|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:2271 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 25/1245 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die is verleend voor het wijzigen van een groepsaccommodatie naar logiesverblijven. Eiseres is het niet eens met dit besluit. De rechtbank oordeelt dat het besluit van het college een motiveringsgebrek kent. Dit gebrek kan echter met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1245
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats 1], eiseres
(gemachtigde: mr. J.G. Hubbeling),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede
(gemachtigde: G.H. Landeweerd).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2]
(gemachtigde: [gemachtigde 1], [gemachtigde 2]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die is verleend voor het wijzigen van een groepsaccommodatie naar logiesverblijven. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de omgevingsvergunning heeft verleend. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Op 13 december 2022 heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het wijzigen van een groepsaccommodatie naar meerdere logiesverblijven op het perceel [locatie] te [plaats 2]. De omgevingsvergunning omvat het bouwen van een bouwwerk en het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. De aanvraag is namelijk in strijd met het bestemmingsplan ‘Agrarisch Buitengebied Ede 2012’, omdat de maximaal toegestane goothoogte van vier meter ter plaatse van de dakopbouw in de voorgevel (bij de ingang van het pand) wordt overschreden. De dakopbouw heeft een goothoogte van zes meter.
2.1.
Op 5 april 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. De commissie voor de bezwaarschriften (de commissie) heeft in haar advies opgenomen dat onvoldoende in beeld is gebracht of de voorliggende bouwplannen geen (significante) negatieve effecten kunnen hebben op specifieke natuurwaarden van Natura 2000-gebieden. Daarom is volgens de commissie niet duidelijk of de Wet natuurbescherming van toepassing is en of de uitgebreide voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd vanwege een aanhaakverplichting.
2.2.
Op 22 januari 2025 heeft de derde-partij een vergunningsaanvraag voor een Natura 2000-activiteit ingediend bij de gedeputeerde staten van de provincie Gelderland (hierna: gedeputeerde staten).
2.3.
Op 18 februari 2025 heeft het college besloten dat het bezwaar van eiseres gegrond is. Het college heeft het besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering. Het college oordeelt dat de aanhaakplicht is komen te vervallen, omdat de derde-partij ervoor heeft gekozen de vereiste natuurtoestemming afzonderlijk aan te vragen bij gedeputeerde staten.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college en de gemachtigden? van de derde-partij.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 december 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
4. Eiseres betoogt dat college ten onrechte geen aanhaakplicht heeft aangenomen ten aanzien van de soorten- en gebiedsbescherming. Verder betoogt eiseres dat de motivering om een afwijkende goothoogte te vergunnen en de belangenafweging tussen de uitbreiding van de recreatie en het Natura 2000-gebied onvoldoende is gemaakt.
Strijd Wet natuurbescherming
5. Als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning voor bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo ook een vergunning of ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is, kan de aanvrager kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen vergunning of ontheffing op grond van de Wnb is gevraagd of verleend, bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder a van het Bor de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteit een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wabo aan te vragen.
5.1.
De rechtbank zal hierna eerst bespreken of nog een aanhaakverplichting bestaat voor de soortenbescherming, daarna of die nog bestaat voor gebiedsbescherming.
Soortenbescherming
6. Eiseres stelt dat het college het besluit ten onrechte in stand heeft gelaten, omdat de aanhaakplicht in het kader van soortenbescherming niet is nageleefd. Het college heeft de derde-partij verzocht nadere stukken aan te leveren, maar de derde-partij heeft dit nagelaten.
6.1.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt vast dat het college in de beslissing op bezwaar heeft gesteld dat aannemelijk was dat sprake is van een aanhaakplicht in het kader van soortenbescherming. Tevens schrijft het college dat het de derde-partij had verzocht nadere stukken aan te leveren, wat door de derde-partij was nagelaten. Het college stelt vervolgens dat de aanhaakplicht zou zijn vervallen omdat de derde-partij tijdens de bezwaarfase een aparte vergunning heeft aangevraagd bij de gedeputeerde staten. Echter staat vast dat de derde-partij geen vergunning voor een flora- en fauna-activiteit heeft aangevraagd, maar alleen voor de gebiedsbescherming, de Natura 2000-activiteit. Dit betekent dat de beslissing op bezwaar een motiveringsgebrek kent.
