|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:1723 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 25-03-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202201957/1/R4 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 21 december 2021 heeft de raad van de gemeente West Betuwe het bestemmingsplan "Buitengebied 2022" vastgesteld. De raad van de voormalige gemeente Geldermalsen heeft met het oog op de naderende inwerkingtreding van de Omgevingswet ervoor gekozen om het planologisch regime te vernieuwen voor het hele buitengebied, mede omdat een groot deel van het plangebied nog viel onder een bestemmingsplan uit 2006. Ook moet onder andere het provinciaal beleid zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland in het plan worden vertaald. In het plan is voornamelijk de bestaande situatie vastgelegd, maar het plan biedt ook de mogelijkheid voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen via afwijkingsbevoegdheden in de planregels. Ook zijn nieuwe initiatieven die kenbaar zijn gemaakt en reeds voldoende concreet waren en ruimtelijk aanvaardbaar, meegenomen bij de vaststelling van het plan. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | bouwvergunning | | | buitengebied | | | fruitteelt | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | vrijstelling | | | wabo | | | waterschap | | | | Uitspraak | 202201957/1/R4.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak, deels tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht, in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Geldermalsen, gemeente West Betuwe, handelend onder de naam [bedrijf],
2. [appellante sub 2], waarvan de vennoten zijn [vennoot 2A], [vennoot 2B], [vennoot 2C] en [vennoot 2D], gevestigd dan wel wonend in Rhenoy, gemeente West Betuwe,
3. Vereniging tot Behoud van het Lingelandschap (hierna: VBL), gevestigd in Acquoy, gemeente West Betuwe,
4. [appellante sub 4], waarvan de vennoten zijn [vennoot 4A] en [vennoot 4B], gevestigd dan wel wonend te Buurmalsen, gemeente West Betuwe,
5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], wonend in Rumpt, gemeente West Betuwe,
6. [appellant sub 6], wonend in Beesd, gemeente West Betuwe, en anderen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente West Betuwe,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2022" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2], VBL, [appellante sub 4], [appellant sub 5A] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 6], [appellante sub 4] en [partij A] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.
[appellant sub 5A], VBL, [appellant sub 6], [partij B] en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 februari 2025, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 1A], bijgestaan door [persoon A], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [vennoot 2A], bijgestaan door ing. H.M.M. Vogels, VBL, vertegenwoordigd door [persoon B], [appellante sub 4], vertegenwoordigd door mr. E.J.H. Plambeck, advocaat te Bodegraven en vergezeld door [vennoot 4A], [appellant sub 6], vergezeld door [appellant sub 6A], en de raad, vertegenwoordigd door drs. F. Schmidt, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij B], bijgestaan door [persoon C] en [persoon D], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 december 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Toetsingskader
2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Planbeschrijving
3. De raad van de voormalige gemeente Geldermalsen heeft met het oog op de naderende inwerkingtreding van de Omgevingswet ervoor gekozen om het planologisch regime te vernieuwen voor het hele buitengebied, mede omdat een groot deel van het plangebied nog viel onder een bestemmingsplan uit 2006. Ook moet onder andere het provinciaal beleid zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland in het plan worden vertaald. In het plan is voornamelijk de bestaande situatie vastgelegd, maar het plan biedt ook de mogelijkheid voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen via afwijkingsbevoegdheden in de planregels. Ook zijn nieuwe initiatieven die kenbaar zijn gemaakt en reeds voldoende concreet waren en ruimtelijk aanvaardbaar, meegenomen bij de vaststelling van het plan.
Het beroep van [appellant sub 5A]
Begrenzing agrarisch bouwvlak
4. [appellant sub 5A] heeft beroep ingesteld omdat het bouwvlak ter plaatse van de bedrijfswoning onjuist is aangeduid, waardoor het bouwen van een serre niet mogelijk is. De raad heeft in het verweerschrift erkend dat - gezien de beantwoording van de zienswijze - het plan op dit punt niet correct is vastgesteld. Reeds hierom is het beroep van [appellant sub 5A] gegrond.
Het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en moet dan ook worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover dat betrekking heeft op de aanduiding ‘bouwvlak’ binnen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 1] in Rumpt.
Zelf voorzien
5. De raad heeft in een nader stuk aangegeven op welke wijze het agrarische bouwvlak van [appellant sub 5A] zou kunnen worden aangepast. [appellant sub 5A] heeft bij brief van 4 februari 2025 meegedeeld met de voorgestelde aanpassing van het bouwvlak in te kunnen stemmen.
Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal het agrarische bouwvlak aanpassen op de wijze zoals door de raad is voorgesteld en bepalen dat deze uitspraak wat betreft dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.
6. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Verzoek om schadevergoeding
7. [appellant sub 5A] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
7.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant sub 5A] ontvangen op 5 april 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 23 maanden overschreden. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00.
Het beroep van [appellant sub 6]
8. [appellant sub 6] is sinds 2009 eigenaar van een zogenoemd ‘Lingelandje’. Die percelen zijn bedoeld voor particulier, recreatief gebruik langs de rivier de Linge. Het Lingelandje van [appellant sub 6] is kadastraal bekend als Gemeente Deil, sectie M, nummer 323. [appellant sub 6] betoogt dat de aanwezige bebouwing op dit perceel en het recreatieve gebruik van dit perceel ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Hiertoe voert [appellant sub 6] aan dat blijkens overgelegde verklaringen van derden - waaronder de vorige eigenaar - al vóór 2001 sprake was van recreatief gebruik en dat de bestaande schuur toen al aanwezig was. Hierdoor is dit bestaande gebruik van het Lingelandje en het bestaande gebouw ten onrechte onder het overgangsrecht van het voorgaande plan uit 2006 komen te vallen en bij het voorliggende plan ten onrechte opnieuw onder het overgangsrecht gebracht. Bij de inventarisatie in de periode 2001-2002 voor het plan "Buitengebied" uit 2006 zijn volgens [appellant sub 6] fouten gemaakt en is het destijds bestaande gebruik en bebouwing van hun Lingelandje niet correct vastgelegd.
8.1. De raad weerspreekt dat de inventarisatie in de periode 2001-2002 voor het voorgaande plan "Buitengebied" uit 2006 niet volledig is geweest. Alle percelen grenzend aan de Linge zijn in kaart gebracht aan de hand van feitelijke waarnemingen. Waar nodig zijn foto’s toegevoegd bij die inventarisatie. De volledige inventarisatie van het Lingelandje van [appellant sub 6] is als bijlage bij het verweer gevoegd. Uit de beschrijving en foto’s van de inventarisatie, gedateerd op 8 januari 2002, blijkt volgens de raad dat destijds geen bebouwing op het perceel aanwezig was. Het plan staat ook geen nieuwe bebouwing toe. Wel is in het recreatieve gebruik van het perceel met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - recreatielandjes‘ als zodanig bestemd.
8.2. De Afdeling volgt [appellant sub 6] niet in zijn stelling dat het bestaande recreatieve gebruik van zijn Lingelandje niet als zodanig is bestemd. In de verbeelding is aan het perceel van [appellant sub 6] de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - recreatielandjes’ toegekend. Dit houdt in dat ingevolge artikel 4.1, onder g, van de planregels in samenhang gelezen met artikel 1.55, van de planregels, het perceel mag worden gebruikt voor kleinschalige oeverrecreatie. Dit betoog treft dan ook geen doel.
