|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:1737 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-03-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202306320/1/R2 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda het wijzigingsplan "Buitengebied Zuid 2013, Sprundelsebaan 181" vastgesteld. Het wijzigingsplan maakt de aanleg van een paardenbak met lichtmasten mogelijk. [partij] heeft namelijk enkele paarden en wil de paardenbak hobbymatig gebruiken. De paardenbak met lichtmasten is er al en dit plan legaliseert dat. [appellant] woont daar vlakbij en ervaart overlast van de lichtmasten bij deze paardenbak. Hij wil dat de lichtmasten worden verwijderd. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Hij voert hierover aan dat de situatie in de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3015, vergelijkbaar is met het voorliggende geval. Daar wilde het college dat de lichtmasten werden verwijderd om lichthinder in het buitengebied tegen te gaan. Daarnaast moesten de lichtmasten op het bedrijventerrein van [partij] aan de [locatie] zo worden afgesteld dat omwonenden geen overlast zouden ervaren. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | lichthinder | | | paarden | | | | Uitspraak | 202306320/1/R2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Breda,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het college het wijzigingsplan "Buitengebied Zuid 2013, Sprundelsebaan 181" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college en [appellant] hebben ieder een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. N.E. Snel, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 22 juni 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het wijzigingsplan maakt de aanleg van een paardenbak met lichtmasten mogelijk. [partij] heeft namelijk enkele paarden en wil de paardenbak hobbymatig gebruiken. De paardenbak met lichtmasten is er al en dit plan legaliseert dat. [appellant] woont daar vlakbij en ervaart overlast van de lichtmasten bij deze paardenbak. Hij wil dat de lichtmasten worden verwijderd.
Gelijk geval
3. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Hij voert hierover aan dat de situatie in de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3015, vergelijkbaar is met het voorliggende geval. Daar wilde het college dat de lichtmasten werden verwijderd om lichthinder in het buitengebied tegen te gaan. Daarnaast moesten de lichtmasten op het bedrijventerrein van [partij] aan de [locatie] zo worden afgesteld dat omwonenden geen overlast zouden ervaren.
3.1. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de situatie in dit geval niet gelijk is aan de situatie in de uitspraak die [appellant] aanhaalt. De lichtmasten waren in die situatie los van bestaande bebouwing aangelegd in een gebied met een agrarische bestemming. Het college heeft toegelicht dat het alleen bereid is mee te werken aan legalisatie van lichtmasten bij een concentratie van gebouwen en bouwwerken, zodat lichthinder beperkt blijft. In dit geval is er wel een concentratie van gebouwen waardoor de situaties van elkaar verschillen.
3.2. Daarnaast heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de lichtmasten aan de [locatie], die staan op gronden met een bedrijfsbestemming en 10,5 meter hoog zijn, andere regels gelden dan voor die bij de paardenbak. De lichtmasten bij de paardenbak zijn namelijk bedoeld voor hobbymatig gebruik bij de woning en zijn 6 meter hoog. Alleen al daarom heeft het college die situaties niet op een gelijke manier hoeven te behandelen.
Het betoog slaagt niet.
Natuur Netwerk Brabant
4. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld. Het college heeft volgens [appellant] namelijk onvoldoende rekening gehouden met de lichthinder voor het natuurgebied dat op zeventien meter van de paardenbak ligt en onderdeel is van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Dit gebied heeft een beschermde status en daar wordt de door het college toegepaste maximale omgevingshelderheid volgens [appellant] overschreden. In de richtlijn lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV-richtlijn) staat namelijk dat de grenswaarde voor natuurgebieden een zeer lage omgevingshelderheid van 2 lux is.
4.1. Het college heeft goed gemotiveerd dat het gebied rondom de paardenbak geen gebied met een zeer lage omgevingshelderheid (E1) in de zin van de NSVV-richtlijn is. Daarbij heeft het college terecht het gebied in de bredere omgeving betrokken. De richtlijn hanteert namelijk een algemene zone-indeling waarbij de indeling afhankelijk is van de omringende, al aanwezige mate van verlichting in de omgeving. Het college heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat het NNB-gebied maar een beperkt aantal percelen omvat in een omgeving met diverse andere activiteiten. In de omgeving liggen namelijk meerdere kassen met verlichting, bedrijven en woningen. Daardoor is het niet een gebied met een zeer lage omgevingshelderheid, maar een gebied met een lage omgevingshelderheid (E2) en is de grenswaarde van 2 lux niet van toepassing op het betrokken NNB-gebied.