Kan het gebrek gepasseerd worden?
6.2.
Omdat het college in het verweerschrift stelt dat op basis van de ecologische onderzoeken geen ontheffing nodig is voor beschermde plant- en diersoorten als bedoeld in de Wet natuurbescherming, zal de rechtbank beoordelen of het mogelijk is dit gebrek te passeren. Ter zitting heeft het college namelijk toegelicht dat het na een hernieuwde beoordeling tot de conclusie is gekomen dat uit de uitgevoerde ecologische onderzoeken blijkt dat er geen bedreigde of beschermde plant- of diersoorten aanwezig zijn op het terrein waarop het recreatieterrein [naam landgoed] is gelegen. Hoewel het groepsgebouw mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor kleine vleermuizen, zijn tijdens het onderzoek geen verblijfplaatsen aangetroffen. Ook broedvogels worden niet significant verstoord, met name niet buiten het broedseizoen. De aanwezige soorten zijn algemeen, waardoor het bouwplan geen bedreiging vormt voor de biodiversiteit. Daarom stelt het college dat geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is vereist.
6.3.
De rechtbank volgt het standpunt van het college. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het rapport naar voren gebracht en geen deskundig tegenonderzoek overgelegd. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het bezwaar met name ziet op de gevolgen van recreatieve activiteiten voor het aangrenzende Natura 2000-gebied, en niet op de soortenbescherming. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Staten volgt dat geen aanhaakplicht geldt indien activiteiten geen negatieve ecologische effecten hebben. De rechtbank zal het motiveringsgebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren, omdat niet aannemelijk is dat belanghebbenden door dit gebrek zijn benadeeld.
Gebiedsbescherming
7. Volgens eiseres kan geen sprake zijn van intern salderen, omdat enerzijds geen duidelijke referentiesituatie bestaat en anderzijds intern salderen met terugwerkende kracht vergunningplichtig is geworden door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024. Daarnaast houdt het college volgens eiseres geen rekening met het feit dat de provincie Gelderland momenteel geen natuurvergunningen afgeeft vanwege onzekerheid over het landelijke beleid op dit punt. Het college had daarom de omgevingsvergunning niet mogen verlenen, temeer omdat het college de derde-partij in de omgevingsvergunning waarschuwt dat het plan pas kan worden uitgevoerd nadat ook de natuurvergunning is verleend. Eiseres stelt dat het college op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn daarom zelf verplicht is een passende beoordeling te maken van de mogelijke significante effecten van het project op het Natura 2000-gebied Binnenveld. Dit zou volgen uit het Kokkelvisserij-arrest.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat intern salderen sinds de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 vergunningplichtig is geworden. Om die reden heeft de derde-partij op 22 januari 2025 een aanvraag voor Natura 2000-activiteit ingediend bij gedeputeerde staten. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 april 2020 bevestigd dat het gedurende een procedure loskoppelen van een natuurtoestemming (zowel voor gebiedsbescherming als soortenbescherming) van de omgevingsvergunning is toegestaan. De uiteindelijke beoordeling van de natuurvergunning ligt bij gedeputeerde staten. De rechtbank stelt vast dat noch in de wet, noch in de jurisprudentie aanknopingspunten te vinden zijn waaruit volgt dat het college daarbij een afweging moet maken over de uitkomst van de natuurvergunningprocedure. Uit het Kokkelvisserij-arrest volgt, naar het oordeel van de rechtbank, evenmin dat het college zelf verplicht is een passende beoordeling te maken van de mogelijke effecten van het project op het Natura 2000-gebied. Dat de derde-partij de natuurvergunning afzonderlijk bij gedeputeerde staten heeft aangevraagd en reeds over een omgevingsvergunning beschikt, maakt niet dat sprake is van strijd met de Habitatrichtlijn. De noodzakelijke toetsing en passende beoordeling blijven immers vereist voor Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten. Indien de derde-partij zonder natuurvergunning gebruikmaakt van de omgevingsvergunning, kan hiertegen handhavend worden opgetreden.
