder b, een door gedeputeerde staten eerder verleende omgevingsvergunning geldt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag alleen of onder meer betrekking heeft op:
a.een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang;
b.een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.321, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om het aanleggen of het exploiteren van een mijnbouwwerk voor het opsporen of winnen van aardwarmte;
c.een mijnbouwlocatieactiviteit; of
d.een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk.


Dat wil zeggen het dictum waarbij aan Circuit Zandvoort voor de inrichting circuit in Zandvoort een milieuvergunning, nadien aangemerkt als omgevingsvergunning milieu als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is verleend.


2 ECLI:EU:C:2021:7.


Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, gesloten te Aarhus op 25-06-1998.
Link naar deze uitspraak