|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:2259 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/777730 / HA ZA 25-16 C/13/777730 / HA ZA 25-16 | | Rechtsgebied | : | Goederenrecht | | Indicatie | : | Geschil over de eigendom van een strook grond. De vorderingen van eiser zijn ingesteld ten behoeve van de gemeenschap als bedoeld in artikel 3:171 BW. Het beroep op verkrijgende verjaring slaagt, omdat eiser de strook grond meer dan tien jaar onafgebroken in bezit heeft gehad. Eiser is dus eigenaar is geworden van de strook grond. De tegenvordering tot teruglevering van de strook grond wordt afgewezen, omdat eiser te goeder trouw was. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | koeien | | | perceel | | | stallen | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/777730 / HA ZA 25-1637
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. K. van Baarle (inmiddels onttrokken),
tegen
[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.J.M. van Kooten.
1Waar gaat de zaak over?
1.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben aangrenzende percelen en zijn het oneens over van wie een strook grond is. [gedaagde] heeft in juni 2024 een bestaand hek weggehaald en op een andere plek, meer in de richting van het perceel van [eiser] , een nieuw hek geplaatst. [eiser] is het hier niet mee eens omdat hij vindt dat de strook grond tussen waar het vorige hek stond en de plek van het nieuwe hek door verjaring van hem is geworden. Hij wil daarom de strook grond terug.
1.2.
De rechtbank oordeelt onder andere dat het beroep van [eiser] op verkrijgende verjaring slaagt en dat de strook grond daarom van [eiser] is geworden. Dat wordt hierna uitgelegd.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 29 juli 2024, tevens bevattende provisionele vordering, met producties,
het antwoord in incident met producties,
de e-mail van de rechtbank van 22 augustus 2024, waarin de beslissing is gegeven dat de incidentele (provisionele) vordering tegelijk met de hoofdzaak wordt behandeld,
de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie, met producties,
de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie,
het tussenvonnis van 18 december 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
de akte overlegging producties van [eiser] met producties,
de akte eiswijziging (vermeerdering) van [eiser] ,
de mondelinge behandeling van 21 maart 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt die in het dossier zitten en de daarop voorgedragen spreekaantekeningen van de advocaten van partijen,
het bericht van mr. Van Baarle van 9 juli 2025 waarin staat dat zij zich als advocaat onttrekt en [eiser] over de gevolgen hiervan is geïnformeerd,
het bericht van mr. Van Kooten van 23 juli 2025 waarin verzocht is om vonnis te wijzen,
het bericht van mr. Van Kooten van 21 oktober 2025 waarin nogmaals verzocht is om vonnis te wijzen,
het bericht van de rechtbank van 28 oktober 2025 waarin gemeld is dat de zaak is heropend en een nieuw zaaknummer heeft.
3De feiten
3.1.
[eiser] is samen met [naam] sinds 2007 eigenaar van het recreatieperceel nabij de [locatie] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] [sectie+nummer 1] (hierna: perceel [sectie+nummer 1] ). Aanvankelijk huurde [eiser] vanaf mei 1982 dit perceel.
3.2.
[gedaagde] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend als gemeente [gemeente] [sectie+nummer 2] . [gedaagde] is boer en gebruikt dit perceel onder andere voor zijn koeien. [gedaagde] heeft in 2018 het bedrijf van zijn vader overgenomen. Voor die tijd was de vader van [gedaagde] (hierna: [gedaagde] senior) eigenaar van het perceel.
3.3.
De percelen van partijen grenzen aan elkaar. In het verleden werden de percelen gescheiden door een sloot. Omstreeks 1984 heeft [gedaagde] senior een dam in de betreffende sloot gelegd en aan zijn kant van de dam een hek gemaakt van palen en prikkeldraad.
3.4.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de eigendom van een strook grond.
3.5.
Op 29 juni 2024 heeft [gedaagde] het bestaande hek weggehaald en op een andere plek, meer naar de kant van het perceel van [eiser] , een nieuw hek geplaatst.
3.6.
[eiser] heeft onderstaande foto overgelegd, waarin hij met rood het deel waarover partijen twisten heeft omlijnd. Aan de linkerzijde van het rode vak is het perceel van [eiser] en aan de rechterzijde het perceel van [gedaagde] .
Het rood omlijnde vak wordt hierna aangeduid als de strook grond.
3.7.
Bij brief van 5 juli 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om uiterlijk 12 juli 2024 de strook grond weer volledig in bezit te geven aan [eiser] , waarbij de oorspronkelijke grensafscheiding wordt hersteld op de grenslijn zoals die bestond vóór 29 juni 2024.
3.8.
Partijen hebben daarna meermaals gecorrespondeerd over de kwestie en ook na de zitting is er nog overleg geweest, maar zij zijn er niet samen uitgekomen.
4De vorderingen over en weer
de vorderingen van [eiser] (in conventie)
4.1.
[eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank:
in de hoofdzaak:
I. voor recht verklaart dat de strook grond eigendom is (geworden) van [eiser] ,
II. [gedaagde] gebiedt medewerking te verlenen aan de aanpassing van de kadastrale grens zodat de strook grond tot het perceel van [eiser] behoort,
III. [gedaagde] gebiedt binnen zeven kalenderdagen na dagtekening van het vonnis de door [gedaagde] gefabriceerde afrastering geheel te verwijderen en verwijderd te houden van de strook grond,
IV. [gedaagde] verbiedt op het terrein van [eiser] , waaronder de strook grond, te komen,
V. [gedaagde] gebiedt het door hem verwijderde schapenhek terug te plaatsen op de grenslijn, zoals die bestond vóór 29 juni 2024,
VI. [gedaagde] gebiedt een appelboom te plaatsen op de strook grond, ter grootte van en ter vervanging van de door [gedaagde] verwijderde appelboom van ca. 80 cm omtrek,
VII. [gedaagde] verplicht redelijkerwijs alles te doen wat nodig is om [eiser] goederenrechtelijk eigenaar te laten worden van de strook grond (waaronder mee te werken aan het (laten) passeren van een notariële leveringsakte),
in het incident:
VIII. [gedaagde] gedurende tot aan de uitspraak in de hoofdzaak verplicht de strook grond onmiddellijk te herstellen naar de toestand zoals deze was vóórdat [gedaagde] de strook grond zich toe-eigende door:
a. [gedaagde] te verplichten zijn gefabriceerde hekwerk te verwijderen,
b. [gedaagde] te gebieden het oude hekwerk bestaande uit houten palen en schapengaas (of een daaraan soortgelijk hekwerk) terug te plaatsen op de oude grens,
in de hoofdzaak en in het incident:
IX. [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van het te wijzen (tussen)vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag (of deel daarvan) dat [gedaagde] in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-,
X. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proces- en nakosten.
[eiser] verzoekt de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
de tegenvorderingen van [gedaagde] (in voorwaardelijke reconventie)
4.2.
[gedaagde] vordert, voor zover [eiser] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond, dat de rechtbank [eiser] veroordeelt tot teruggave van de grond bij wijze van het respecteren van de huidige erfgrens en tot betaling van de proceskosten. Ook [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
5De beoordeling
in conventie en in reconventie
5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van beide partijen behandelt de rechtbank ze gezamenlijk.
Formele punten vooraf
Geen extra schriftelijke ronde
5.2.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij de ‘conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie’ van [eiser] niet heeft gezien en heeft verzocht om daarop na de zitting nog schriftelijk te mogen reageren. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
5.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om [gedaagde] nog schriftelijk te laten reageren. Uit de e-mail van mr. Van Baarle van 19 november 2024 aan de griffie van de rechtbank blijkt dat deze e-mail in cc is verzonden aan mr. Van Kooten, met in de bijlage de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie. Dat betekent dat [gedaagde] tijdig over dit processtuk kon beschikken en dus ook op de zitting hierop had kunnen reageren.
[eiser] is ontvankelijk in zijn vorderingen
5.4.
[gedaagde] wijst erop dat sprake is van een gemeenschap, omdat perceel [sectie+nummer 1] in eigendom toebehoort aan [eiser] en [naam] gezamenlijk. [eiser] is bevoegd om zelfstandig een rechtsvordering in te stellen in het belang van alle deelgenoten, maar moet daarbij in de dagvaarding kenbaar maken dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zo veel mogelijk met naam genoemde, deelgenoten optreedt. Omdat [eiser] dat niet heeft gedaan, is hij niet ontvankelijk in zijn vorderingen, zo zegt [gedaagde] .
5.5.
[eiser] bevestigt dat ten aanzien van het perceel sprake is van een gemeenschap en heeft op de zitting toegelicht dat de vordering in de dagvaarding zo gelezen moet worden dat bedoeld is die vorderingen ook namens mede-eigenaar [naam] in te stellen.
5.6.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen. De rechtbank ziet in de toelichting van [eiser] aanleiding om de dagvaarding ruimhartig te lezen en daarin te begrijpen dat de vorderingen van [eiser] ten behoeve van de gemeenschap zijn ingesteld. [eiser] is inderdaad op grond van artikel 3:171 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevoegd om zelfstandig een rechtsvordering in te stellen in het belang van alle deelgenoten. De achterliggende gedachte hiervan is dat een deelgenoot niet afhankelijk hoort te zijn van de overige deelgenoten als hij een gemeenschappelijke zaak uit handen van een derde, die geen recht heeft op dat goed, wenst te vorderen. Het klopt ook dat in de dagvaarding kenbaar moet worden gemaakt dat de vorderingen zijn ingesteld ten behoeve van de gemeenschap, en dat heeft [eiser] in dit geval niet expliciet gedaan. De rechtbank gaat aan deze formele eis voorbij omdat het voor [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure al duidelijk was dat [eiser] mede namens [naam] aanspraak maakte op de strook grond. De advocaat van [eiser] heeft immers in de brief van 5 juli 2024 aangegeven dat [eiser] en [naam] tezamen eigenaar zijn van perceel [sectie+nummer 1] en namens hen beiden verzocht om de strook grond terug te geven. Dat [gedaagde] nadeel ondervindt van deze ruimhartige uitleg door de rechtbank is niet gesteld en ook niet gebleken. Een strikt formele benadering dient in dit geval onvoldoende belang, leidt naar alle waarschijnlijkheid tot meer procedures en staat in de weg aan een effectieve beslechting van het voorliggende materiële geschil; daar waar het partijen écht om te doen is. Hierna wordt met “ [eiser] ” ook de gemeenschap bedoeld. De rechtbank leest het petitum zo dat daarmee is bedoeld dat de strook grond in eigendom toekomt aan [eiser] en [naam] gezamenlijk.
