|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:1192 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 24/6973 UTR 25/1184 en UTR 25/11 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Wabo. In deze zaak gaat het over de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een schapenloods en werktuigenberging. Omwonenden zijn het hier niet mee eens en hebben beroep ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat de planregels niet in de weg staan aan de vestiging van meer dan één hoofdgebouw en/of één agrarisch bedrijf op het bouwvlak. Verder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de schapenloods en werktuigenberging anders worden gebruikt dat is vergund. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | varkenshouderij | | | veehouderij | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/6973, UTR 25/1184 en UTR 25/1185
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen
1. [eiser sub 1]uit [woonplaats] ,
2. [eiser sub 2]uit [woonplaats] ,
3. [eiser sub 3]uit [woonplaats] , hierna gezamenlijk eisers
(gemachtigde: mr. E.J.H. Plambeck)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater (het college), verweerder
(gemachtigde: N. el Khattouti).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Maatschap [vergunninghouder], uit [vestigingsplaats] , vergunninghouder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het bouwen van een schapenloods en werktuigenberging op de locatie [adres] te Papekop. De rechtbank beoordeelt de zaak aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft de omgevingsvergunning op 21 oktober 2022 aangevraagd. Met het primaire besluit van 4 oktober 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Omwonenden waaronder eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.
2.1.
Met het besluit van 8 november 2023 (het bestreden besluit) is het college met een aanvullende motivering bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 4 december 2024 gronden ingediend. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op de zitting van 9 januari 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, [A] , de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [B] en [C] en [D] namens vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
De ontvankelijkheid van eisers
De ontvankelijkheid van eiser 1 – procesbelang
3. Het college stelt zich op het standpunt dat het belang dat de heer [A] had bij de indiening van het beroepschrift hangende de procedure is komen te vervallen. De eigendomsoverdracht van de woning heeft op 29 april 2025 plaatsgevonden en eiser 1 heeft bij aankondiging van het voortzetten van de beroepsprocedure in oktober 2025 niet toegelicht wat het persoonlijke belang is bij deze procedure. Het beroep van eiser 1 dient volgens het college daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep van eiser 1 niet-ontvankelijk te verklaren. Onder verwijzing naar de uitspraak van 3 december 2025 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) overweegt de rechtbank dat een rechtsopvolger onder bijzondere titel een procedure bij de bestuursrechter kan overnemen als het belang bij betrokkenheid in de procedure in zijn geheel is overgegaan op de rechtsopvolger. Een voorbeeld hiervan is als de eigenaar van een woning een aanspraak op rechtsbescherming heeft opgebouwd vanwege zijn belang als eigenaar. Bij het overdragen van de woning gaat het belang van de eigenaar automatisch en geheel over op een nieuwe eigenaar. Dit doet zich hier voor. Eiser 1 heeft dus ook niet nader hoeven toelichten wat zijn belang is in deze procedure.
De ontvankelijkheid van eiser 2 en eiser 3 – kopie van het besluit
3.2.
Het college stelt zich ten aanzien van de beroepen van eiser 2 en 3 op het standpunt dat geen kopie van de besluiten zijn overgelegd dat aan hen is gericht en dat dit verzuim niet is hersteld. Gelet daarop dienen de beroepen van eiser 2 en eiser 3 volgens het college niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3.3.
Met het instellen van beroep heeft de gemachtigde van eisers het besluit dat is gericht aan de heer [A] overgelegd. De rechtbank heeft op 28 januari 2025 gemachtigde van eisers verzocht om de besluiten die zijn gericht aan eiser 2 en eiser 3 te verstrekken. Met de e-mail van 11 februari 2025 heeft de gemachtigde hieraan voldaan en het verzuim hersteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren.
De ontvankelijkheid van eiser 3 – gronden
3.4.
Het college heeft ten aanzien van het beroep van eiser 3 verder aangevoerd dat niet is gebleken dat de aanvullende gronden van 4 december 2025 zijn ingediend namens eiser 3, zodat het beroep ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
3.5.
De rechtbank is van oordeel dat uit de e-mail van 27 februari 2025 van gemachtigde van eisers voldoende is gebleken dat de aanvullende gronden van 4 december 2025 ook zijn ingediend in het beroep van eiser 3. Het enkele feit dat de naam van eiser 3 niet is vermeld in de aanvullende gronden, maakt niet dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Bovendien is het pro forma beroepschrift ook namens eiser 3 ingediend. In het verlengde daarvan kan de rechtbank ook volgen dat de aanvullende gronden ook zijn aangevoerd in het beroep van eiser 3. Zeker na de verduidelijking van 27 februari 2025 ziet de rechtbank geen reden om het beroep van eiser 3 niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van gronden.
Beoordeling van het bestreden besluit
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
Het bestemmingsplan
5. Op het perceel aan de [adres] gold ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning het bestemmingsplan LG Hekendorp Papekop - 1e herziening (herziening van het eerdere bestemmingsplan Landelijk gebied Hekendorp Papekop). Op grond van dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur en landschapswaarden’, ‘Waarde – Archeologie 6’ en ‘Gebiedsaanduiding “milieuzone – bodembeschermingsgebied”’.
5.1.
De aanvraag ziet op een schapenloods en werktuigenberging. Deze aanvraag is volgens het college in strijd met artikel 3.2, onder f, van de planregels van het bestemmingsplan, omdat daarin is bepaald dat de afstand van gebouwen tot andere gebouwen en perceelsgrenzen ten minste drie meter dient te bedragen, en het bouwplan op anderhalve meter van de perceelsgrenzen is gesitueerd. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ met toepassing van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid (artikel 3.3.4 van het bestemmingsplan).