8.3. Wat betreft de aanwezige schuur op het Lingelandje van [appellant sub 6] is niet in geschil dat gelet op het bepaalde in artikel 4.2.5, van de planregels een dergelijk gebouw niet is toegestaan op dit perceel, omdat dit perceel ontbreekt in bijlage 1 van de planregels waarin voor elk Lingelandje de maximale oppervlakte en hoogte van gebouwen is vermeld. De planregels staan daardoor alleen een opbergkist met een oppervlakte van niet meer dan 6 m2 en een hoogte van niet meer dan 1,5 m toe en de aanwezige schuur - met een oppervlakte van ongeveer 10 m2 en een hoogte van 2,75 m - voldoet daar niet aan. De conclusie is dan ook dat de aanwezige schuur niet als zodanig is bestemd in het plan. Ook is uit de stukken niet gebleken dat ooit een bouwvergunning is verleend voor het schuurtje. Daarmee is het schuurtje illegaal aanwezig.
Wat betreft het beroep van [appellant sub 6] op het bouwovergangsrecht, stelt de Afdeling voorop dat zelfs als [appellant sub 6] daar met succes een beroep op zou kunnen doen, dit voor de beoordeling van het plan geen wezenlijk verschil maakt. Aan het bouwovergangsrecht kan [appellant sub 6] immers niet het recht ontlenen dat het schuurtje als zodanig wordt bestemd in het voorliggende plan. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat bouwovergangsrecht niet legaliseert. Dit houdt in dat bouwovergangsrecht geen vervanging is voor de benodigde omgevingsvergunning voor het bouwen. Dus een omgevingsvergunning blijft nodig en handhavend optreden wegens het ontbreken van een dergelijke vergunning is nog steeds mogelijk. Ook vormt het bouwovergangsrecht geen grondslag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van het schuurtje te verlenen, gelet op het wettelijke systeem voor het verlenen of weigeren van dergelijke vergunningen.
[appellant sub 6] heeft met de drie overgelegde getuigenverklaringen - die hierna nog aan de orde komen - niet aannemelijk heeft gemaakt dat het schuurtje onder het bouwovergangsrecht valt. Gezien de overgangsbepalingen van dit plan en de voorgaande plannen, moet [appellant sub 6] aannemelijk maken dat het schuurtje al in 1986 aanwezig was en de overgelegde verklaringen gaan niet verder terug dan 2005. In zoverre slaagt het betoog niet.
8.4. Voor de vraag of de raad het schuurtje positief had moeten bestemmen is van belang dat - zoals tijdens de zitting ook namens de raad is toegelicht - het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2006 van de voormalige gemeente Geldermalsen mede als doel had om het lang bestaande gebruik van de Lingelandjes planologisch te regelen. Daarbij is door de raad tijdens de zitting opgemerkt dat het beleid dat ten grondslag lag aan het plan uit 2006 er niet op was gericht om alle illegale bebouwing te legaliseren. In het voorliggende plan is die eerdere beleidskeuze voortgezet.
[appellant sub 6] heeft drie getuigenverklaringen overgelegd. Eén van degene die vóór [appellant sub 6] van 2005 tot 2009 eigenaar was van het perceel, één van iemand die op een naburig Lingelandje al ruim 20 jaar vist en één van bewoners van een woonboot die in de buurt van het Lingelandje van [appellant sub 6] ligt en daar al 30 jaar wonen. De schriftelijke verklaringen zijn eensluidend in de stelling dat reeds geruime tijd - meer dan 20 jaar - bebouwing op het Lingelandje van [appellant sub 6] aanwezig is. Twee van de drie verklaringen zijn echter niet duidelijk over wanneer de bebouwing daar is opgericht en in welke omvang. Alleen de verklaring van de vorige eigenaar geeft met 5 foto’s inzicht in de afmetingen van de destijds aanwezige bebouwing in de periode 2005-2009. De Afdeling concludeert op basis van de overgelegde verklaringen dat daarmee aannemelijk is geworden dat ten tijde van de aankoop van het Lingelandje door de vorige eigenaar in 2005 het bewuste schuurtje al aanwezig was.
Of het schuurtje ten tijde van de inventarisatie in de periode 2001-2002 ook al aanwezig was, valt uit de overgelegde verklaringen echter niet af te leiden. Daardoor is ook niet vast te stellen of de inventarisatie destijds correct is geweest. Voor de beoordeling van het beroep is echter niet van belang of die inventarisatie juist is geweest, omdat naar een eerder moment moet worden gekeken. In de toelichting van het plan uit 2006 is namelijk vermeld dat voor het planologisch regelen van de Lingelandjes destijds een beleidsnota is opgesteld en het plan uit 2006 is op die beleidsnota gebaseerd. Over die beleidsnota heeft de Afdeling in de uitspraak van 11 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH2508 onder 2.5.3, als volgt overwogen:
"In paragraaf 5.4 van de beleidsnota, voor zover hier van belang, wordt concreet aangegeven hoe bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan dient te worden omgegaan met de recreatielandjes. Gebruik van opstallen en gronden daterend van vóór de inwerkingtreding van het voorheen geldende plan op 27 februari 1989, welke datum bepalend is voor de toepasselijkheid van het gebruiksovergangsrecht van dit plan, wordt volgens de beleidsnota als zodanig bestemd. Gebruik van opstallen en gronden daterend van na 27 februari 1989 wordt onder het persoonsgebonden overgangsrecht gebracht, indien sprake is van niet-ongewenst gebruik. Indien sprake is van ongewenst gebruik wordt dit gebruik gewraakt en bestreden, aldus de beleidsnota. Gebouwen en bouwwerken daterend van vóór de tervisielegging van het ontwerp van de partiële herziening van het voorheen geldende plan aangaande het bouwovergangsrecht op 17 maart 1986, welke datum bepalend is voor de toepasselijkheid van dit bouwovergangsrecht, worden volgens de beleidsnota als zodanig bestemd. Als gebouwen en bouwwerken na 17 maart 1986 zijn gerealiseerd, wordt handhavend opgetreden, aldus de beleidsnota."
Omdat [appellant sub 6] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het schuurtje aanwezig was op het Lingelandje vóór de in de beleidsnota genoemde datum van 17 maart 1986, heeft de raad in het voorliggende plan geen aanleiding hoeven zien om het schuurtje positief te bestemmen. Het betoog van [appellant sub 6] slaagt niet.
8.5. Wat betreft twee andere Lingelandjes waar [appellant sub 6] naar verwijst, overweegt de Afdeling als volgt. In het ene geval gaat dat om een perceel waar bebouwing aanwezig was en achteraf is vast komen te staan dat de gedwongen sloop ervan onder een last onder dwangsom onterecht was. Het andere geval betreft een perceel met een drijvend gebouw, dat eveneens legaal aanwezig is door een van rechtswege verleende omgevingsgunning. Beide situaties betreffen dan ook geen gelijke gevallen, zodat dit betoog niet slaagt.
9. Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond.
10. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Het beroep van [appellante sub 4]
Woonbestemming
11. [appellante sub 4] voert aan dat ten onrechte slechts een woonbestemming is toegekend aan één van haar 2 percelen. Beide percelen grenzen aan elkaar en daarop staan de woning, enkele bijgebouwen en een paardenbak. Alleen het perceel met daarop de woning heeft een woonbestemming gekregen. Het andere perceel met de bijgebouwen en paardenbak dat in gebruik is als tuin had ook een woonbestemming moeten krijgen in plaats van een agrarische bestemming. Volgens [appellante sub 4] moeten beide kadastrale percelen als één perceel in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en het Besluit omgevingsrecht worden beschouwd en daardoor ook één bestemming krijgen. Volgens [appellante sub 4] zijn de 3 aanwezige schuren ten onrechte aangemerkt als veldschuren en daardoor niet als zodanig bestemd. Ook is de aanwezige paardenbak niet als zodanig bestemd. Verder maakt het plan ten onrechte de bouw van een nieuwe garage bij hun woning niet mogelijk.
11.1. Het perceel van [appellante sub 4] waarop een paardenbak, een kleine boomgaard, 3 bijgebouwen - bestaande uit een voormalige garage, paardenstal en kippenhok - en een weiland aanwezig zijn is in het plan bestemd als "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden". Tijdens de zitting is door [appellante sub 4] bevestigd dat zij geen bezwaar heeft tegen de toegekende agrarische bestemming voor het zuidelijke deel van dit perceel met daarop een weiland en kleine boomgaard. Het geschil is daarmee beperkt tot de agrarische bestemming voor het noordelijke deel van dit perceel met daarop 3 bijgebouwen en een paardenbak.
De Afdeling stelt voorop dat de vraag of wel of geen sprake is van één ‘erf’ in de zin artikel 1 van bijlage II van het Bor niet relevant is bij het toekennen van een bestemming. Mede gezien de bevindingen in het deskundigenbericht over de feitelijke inrichting en het gebruik van het noordelijke deel van het perceel en de daar aanwezige bijgebouwen, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het bestaande gebruik van het noordelijke deel van dit perceel en de daarop aanwezige bijgebouwen. Het noordelijke deel van het perceel is ingericht als tuin en de daarop aanwezige bijgebouwen worden gebruikt ten behoeve van de woning op het aangrenzende perceel.
Daarnaast volgt de Afdeling de raad niet in het standpunt dat met de toegekende agrarische bestemming de 3 aanwezige bijgebouwen positief zijn bestemd. Aan het perceel is geen agrarisch bouwvlak toegekend en gebouwen moeten volgens de planregels binnen een bouwvlak staan. Weliswaar is in de planregels onder andere een uitzondering gemaakt voor bestaande, agrarische veldschuren, die ook buiten een bouwvlak mogen staan, maar de raad heeft onvoldoende gemotiveerd dat deze 3 bijgebouwen zijn aan te merken als een agrarische veldschuur. In de planregels is geen definitie opgenomen van een agrarische veldschuur. Een veldschuur kent veel verschijningsvormen, maar is in ieder geval naar Nederlands spraakgebruik een vrijstaand bouwwerk met een agrarische oorsprong en wordt doorgaans voor agrarische doeleinden gebruikt. Uit de omstandigheid dat in de planregels consequent de term ‘agrarische veldschuren’ wordt gebruikt en die alleen binnen een agrarische bestemming zijn toegestaan, leidt de Afdeling af dat dergelijke veldschuren ook voor agrarische doeleinden moeten worden gebruikt. Daaronder valt blijkens de planregels niet het gebruiken van veldschuren als dierenverblijf, want in de planregels zijn afzonderlijke regels opgenomen over schuilstallen. Gelet op de verschijningsvorm van de 3 bijgebouwen - zoals die blijkt uit de foto’s bij het deskundigenbericht - en het huidige gebruik ervan, valt niet in te zien waarom een voormalige garage, paardenstal en kippenhok kunnen worden aangemerkt als een ‘bestaande agrarische veldschuur’ in de zin van de planregels.
De raad heeft het toekennen van een agrarische bestemming aan dit noordelijke deel van het perceel dan ook onvoldoende gemotiveerd. Dit betoog slaagt. Ten overvloede hecht de Afdeling eraan op te merken - zoals ook op de zitting is besproken - dat als aan het noordelijke deel van het perceel de bestemming "Wonen" zou worden toegekend door de raad, dan geen mogelijkheid meer bestaat om een extra garage te realiseren zoals [appellante sub 4] wenst. De bestaande bijgebouwen op het perceel beslaan samen een oppervlak van ongeveer 150 m2 en zijn daarmee groter dan de maximale gezamenlijke oppervlaktemaat van bijgebouwen van 100 m2, zoals aangegeven in de planregels. Daarnaast dient [appellante sub 4] zich ook te realiseren dat tegemoetkoming aan haar beroep op dit punt ertoe zal leiden dat een deel van de bestaande bijgebouwen wordt wegbestemd en onder bouwovergangsrecht zou kunnen komen te vallen. Dit zou kunnen inhouden dat deze dan niet in dezelfde omvang mogen worden herbouwd, uitgezonderd in het geval van een calamiteit. Dit zou anders kunnen zijn als de raad in artikel 21.2.2, onder e, sub 4, van de planregels een afwijkende oppervlaktemaat opneemt, net zoals is gedaan voor het perceel aan de [locatie 2].
Spuitzone
12. [appellante sub 4] richt zich in haar beroep ook tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden", dat de aanplant van een fruitboomgaard mogelijk maakt op gronden die grenzen aan haar percelen en eigendom zijn van [partij A]. Volgens [appellante sub 4] is in artikel 1.17 van de planregels voor bestaande fruitteelt een verkeerde definitie opgenomen en is het plan daarmee onduidelijk en rechtsonzeker. Ook is volgens [appellante sub 4] ten onrechte in de planregels niet vastgelegd met een voorwaardelijke verplichting dat een afschermende windhaag moet worden aangelegd en in stand gehouden. Verder betoogt [appellante sub 4] dat de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4.6.3, aanhef en onder b, van de planregels rechtsonzeker is, omdat niet is gedefinieerd wat moet worden verstaan onder een juridisch houdbaar maatwerkonderzoek en een verantwoorde verkleining.
12.1. In artikel 1.17 van de planregels wordt het begrip ‘bestaande fruitteelt in de vorm van boomgaarden’ als volgt omschreven: "gronden die vanaf ten minste 1 januari 2017 of later rechtsgeldig in gebruik zijn voor fruitteelt in de vorm van boomgaarden".
In artikel 4.1, aanhef en onder a, sub 4 is bepaald dat fruitteelt in de vorm van nieuwe boomgaarden niet is toegestaan binnen een afstand van 50 m tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - boomgaarden uitgesloten' en ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - open landschap'.
In artikel 4.6.3, aanhef en onder b, is bepaald dat met een omgevingsvergunning de afstand van fruitteelt in de vorm van boomgaarden tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen kan worden verkleind, mits met behulp van juridisch houdbaar maatwerkonderzoek naar spuitgewasbeschermingsmiddelen is aangetoond dat een verkleining van de afstand verantwoord is.