4.2. Toch heeft het college in het wijzigingsplan niet zorgvuldig en goed gemotiveerd wat de effecten van de lichtmasten op het aan de paardenbak grenzende NNB-gebied zijn. In de toelichting bij het plan heeft het alleen verwezen naar het flora- en faunaonderzoek dat is gedaan in het kader van de lichtmasten die op het bedrijventerrein aan de [locatie] zijn geplaatst. Deze onderbouwing schiet tekort omdat de lichtmasten bij de paardenbak lager zijn, namelijk geen 10,5 meter maar 6 meter, en dichter bij het NNB-gebied staan.
4.3. In beroep heeft het college alsnog een quickscan aangeleverd waarin de gevolgen van de paardenbak voor de flora en fauna in de omgeving zijn onderzocht. Dat doet echter niet af aan het gebrek bij de vaststelling van het plan. Het college had de gevolgen voor de flora en fauna in het NNB-gebied op voorhand moeten onderzoeken en het is onzorgvuldig dat het college dat onderzoek pas in beroep en dus ná het nemen van het besluit heeft verricht. Het besluit van 28 maart 2023 is dan ook onzorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd en in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
Het betoog slaagt.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 28 maart 2023 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Buitengebied Zuid 2013, Sprundelsebaan 181" wordt vernietigd.
In stand laten rechtsgevolgen
6. De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 28 maart 2023 in stand te laten. Met het onderzoek dat het college in beroep heeft aangeleverd heeft het alsnog goed gemotiveerd dat de lichthinder van de lichtmasten op het NNB-gebied dat aan de paardenbak grenst aanvaardbaar is, als deze in lijn met het plan worden gebruikt. Uit dit onderzoek volgt dat het strooilicht weliswaar een directe invloed heeft op de omgeving, maar dat deze invloed minimaal is in lichtintensiteit omdat het licht amper tot niet tot het gebied achter de lichtmasten reikt en deze maar beperkt aanstaan. De invloed op de omgeving is daarom zo minimaal dat er geen negatieve effecten op de gezonde staat van instandhouding van beschermde soorten of directe schade aan deze soorten te verwachten is.
6.1. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies uit het onderzoek niet kloppen. Hij heeft ten eerste geen rapport overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Weliswaar heeft [appellant] terecht aangevoerd dat er grote gelijkenissen zijn tussen dit onderzoek en het onderzoek uit 2019 dat is uitgevoerd voor de lichtmasten aan de [locatie], maar dat is geen reden om te twijfelen aan de inhoud en conclusies ervan. De onderzoeken gaan namelijk allebei over lichtmasten bij hetzelfde NNB-gebied. Daardoor is de gelijkenis te verklaren. Het is juist dat het voorliggende onderzoek eerder uitgevoerd had moeten worden, maar daarom is een gebrek in het besluit aangenomen. Met dit aanvullende onderzoek is het gebrek hersteld.
6.2. Ook ziet de Afdeling in de door [appellant] overgelegde foto’s geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud of conclusies van het onderzoek. Dat in het onderzoeksrapport staat dat in de bomen aangrenzend aan het projectgebied geen nesten of verblijfplaatsen aanwezig zijn of sporen die duiden op de aanwezigheid van eekhoorns zelf, is niet tegenstrijdig aan de enkele foto’s die [appellant] heeft overgelegd, waarop eekhoorns te zien zijn. De foto’s zijn namelijk niet van de desbetreffende bomen en bovendien staat in het rapport niet dat eekhoorns in zijn geheel niet voorkomen in het gebied. Ook de passage in het rapport dat er geen oppervlaktewater aanwezig is in het projectgebied, is niet aantoonbaar onjuist. Alleen de paardenbak zelf is aangeduid als het projectgebied en niet de aanwezige slootjes daaromheen.
Gevolgen van de uitspraak
7. Dat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in deze uitspraak in stand laat, betekent dat de paardenbak inclusief lichtmasten kan blijven staan en mag worden gebruikt zoals in het wijzigingsplan is vastgelegd.
Proceskosten
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 28 maart 2023 waarbij het wijzigingsplan "Buitengebied Zuid 2013, Sprundelsebaan 181" is vastgesteld;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Breda aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 184,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
638-1192 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|