Strijd met het bestemmingsplan
8. Eiseres stelt dat het plan op meerdere onderdelen in strijd is met het bestemmingsplan: het bouwplan wordt gedeeltelijk buiten het bouwvlak gerealiseerd zonder dat daar in de besluitvorming rekening mee is gehouden, de motivering om een afwijkende goothoogte te vergunnen vanwege een hoogwaardig architectonisch concept is ondeugdelijk en de belangenafweging tussen de uitbreiding van de recreatie en het Natura 2000-gebied is onvoldoende gemaakt.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II van het Bor is afgeweken van artikel 10.2.2, onder a, van de planregels. Een omgevingsvergunning kan in zo’n geval worden verleend als sprake is van een geval als bedoeld in artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II van het Bor en als sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voordat de rechtbank op de beroepsgronden ingaat, benadrukt de rechtbank dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
8.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de afwijking van de goothoogte geen nadelige gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient het college bij het afwijken van een bestemmingsplan een belangenafweging te maken waarbij de ruimtelijke effecten die optreden als gevolg van de vergunde afwijking worden afgewogen tegen de met die afwijking gediende belangen. De ruimtelijke effecten van hetgeen reeds op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, blijven daarbij buiten beschouwing. Vooropgesteld moet worden dat de afwijking alleen ziet op de goothoogte ter plaatse van de ingang van het pand. Het college hoeft enkel te beoordelen of de ruimtelijke effecten van die toegenomen goothoogte nadelige gevolgen hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de betrokken belangen. Het college stelt dat de afwijking van de goothoogte aanvaardbaar is, omdat sprake is van een hoogwaardig architectonisch concept dat de gebouwen een robuuste en landelijke uitstraling geeft. Volgens het college zijn er verder geen dringende belangen in het geding, zoals aantasting van uitzicht of schaduwwerking. Eiseres heeft ook niet onderbouwd waarom de afwijking in goothoogte niet aanvaardbaar zou zijn. Ten aanzien van hetgeen eiseres heeft gesteld over bouwen buiten het bouwvlak is ter zitting door de derde-partij toegelicht dat dit onder de oorspronkelijke vergunning voor de groepsaccommodatie uit 2011 was toegestaan. De nu aangevraagde vergunning ziet uitsluitend op het aanpassen van deze verleende vergunning en niet op bouwen buiten het bouwvlak, zodat het college hier geen nieuwe belangafweging behoeft te verrichten. Verder heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van het bestemmingsplan recreatie is toegestaan, zodat het college ook geen belangenafweging hoeft te maken tussen die recreatie en het Natura 2000-gebied.
Werkzaamheden gestart zonder natuurvergunning
9. Eiseres stelt dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de werkzaamheden reeds zijn gestart zonder natuurvergunning, waardoor sprake zou zijn van een onzorgvuldige vergunningverlening in strijd met de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet.
9.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat, indien de derde-partij niet over de benodigde natuurvergunning beschikt, dit een kwestie van handhaving betreft. Het toezicht op en de handhaving van de Wet natuurbescherming liggen bij gedeputeerde staten en niet bij het college.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. De rechtbank heeft in overweging 7.2 geoordeeld dat het besluit van het college een motiveringsgebrek kent. Dit gebrek kan echter met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. De rechtbank ziet hierin wel aanleiding te bepalen dat het college het door eiseres betaalde griffierecht dient te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,00 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. van Oosterhout , griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, onderdeel vier, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Zie artikel 10.2.2. van de planregels.
ECLI:NL:RVS:2024:1295.
ECLI:NL: RVS:2024:1295, r.o.8.5 t/m 8.11.
ECLI:NL:RVS:2024:4923.
ECLI:EU:C:2004:482.
ECLI:NL:RVS:2020:1160.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1596, r.o. 3.
ECLI:NL:RVS:2020:492. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|