12.2. Uit artikel 4.1, onder a, sub 4, van de planregels volgt dat het aanplanten van nieuwe boomgaarden mogelijk is als dit op minstens 50 meter afstand is van gevoelige functies. Artikel 4.6.3, aanhef en onder b, van de planregels maakt het mogelijk om met een afwijkingsvergunning op een kortere afstand fruitteelt toe te staan. De gronden van [partij A] grenzen onder andere aan het perceel van [appellante sub 4] met een woonbestemming waarop hun woning staat. Aangezien een woning en bijbehorende tuin een gevoelige functie zijn, moet ingevolge de planregels in beginsel een afstand van 50 meter tot de grens van dit kadastrale perceel worden aangehouden.
In het geval van [appellante sub 4] zijn echter op de aangrenzende gronden van [partij A] in 2013 fruitbomen aangeplant binnen 50 meter van de kadastrale perceelgrens. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2006 was aan zowel de gronden van [appellante sub 4] als die van [partij A] de bestemming "Landelijk gebied II" toegekend. Op grond van artikel 5.1, van de planvoorschriften van dat plan wordt onder het doel ‘uitoefening van het agrarisch bedrijf’ niet begrepen: boom- en heesterkwekerij en fruitteelt in de vorm van nieuwe boomgaarden binnen een afstand van 50 m van woningen.
De Afdeling constateert dat in het voorgaande plan een afstand van 50 meter tot de woning werd aangehouden, niet tot de perceelsgrens. Daardoor mochten op grond van het vorige bestemmingsplan bij recht - zonder vergunning - nieuwe fruitbomen dichterbij de woning van [appellante sub 4] worden aangeplant dan op basis van het voorliggende plan. Blijkens de verbeelding van het plan ligt de woning van [appellante sub 4] op ongeveer 16 meter van de perceelsgrens, waardoor dus op grond van het voorgaande plan bij recht op 34 meter van de kadastrale perceelsgrens fruitbomen mochten worden aangeplant door [partij A]. Volledigheidshalve merkt de Afdeling op dat wat onder 11.1 is overwogen over het noordelijke deel van het perceel van [appellante sub 4] met een agrarische bestemming dat feitelijk in gebruik is als tuin, niet leidt tot een ander oordeel voor de in 2013 aangeplante fruitbomen. Mocht de raad besluiten om de bestemming van dat deel van het perceel te wijzigen, dan mogen die fruitbomen dus blijven staan.
12.3. Wat betreft het betoog van [appellante sub 4] dat de in artikel 1.17 van de planregels opgenomen definitie van bestaande fruitteelt tot rechtsonzekerheid leidt, constateert de Afdeling dat in artikel 4.1 van de planregels de term ‘bestaande fruitteelt’ niet wordt gebruikt. Die term wordt bijvoorbeeld in artikel 3.1, aanhef en onder a, wel gebruikt. In artikel 4 komt een vergelijkbare bepaling niet voor. Artikel 4.1, aanhef en onder a, sub 5 kent wel het begrip ‘bestaande boomgaarden’, maar dat artikellid geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - uiterwaard’. Die aanduiding is echter niet toegekend aan de gronden van [partij A] die aan de percelen van [appellante sub 4] grenzen. Dit is voor de beoordeling van haar beroep dus niet van belang. Daarom ziet de Afdeling geen reden om dit betoog te bespreken.
De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.6.3, aanhef en onder b rechtsonzeker is. De eis dat maatwerkonderzoek moet worden gedaan is voldoende objectief bepaalbaar en dat geldt ook voor de eis dat een kortere afstand verantwoord moet zijn. Dat dit artikel aan het college beoordelingsruimte laat bij de vraag of fruitbomen op een kortere afstand dan 50 meter mogen worden geplant en welke exacte afstand dat dan mag zijn, maakt de planregel op zichzelf niet rechtsonzeker.
Evenmin is het ontbreken van een voorwaardelijke verplichting voor het realiseren en in stand houden van een windhaag een gebrek in het plan, aangezien het plan bij recht geen nieuwe fruitbomen op minder dan 50 meter van een gevoelige functie toelaat. Dat zoals hiervoor onder 12.2 is besproken in het geval van [appellante sub 4] voor de aangrenzende percelen van [partij A] die afstand op basis van het voorgaande plan 34 meter is voor bestaande fruitbomen, maakt dat niet anders.
Of in een concreet geval het aanplanten van nieuwe fruitbomen op een kortere afstand dan 50 meter uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is, wordt beoordeeld in een vergunningsprocedure op grond van artikel 4.6.3, van de planregels. De Afdeling zal dan ook niet ingaan op de bezwaren die [appellante sub 4] heeft aangevoerd tegen de op 2 juli 2021 verleende omgevingsvergunning aan [partij A] voor het aanplanten van fruitbomen op kortere afstand naast hun perceel. Die vergunning is bij uitspraak van 21 maart 2023 door de rechtbank vernietigd en tegen die uitspraak heeft [appellante sub 4] hoger beroep ingesteld. Over die aangevallen uitspraak zal in een afzonderlijke procedure door de Afdeling uitspraak worden gedaan. Dit betoog slaagt niet.
Bestuurlijke lus
13. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak alsnog toereikend te motiveren dat de bestaande, legale situatie op het noordelijke deel van het perceel van [appellante sub 4] waaraan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" is toegekend positief is bestemd, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen.
14. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Het beroep van [appellante sub 2]
15. [appellante sub 2] exploiteert aan de [locatie 3] en [locatie 4] zowel een volwaardig melkveebedrijf als een volwaardig loonwerkbedrijf. In het plan heeft het loonwerkbedrijf een aanduiding als nevenactiviteit gekregen. [appellante sub 2] betoogt dat geen sprake is van een nevenactiviteit, maar van een volwaardig bedrijf waar meerdere gezinnen hun inkomen mee verdienen. In het plan is van nevenactiviteit geen definitie opgenomen, maar [appellante sub 2] verwijst naar de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland waarin valt te lezen dat een nevenactiviteit een bedrijfsactiviteit is die in ruimtelijk en bedrijfseconomisch opzicht ondergeschikt is aan de agrarische hoofdfunctie van het agrarische bedrijf. [appellante sub 2] wijst erop dat het loonwerkbedrijf zowel in economische zin als in ruimtelijk opzicht niet ondergeschikt is aan het melkveebedrijf. Zo is de omvang van de bedrijfsbebouwing van het melkveebedrijf (2.970 m2) en het loonwerkbedrijf (2.650 m2) vergelijkbaar. [appellante sub 2] vreest dat door het aanmerken van het loonwerkbedrijf als nevenactiviteit het in de toekomst niet meer mogelijk is om een nieuwe nevenactiviteit te starten door verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3.6.2 van de planregels.