Hoofdgebouw en agrarisch bedrijf
6. Vergunninghouder deelt een bouwvlak met eiser 3. Eisers voeren aan dat ten onrechte in strijd met het bestemmingsplan een nieuw hoofdgebouw en een nieuw agrarisch bedrijf wordt toegestaan. Volgens eisers volgt uit de plansystematiek – zoals onder meer neergelegd in artikel 1.64 en artikel 3.2, onder h – dat slechts één hoofdgebouw per perceel is toegestaan. Uit paragraaf 4.3.1 in samenhang gelezen met artikel 3.1 aanhef en onder a, in combinatie met artikel 1.8, onder a, en artikel 3.3.1, onder c, van de planregels volgt volgens eisers daarnaast dat slechts één agrarisch bedrijf per bouwvlak is toegestaan. Ook wijzen eisers op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 6 april 2016 waaruit volgt dat meerdere kadastrale percelen ruimtelijk gezien als een geheel moeten worden aangemerkt. Dit in onderling verband gelezen, betekent volgens eisers dat de aanvraag ook op dit punt in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college de omgevingsvergunning niet als zodanig heeft kunnen verlenen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de planregels niet in de weg staan aan de vestiging van meer dan één hoofdgebouw op het perceel of meer dan één agrarisch bedrijf op het bouwvlak. Daartoe overweegt de rechtbank dat in artikel 1.64 geen beperking is gesteld aan het aantal hoofdgebouwen. Er wordt namelijk gesproken over een of meer panden die gelet op de bestemming van een perceel het belangrijkst is of zijn. Daar komt bij dat er op het moment nog geen hoofdgebouw is op het perceel van vergunninghouder. De rechtbank kan eisers niet volgen in hun redenering dat in dit geval de kadastrale percelen van vergunninghouder en eiser 3 ruimtelijk gezien als een geheel moeten worden aangemerkt. Het is de rechtbank namelijk niet gebleken van enige samenhang tussen de kadastrale percelen.
6.2
Artikel 3.2, onder h, gaat over inpandige woongelegenheden en is hier niet van toepassing. De rechtbank ziet in artikel 3.2 ook overigens geen aanwijzingen voor de conclusie dat er maar één hoofdgebouw per perceel toegestaan is. Dit artikel bepaalt dat op gronden gebouwd mag worden. In artikel 3.2, onder j, van de planregels is bepaald dat er geen maximaal aantal geldt voor ‘overige bedrijfsgebouwen’. Dit laat juist de mogelijkheid open voor meerdere hoofdgebouwen.
6.3.
In artikel 3.1, aanhef en onder a, en artikel 1.8 is naar het oordeel van de rechtbank ook geen beperking opgenomen ten aanzien van het aantal agrarische bedrijven per bouwvlak. In artikel 3.1 staat dat de voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' aangewezen gronden bestemd zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Volgens eisers zou hieruit volgen dat er maar één agrarisch bedrijf per bouwvlak toegestaan is. Dit artikel ziet echter niet op bouwvlakken, maar op gronden met deze bestemming. Met dit artikel wordt ook geen beperking in het aantal agrarische bedrijven opgelegd. Een dergelijke beperking zou namelijk betekenen dat in het hele bestemmingsgebied slechts één agrarisch bedrijf is toegestaan. Dat staat er niet en het is er ook niet mee bedoeld. Het artikel bepaalt enkel wat is toegestaan op gronden waarvoor de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden' geldt.
6.4.
Ten aanzien van artikel 3.3.1 van de planregels kan de rechtbank het college volgen dat dit een afwijkingsmogelijkheid betreft die in een individueel geval beoordeeld zal worden. Eisers worden daarom niet gevolgd dat uit deze bepaling een beperking volgt ten aanzien van het aantal agrarische bedrijven.
6.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, worden eisers dan ook niet gevolgd in hun standpunt dat het bestemmingsplan beperkingen stelt aan het aantal hoofdgebouwen en agrarische bedrijven. De beroepsgrond slaagt niet.
De aanvraag
7. Eisers voeren aan dat de aanvraag niet overeenkomt met de feitelijke situatie. Volgens eisers is namelijk geen sprake van grondgebonden veehouderij, omdat er niet is voldaan aan “structureel bij het bedrijf horende gronden”. Verder heeft vergunninghouder een uitbreiding van de intensieve varkenshouderij beoogt, nu vaststaat dat het materieel wordt opgeslagen in de nieuwe gebouwen en dat dit niet is toegestaan. Daarbij wijzen eisers erop dat de aanvraag is ingediend in opdracht van de maatschap en niet door of namens een individuele maat die een afzonderlijk bedrijf exploiteert. Tot slot voeren eisers aan dat het grootste deel van het agrarische gebouw zal worden gebruikt ten behoeve van opslag van materiaal en dat het niet aannemelijk is dat deze omvang noodzakelijk is in het licht van de omvang van de agrarische activiteiten. Opslag voor derden is niet toegestaan. Op voorhand is aannemelijk dat gebruik in strijd met bestemmingsplan zal zijn, zodat de vergunning geweigerd had moeten worden.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Uit de aanvraag en daaraan ten grondslag liggende stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de schapenloods en werktuigenberging zal worden gebruikt anders dan is vergund. Eisers hebben hun standpunt ook niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld met stukken. Mocht toch blijken dat de schapenloods en werktuigenberging in afwijking van de vergunning wordt gebruikt, dan is dat een kwestie van handhaving. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2025:5857, r.o. 4.3.
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
ECLI:NL:RVS:2016:930. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|