15.1. Aan de twee bedrijven, die één gezamenlijk bouwvlak delen, is de bestemming "Agrarisch" en onder andere de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit loon- en grondverzetbedrijf’ toegekend. Niet in geschil is dat met de bepaling in artikel 3.1, onder m, van de planregels het loonwerkbedrijf en de vergunde bedrijfsbebouwing als zodanig is bestemd. [appellante sub 2] wijst er terecht op dat in de planregels geen definitie van het begrip ‘nevenactiviteit’ is opgenomen. In het normale spraakgebruik wordt onder een nevenactiviteit een activiteit verstaan die ondergeschikt is aan een andere activiteit. De voorwaarden voor het gebruik maken van de afwijkingsbevoegdheid voor nevenactiviteiten in artikel 3.6.2 impliceren ook dat sprake is van ondergeschiktheid van de nevenactiviteit aan de agrarische activiteit. Nu de raad niet heeft beoogd om het loonwerkbedrijf van [appellante sub 2] als ondergeschikte bedrijfsactiviteit van het melkveebedrijf aan te merken, is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
15.2. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het toekennen van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit loon- en grondverzetbedrijf’ aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat betrekking heeft op de percelen aan de [locatie 3] en [locatie 4] in Rhenoy en artikel 3.1, onder m, van de planregels moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.
Zelf voorzien
16. Tijdens de zitting is met partijen besproken dat geen bezwaar bestaat tegen het tegemoet komen aan het beroep van [appellante sub 2] door het woord ‘nevenactiviteit’ uit de benaming van de aanduiding en de bijbehorende planregel te schrappen. Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, namelijk door te bepalen dat deze uitspraak wat betreft deze planonderdelen in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.
17. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Het beroep van [appellant sub 1]
Begrenzing bouwvlak
18. [appellant sub 1] betoogt dat het bouwvlak voor zijn bedrijf onjuist is aangeduid op de verbeelding. Daardoor ligt een deel van de gronden die het bedrijf in gebruik heeft niet binnen het bouwvlak. Dat betreft een stuk grond dat is verhard en al meer dan 50 jaar wordt gebruikt voor opslag. Ook klopt de begrenzing van het bouwvlak aan de noordzijde - aan de straatkant - niet volgens [appellant sub 1], want die begrenzing wijkt af van het voorgaande plan. Die grond is bedrijfsmatig in gebruik en [appellant sub 1] wijst erop dat de kadastrale grenzen in 2000 verkeerd zijn ingemeten en daardoor afwijken van de eigendomssituatie. De raad had daarom niet de kadastrale grens moeten volgen bij het bepalen van het bouwvlak. Ook is het bouwvlak ten opzichte van het voorgaande plan ten onrechte verkleind. [appellant sub 1] is ontstaan uit 2 bedrijven die naast elkaar lagen en in het voorgaande plan elk een (verbaal) bouwvlak hadden van 1 hectare. In het voorliggende plan is echter geen bouwvlak van 2 hectare, maar een bouwvlak van 1,36 hectare toegekend. Om te kunnen inspelen op toekomstige veranderingen is het nodig dat het bouwvlak van 2 hectare behouden blijft, aldus [appellant sub 1].
18.1. Wat betreft de oppervlakte en vorm van het toegekende bouwvlak, ziet de Afdeling geen aanleiding om het standpunt van de raad niet te volgen. De afwijkende vorm van het bouwvlak wordt mede verklaard door het feit dat het van oorsprong 2 afzonderlijke bedrijven waren.
De stelling van [appellant sub 1] dat de begrenzing van het bouwvlak aan de noordzijde afwijkt van andere bouwvlakken van percelen aan de Tielerweg, omdat die bouwvlakken wel doorlopen naast de bedrijfswoningen is juist, maar dat is op zichzelf onvoldoende om het besluit van de raad op dit punt gebrekkig te achten. De begrenzing van het bouwvlak aan de noordzijde is naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 1] een stuk richting de Tielerweg verlegd, maar het nog verder opschuiven van de grens van het bouwvlak acht de raad uit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt ongewenst, omdat daardoor nieuwe bedrijfsbebouwing te dicht langs de Tielerweg kan worden opgericht. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk en constateert dat bij andere agrarische bedrijven langs de Tielerweg de bouwvlakken ook niet zo dichtbij de Tielerweg liggen. Daarnaast is het deel van het perceel met het kadastrale nummer 2634 door de raad terecht niet binnen de begrenzing van het bouwvlak gebracht. Dat perceel werd ten tijde van de vaststelling van het plan niet legaal door [appellant sub 1] gebruikt.
Wat betreft de totale oppervlakte van het bouwvlak heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat vanwege de afwijkende bedrijfsvoering het niet vanzelfsprekend is dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het voorgaande plan 1-op-1 worden overgenomen, toen de bedrijfsvoering een overwegend grondgebonden karakter had. Met het toegekende bouwvlak is de bestaande bedrijfsvoering als zodanig bestemd. Tegenwoordig bestaat de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] grotendeels uit de teelt van sierbloemen en planten in potten op containervelden, wat zodanig afwijkt van grondgebonden agrarische activiteiten dat is gekozen voor een maatbestemming en een maatvoering voor het bouwvlak die daarbij passend is. Daarbij is niet in geschil dat de 2 oorspronkelijke bedrijven in het voorgaande plan weliswaar allebei een zogeheten ‘verbaal bouwvlak’ van 1 hectare hadden, maar het feitelijk onmogelijk was om die 2 hectare ook volledig te benutten. Dit betoog treft dan ook geen doel.
Overigens is tijdens de zitting door [appellant sub 1] meegedeeld dat met het oog op een toekomstbestendig bedrijf een bouwvlak van 1,75 hectare wenselijk zou zijn. Namens de raad is meegedeeld dat bij een toekomstige herziening van het planologisch regime - het omgevingsplan - welwillend naar een eventuele vergroting van het bouwvlak zal worden gekeken.
Kassen
19. [appellant sub 1] betoogt dat een aantal vergunningen voor kassen is verleend, maar die vergunde situatie niet als zodanig is bestemd. Bovendien bood het voorgaande plan aan beide bedrijven waar [bedrijf] uit is ontstaan de mogelijkheid om 1.500 m2 aan kassen te realiseren. Die mogelijkheid voor 3.000 m2 aan kassen is in het voorliggende plan teruggebracht tot 2.500 m2, zonder dat de raad daar een deugdelijke motivering voor heeft gegeven.
19.1. Niet in geschil is dat de kassen die op de percelen van [appellant sub 1] staan, daar legaal aanwezig zijn en zijn aan te merken als kassen in de zin van artikel 1.37 van de plan, waarin een definitie van ‘kas’ is opgenomen. Hiervan moeten tunnelkassen worden onderscheiden, die volgens de definitie van artikel 1.62 worden aangemerkt als teeltondersteunende voorzieningen. Anders dan de raad stelt en heeft beoogd te regelen in het plan, zijn de aanwezige kassen niet als zodanig bestemd. De kassen zijn gebouwen en staan binnen het toegekende bouwvlak, zoals artikel 4.2.1, onder b, van de planregels voorschrijft. De Afdeling stelt echter vast dat kassen volgens artikel 4.2.2, onder c, van de planregels uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘glastuinbouw’. Die aanduiding is niet toegekend aan de percelen van [appellant sub 1]. De stelling van [appellant sub 1] dat de aanwezige kassen ten onrechte niet positief zijn bestemd is dan ook juist. Dat voor de percelen een afwijkingsvergunning kan worden verleend om 2.500 m2 aan kassen te realiseren - zoals hierna wordt besproken - betekent niet dat de reeds vergunde en legale kassen positief zijn bestemd. Dit betoog slaagt.
19.2. De Afdeling volgt [appellant sub 1] niet in zijn standpunt dat hij onder het voorheen geldende bestemmingsplan meer kassen kon bouwen. In dat voorgaande plan "Buitengebied" uit 2006 was aan de gronden van [appellant sub 1] de bestemming "Landelijk gebied II" toegekend. De raad wijst er met juistheid op dat in artikel 5.4, onder a, sub 7, van de planvoorschriften van dat plan was bepaald dat vrijstelling kon worden verleend voor 1.500 m² aan kassen ter ondersteuning van de grondgebonden agrarische hoofdactiviteit.
Een aanzienlijk deel van de gronden van [appellant sub 1] is echter in gebruik als containerveld, wat geen grondgebonden activiteit is. Daarom volgt de Afdeling [appellant sub 1] niet in het betoog dat hij - na verlening van een vrijstelling op grond van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) - 1.500 m2 aan kassen op elk verbaal bouwvlak had kunnen neerzetten. In het voorliggende plan is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen in artikel 4.4.4, aanhef en onder a, van de planregels voor maximaal 2.500 m2 aan kassen. Daarmee kan een grotere oppervlakte aan kassen worden gerealiseerd dan onder het voorgaande plan mogelijk zou zijn op basis van de huidige bedrijfsvoering. Dit betoog slaagt niet.
Teeltondersteunende voorzieningen
20. [appellant sub 1] betoogt dat het plan geen teeltondersteunende voorzieningen (hierna: TOV) mogelijk maakt ter plaatse van zijn containerteelt. Hierbij wijst hij erop dat bij fruitteeltbedrijven TOV onbeperkt zijn toegestaan en dat de schaduwhallen die hij bij de containerteelt wil oprichten daarmee vergelijkbaar zijn.
20.1. Voor zover [appellant sub 1] binnen zijn bouwvlak TOV wil oprichten zoals schaduwhallen, wijst de Afdeling erop dat het plan dit toestaat. Tijdens de zitting is ook namens de raad bevestigd dat TOV binnen het bouwvlak zijn toegestaan. Een deel van de gronden waar nu containerteelt plaatsvindt binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - containerveld’ ligt ook binnen het bouwvlak. Aangezien schaduwhallen volgens de definitie in artikel 1.62 van de planregels onder TOV vallen, laat het plan dit toe voor de containervelden die binnen het bouwvlak liggen. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.
Wat betreft de containervelden die buiten het bouwvlak liggen, is het oprichten van TOV niet toegestaan. TOV buiten een bouwvlak zijn uitsluitend bij fruitteelt in boomgaarden toegestaan. Tijdens de zitting is namens de raad toegelicht dat uit ruimtelijk oogpunt - vanwege de landschappelijke impact van TOV - er bewust voor is gekozen om TOV buiten het bouwvlak uitsluitend toe te staan bij fruitboomgaarden en niet bij andere vormen van agrarisch gebruik. Gezien deze motivering en omdat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is dat buiten het bouwvlak TOV mogen worden opgericht, ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de raad dit mogelijk had moeten maken in het plan. In zoverre slaagt het betoog niet.
Aanduiding sierkwekerij
21. Verder voert [appellant sub 1] aan dat de aanduiding voor een sierkwekerij die is toegekend aan zijn bedrijf - door de wijze waarop die is geformuleerd - het toegestane gebruik ten onrechte beperkt tot uitsluitend een sierkwekerij. Volgens [appellant sub 1] zou een dergelijke aanduiding juist aanvullend moeten zijn op de algemene gebruiksmogelijkheden van de agrarische bestemming.
21.1. In het plan is aan de gronden van [appellant sub 1] de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - sierkwekerij’ toegekend. In artikel 4.1, aanhef en onder a, sub 8, van de planregels staat dat de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - sierkwekerij' uitsluitend een sierkwekerij is toegestaan.
Uit het voorgaande volgt dat [appellant sub 1] terecht stelt dat op zijn gronden uitsluitend een sierkwekerij is toegestaan en geen andere vorm van agrarisch gebruik. De raad heeft op de zitting toegelicht dat dit niet de beoogde werking van de aanduiding is, omdat die is bedoeld om in aanvulling op de agrarische bestemming ook een sierkwekerij toe te staan en niet enkel een sierkwekerij. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover dat betrekking heeft op artikel 4.1, aanhef en onder a, sub 8, van de planregels.
Bestuurlijke lus
22. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak een gewijzigd of nieuw besluit te nemen wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 5] in Geldermalsen, voor zover de legaal aanwezige kassen niet als zodanig zijn bestemd en voor artikel 4.1, aanhef en onder a, sub 8, van de planregels. Daarbij merkt de Afdeling op dat tijdens de zitting zowel [appellant sub 1] als de raad hebben meegedeeld dat zij kunnen instemmen met de aangepaste formulering van deze planregel zoals die op bladzijde 96 van het deskundigenbericht is vermeld.
23. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Het beroep van VBL
Landschapsontwikkelingsplan
24. Voor zover VBL aanvoert dat het plan in strijd is met het ‘Landschapsontwikkelingsplan 2008’ van de voormalige gemeente Geldermalsen, overweegt de Afdeling dat dit beleidsdocument niet meer geldt aangezien dat in 2022 is geactualiseerd door de gemeente West Betuwe. Anders dan VBL stelt, volgt uit de passage in het Landschapsontwikkelingsplan 2022 dat uiterwaarden werden en worden benut als weidegrond niet dat het voorliggende plan daarmee in strijd is. Het plan staat dergelijk bestaand gebruik toe, gezien de agrarische bestemming die aan de uiterwaarden van de Linge is toegekend in het plan. Dit betoog treft geen doel.
Spuitzones
25. De Afdeling volgt VBL niet in haar betoog dat de rivier de Linge en de uiterwaarden ten onrechte niet vallen onder de definitie in artikel 1.30, van de planregels, waarin het begrip ‘gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen’ is omschreven. Deze definitie wordt gebruikt voor het aanhouden van zogenoemde spuitzones rondom fruitboomgaarden en andere vormen van agrarisch gebruik waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. In het plan wordt daarbij in beginsel uitgegaan van een afstand van minimaal 50 meter tot gevoelige functies. Deze afstand is bedoeld om mensen te beschermen tegen schadelijke blootstelling aan bestrijdingsmiddelen op locaties waar zij langdurig verblijven zoals in woningen en tuinen. De rivier de Linge en de uiterwaarden zijn niet aan te merken als locaties waar mensen langdurig verblijven. De raad heeft de Linge en de uiterwaarden dan ook terecht niet als gevoelige functies aangemerkt. Daarvoor hoeven dan ook geen spuitzones in acht te worden genomen. Dit betoog slaagt niet.
Overigens betekent dit niet dat er uit hoofde van andere wettelijke voorschriften geen beperkingen kunnen gelden voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de uiterwaarden van De Linge.
Provinciale omgevingsverordening
26. VBL betoogt dat het plan in strijd is met de Omgevingsverordening Gelderland. De uiterwaarden van de Linge behoren tot het Nationaal Landschap Riviergebied, het Nationaal Landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie of het Landschap Tielerwaard. Daarmee vallen de uiterwaarden onder de beschermingsregimes van het Gelders Natuur Netwerk, de Groene Ontwikkelingszone en het Nationaal landschap en ze zijn in het voorliggende bestemmingsplan met aanduidingen ook als zodanig aangewezen. Volgens VBL is onvoldoende gemotiveerd dat het toestaan van teeltondersteunende voorzieningen de kernkwaliteiten van de uiterwaarden zoals beschreven in de Omgevingsverordening niet aantast.
26.1. Ten behoeve van het plan is een milieueffectrapport (hierna: MER) opgesteld. In het MER is in paragraaf 4.2 een uitvoerige beschrijven gegeven van de kernkwaliteiten van het gebied, waaronder het Gelders Natuur Netwerk en de Groene Ontwikkelingszone en daarbij is in paragraaf 4.2.8 ook getoetst aan de Omgevingsverordening. Bovendien worden de verschillende kernkwaliteiten beschermd door een aantal specifieke aanduidingen die in het plan daarvoor zijn opgenomen. Gelet op wat in het MER is vermeld volgt de Afdeling VBL niet in haar betoog dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat het plan voldoet aan de Omgevingsverordening. Dit betoog slaagt niet.
Wet natuurbescherming
27. VBL voert aan dat dat het plan ten onrechte niet is getoetst aan de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) wat betreft de effecten op beschermde diersoorten die hun vaste rust- of verblijfplaats hebben in het plangebied, waaronder vogels, vleermuizen - die vliegroutes hebben langs de Linge - en kleine marterachtigen.
De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In het MER is in paragraaf 4.2.5 onder andere gekeken naar het voorkomen van zoogdieren, vogels en vleermuizen in het plangebied en in paragraaf 4.2.8 zijn de effecten van het plan op voorkomende beschermde soorten beschreven. Anders dan de Vereniging betoogt, is wel getoetst aan de Wnb. Gelet hierop heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet.
Aanlegvergunningstelsel
28. VBL voert aan dat in de planregels ten onrechte geen aanlegvergunningstelsel is opgenomen voor de uiterwaarden van de Linge. De Afdeling stelt vast dat aan de uiterwaarden van de Linge de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" of de bestemming "Natuur" is toegekend. Beide bestemmingen kennen in artikel 4.7 dan wel artikel 13.4, van de planregels een aanlegvergunningstel, waarin een aantal bodemberoerende activiteiten vergunningplichtig is gemaakt. Daarnaast is aan sommige delen van de uiterwaarden ook de dubbelbestemming "Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie" toegekend, die in artikel 31.5 eveneens een aanlegvergunningstelsel kent. Dit betoogt mist dan ook feitelijke grondslag.
Afwijkingsbevoegdheid nieuwe boomgaarden
29. VBL betoogt dat de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.6.3, aanhef en onder a, van de planregels waarmee nieuwe boomgaarden in de uiterwaarden mogelijk kunnen worden gemaakt, niet streng genoeg is en in strijd is met de zorgvuldigheid en rechtszekerheid. Hiertoe brengt VBL naar voren dat een maximale oppervlakte van 5 hectare voor nieuwe boomgaarden te groot is, zeker in vergelijking met het voorgaande plan waarin de maximale oppervlakte 0,5 hectare was. Hierbij wijst VBL erop dat een veel grotere, aaneengesloten oppervlakte aan nieuwe boomgaarden in de uiterwaarden kan ontstaan, als meerdere bedrijven van de afwijkingsbevoegdheid gebruik maken. De planregels sluiten onrechte niet uit dat geen gebruik kan worden gemaakt van deze afwijkingsbevoegdheid op aan elkaar grenzende percelen.
Volgens VBL leidt deze afwijkingsbevoegdheid ook tot een innerlijke tegenstrijdigheid in de planregels. In artikel 4.1 wordt onder het doel behoud, bescherming, ontwikkeling en/of herstel van de landschappelijke en natuurwaarden de instandhouding begrepen van de gevarieerde invulling van de uiterwaarden Lingelandschap en de zichtlijnen naar de uiterwaarden. Grootschalige nieuwe boomgaarden die de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4.6.3 mogelijk maakt in de uiterwaarden zijn hiermee in strijd.
De voorwaarde van artikel 4.6.3, aanhef en onder b, van de planregels biedt volgens VBL geen toereikend toetsingskader voor het college om aanvragen voor vergunningen voor nieuwe boomgaarden in de uiterwaarden aan te toetsen. Waar het bij de uiterwaarden om gaat, zijn de kernkwaliteiten van de uiterwaarden zélf, niet om de natuur- en landschapswaarden van naburige percelen zoals in deze planregel staat, aldus VBL.
Als laatste betoogt VBL dat de zone van 10 meter in de derde afwijkingsvoorwaarde willekeurig is gekozen en onvoldoende is om de kernkwaliteit van de uiterwaarden als ecologische verbindingszone te beschermen. Daarnaast worden ook met een zone van 10 meter de zichtlijnen op de uiterwaarden nog steeds verstoord , zowel voor de kijkrichting vanaf de Linge op de uiterwaarden als voor de kijkrichting vanaf land op de uiterwaarden.
29.1. In artikel 4.6.3 van de planregels is het volgende bepaald: "Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1 ten behoeve van:
a. het toestaan van fruitteelt in de vorm van boomgaarden en de daarbij benodigde teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uiterwaard', met dien verstande dat:
1. de totale oppervlakte van de fruitteelt in de vorm van boomgaarden van aanvragen na vaststelling van dit plan per bedrijf niet meer bedraagt dan 5 ha;
2. geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de belangen en natuur- en landschapswaarden van de naburige percelen en gronden;
3. fruitteelt in de vorm van boomgaarden niet is toegestaan binnen een zone van 10 m vanaf de Linge;"
29.2. Het bezwaar van VBL tegen de afwijkingsbevoegdheid is - kort samengevat - dat dit de mogelijkheid biedt om in de uiterwaarden van de Linge (grote) arealen aan fruitboomgaarden te realiseren, terwijl die daar oorspronkelijk nooit aanwezig zijn geweest en dit tot een aantasting van het landschap leidt. Niet in geschil is dat de uiterwaarden van de Linge zich van oudsher kenmerken door een afwisselend agrarisch gebruik als grasland en op hoger gelegen delen als fruitboomgaarden.
29.3. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd dat de voorwaarden van de afwijkingsbevoegdheid zoals die in artikel 4.6.3, van de planregels zijn opgenomen niet tot een aantasting van het landschap leiden. Dit betoog van VBL slaagt. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.
De beperking tot maximaal 5 hectare sluit niet uit dat fruitteeltbedrijven die aan elkaar grenzende gronden in de uiterwaarden in eigendom hebben, kunnen verzoeken om van de afwijkingsbevoegdheid gebruik te maken en de voorwaarden geven dan geen reden om die vergunningaanvragen te weigeren. Toepassing van de afwijkingsbevoegdheid kan daardoor ertoe leiden dat feitelijk een aaneengesloten areaal aan fruitbomen kan worden gerealiseerd in de uiterwaarden dat veel groter is dan 5 hectare. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom in dat geval geen afbreuk wordt gedaan aan het huidige, afwisselende landschap van de uiterwaarden. Dit klemt temeer nu aan bijna alle agrarische gronden in de uiterwaarden de aanduiding ‘specifieke vorm agrarisch - uiterwaard’ is toegekend en dus planologisch overal fruitbomen kunnen worden geplant na verlening van een omgevingsvergunning. De stelling van de gemeente dat een groot deel van de uiterwaarden ongeschikt is voor fruitbomen, doet niet af aan de planologische mogelijkheid die is gecreëerd in het plan. De raad had ervoor kunnen kiezen om deze aanduiding te beperken tot geschikte uiterwaarden of anderszins in de planregels moeten uitsluiten dat omvangrijke, aaneengesloten arealen aan fruitboomgaarden kunnen worden vergund in de uiterwaarden. Voor zover de raad heeft gewezen op de aanlegvergunningplicht die tevens geldt voor het aanplanten van een areaal van meer dan 500 m2 aan fruitbomen ter plaatse van de bestemming "Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie", constateert de Afdeling dat blijkens de verbeelding die dubbelbestemming voor minder dan de helft van de uiterwaarden binnen het plangebied geldt. Daarmee is dus niet uitgesloten dat langs een aanzienlijk deel van de Linge op basis van alleen de afwijkingsbevoegdheid (grote) arealen aan fruitbomen kunnen worden geplant.
29.4. De Afdeling volgt VBL evenwel niet in het betoog dat de voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de natuur- en landschapswaarden van de naburige percelen en gronden, onvoldoende objectief bepaalbaar is. Dat de formulering van artikel 4.6.3, onder a, sub 2, van de planregels aan het college beoordelingsruimte laat bij de vraag of aan deze voorwaarde is voldaan, maakt de planregel op zichzelf niet te onbepaald en rechtsonzeker. Dit betoog slaagt niet.
29.5. De Afdeling ziet in wat VBL heeft aangevoerd geen reden om de voorwaarde dat geen aanplant van fruitbomen binnen 10 meter vanaf de Linge mag plaatsvinden uit ruimtelijk oogpunt onaanvaardbaar te achten. Die voorwaarde is objectief bepaalbaar en de raad heeft redelijkerwijs mogen volstaan met 10 meter. In het ontwerpplan was een zone van 5 meter opgenomen, omdat het waterschap Rivierenland - dat verantwoordelijk is voor het onderhoud aan de Linge - slechts een strook van 5 meter breed vereist langs de oever. Bij de vaststelling van het plan is naar aanleiding van de zienwijze van VBL de zone naar 10 meter verbreed. Wat betreft de stelling van VBL dat een bredere zone dan 10 meter nodig is voor de bescherming van de ecologische verbindingszone, overweegt de Afdeling dat VBL niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de delen van de uiterwaarden die in de Omgevingsverordening zijn aangewezen als ecologische verbindingszone, niet reeds afdoende zijn beschermd door de aanduidingen ‘overige zone - groene ontwikkelingszone’ en ‘overige zone - gelders natuurnetwerk’ die in het plan zijn opgenomen.
Bestuurlijke lus
29.6. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak een gewijzigd of nieuw besluit te nemen wat betreft de vaststelling van artikel 4.6.3, onder a, sub 1, van de planregels.
30. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Afronding
31. Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond. De beroepen van [appellant sub 5A] en [appellante sub 2] zijn gegrond en daarom wijzigt de Afdeling enkele onderdelen van het plan zelf door gebruik te maken van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Deze uitspraak is voor de beroepen van [appellant sub 6], [appellant sub 5A] en [appellante sub 2] een einduitspraak, zodat de procedure voor hen ten einde komt.
De Afdeling ziet wat betreft de beroepen van [appellant sub 5A] en [appellante sub 2] aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening
32. Voor de beroepen van [appellante sub 4], [appellant sub 1] en VBL past de Afdeling de bestuurlijke lus toe voor de gebreken die onder 11.1, 19.1, 21.1, 29.3 zijn geconstateerd. Deze uitspraak is voor deze drie beroepen een tussenuitspraak, zodat voor hen de procedure nog niet ten einde komt. Na afloop van de termijn voor de bestuurlijke lus zal nog een einduitspraak volgen voor hun beroepen.
De Afdeling wijst er op dat het in de rede ligt dat de raad [appellante sub 4], [appellant sub 1] en VBL betrekt bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit. Verder moet de raad de Afdeling, [appellante sub 4], [appellant sub 1] en VBL de uitkomst meedelen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast. Op een nieuw of gewijzigd besluit blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.4).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 6] ongegrond;
II. verklaart de beroepen van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellante sub 2] gegrond;
III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente West Betuwe van 21 december 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2022", voor zover dat betrekking heeft op:
a. de aanduiding ‘bouwvlak’ binnen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 1] in Rumpt;
b. de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit loon- en grondverzetbedrijf’ die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat betrekking heeft op de percelen aan de [locatie 3] en [locatie 4][ in Rhenoy;
c. de vaststelling van artikel 3.1, onder m, van de planregels;
IV. bepaalt dat:
a. de aanduiding ‘bouwvlak’ die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 1] in Rumpt is begrensd zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;
b. de aanduiding die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat betrekking heeft op de percelen aan de [locatie 3] en [locatie 4] in Rhenoy komt te luiden als volgt: ‘specifieke vorm van agrarisch - loon- en grondverzetbedrijf’
c. artikel 3.1, onder m, van de planregels komt te luiden als volgt: "ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - loon- en grondverzetbedrijf' tevens activiteiten in de vorm van een loon- en grondverzetbedrijf met een maximum oppervlakte aan gebouwen van 2650 m2 zijn toegestaan;";
V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde onderdelen van het besluit;
VI. draagt de raad van de gemeente West Betuwe op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
VII. draagt de raad van de gemeente West Betuwe op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak:
a. alsnog toereikend te motiveren dat de bestaande, legale situatie op het noordelijke deel van het perceel van [appellante sub 4] waaraan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" is toegekend positief is bestemd, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen;
b. een gewijzigd of nieuw besluit te nemen voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" dat betrekking heeft op de gronden aan de [locatie 5] in Geldermalsen, voor zover de legaal aanwezige kassen niet als zodanig zijn bestemd en voor artikel 4.1, aanhef en onder a, sub 8, van de planregels;
c. een gewijzigd of nieuw besluit te nemen wat betreft de vaststelling van artikel 4.6.3, onder a, sub 1, van de planregels;
VIII. de Afdeling en [appellante sub 4], [appellant sub 1] en de Vereniging tot Behoud van het Lingelandschap de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen;
IX. gelast dat de raad van de gemeente West Betuwe aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
a. € 365,00 voor [appellante sub 2];
b. € 184,00 voor [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
X. wijst het verzoek van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] om schadevergoeding toe;
XI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] een schadevergoeding van € 2.000,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Vreugdenhil
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
571 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|