Inhoudelijke beoordeling
[eiser] is door verkrijgende verjaring eigenaar geworden van de strook grond
5.7.
Partijen zijn het erover eens dat de strook grond in de rode omlijning op de afbeelding in 3.6 het deel is waar ze over twisten. Partijen zijn het er ook over eens dat de strook grond kadastraal niet (of in elk geval niet helemaal) bij het perceel van [eiser] hoort. Aanvankelijk werden de percelen gescheiden door een sloot. Na 1984 was de sloot gedempt en stond langs de rechterzijde van de strook grond een hek. [gedaagde] heeft op 29 juni 2024 een hek aangebracht langs de linkerzijde van de strook grond. [eiser] stelt in eerste instantie dat hij door verkrijgende verjaring eigenaar van de strook grond is geworden.
5.8.
Verkrijgende verjaring is geregeld in artikel 3:99 BW. Hieruit volgt dat een bezitter de rechten op een stuk grond kan verkrijgen als deze bezitter het stuk grond minimaal tien jaar onafgebroken in bezit heeft en hij te goeder trouw is. Dat wil zeggen dat de bezitter zichzelf mocht zien als rechthebbende van dat stuk grond. Een bezitter kan door verkrijgende verjaring dus een stuk grond verkrijgen dat daarvoor eigenlijk van iemand anders was, door verloop van tien jaar. De gedachte hierachter is dat ten behoeve van de rechtszekerheid de juridische situatie zich na verloop van tijd bij de feitelijke situatie hoort aan te sluiten.
5.9.
Omdat [eiser] zich op de rechtsgevolgen van de verkrijgende verjaring beroept, moet hij feiten stellen en onderbouwen waaruit blijkt dat aan de eisen daarvoor is voldaan. Die eisen zijn in dit geval dat: (i) [eiser] het stuk grond in bezit heeft, (ii) [eiser] het stuk grond tien onafgebroken jaren in bezit heeft, en (iii) dat [eiser] te goeder trouw is. De rechtbank oordeelt dat aan al deze vereisten is voldaan en legt hierna uit waarom.
(i) [eiser] is bezitter van de strook grond
5.10.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat hij het bezit over de strook grond heeft gekregen door inbezitneming. [gedaagde] betwist dat.
5.11.
Bezit is het houden van een goed voor zichzelf. Of daarvan sprake is moet worden beantwoord naar verkeersopvattingen (hoe in de maatschappij over het begrip wordt gedacht) en op grond van feiten die voor anderen zichtbaar zijn. Voor inbezitneming is bepalend of [eiser] de feitelijke macht over het stuk grond is gaan uitoefenen. Uit vaste rechtspraak volgt dat als het goed in bezit van een ander is, enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende zijn. Door de machtsuitoefening (door in dit geval [eiser] ) moet het bezit van de oorspronkelijke rechthebbende (in dit geval [gedaagde] of [gedaagde] senior) teniet zijn gegaan. Daarnaast moet het bezit ondubbelzinnig en openbaar zijn. Van ondubbelzinnig bezit is sprake als de bezitter zich zo gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter doet alsof hij eigenaar is.
5.12.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat hij na de eigendomsverkrijging van perceel [sectie+nummer 1] in 2007 de strook grond in bezit heeft verkregen, omdat hij de grond heeft gebruikt alsof hij daarvan eigenaar was. Toen [eiser] eigenaar werd van perceel [sectie+nummer 1] was er een hek, bestaande uit het prikkeldraad van [gedaagde] senior, en de daartegen eerder al door [eiser] opgerichte houtwal, als erfscheiding tussen zijn perceel en dat van [gedaagde] senior, waardoor de strook grond optisch een eenheid vormde met het perceel van [eiser] . Daarnaast heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat hij de strook grond steeds exclusief heeft gebruikt. Hij heeft toegelicht dat alleen hij de strook grond heeft onderhouden en de strook grond heeft gebruikt om bijvoorbeeld op te zitten, spelletjes te spelen en spullen op te stallen. [gedaagde] (senior) maakte geen gebruik van de strook grond. Ook heeft [eiser] erop gewezen dat er bij aankoop van het perceel al een houten toilethokje op de strook grond stond, wat door [eiser] ook als zodanig gebruikt werd en wat hij omstreeks 2008/2009 heeft vernieuwd. [eiser] heeft een en ander onderbouwd met foto’s en verklaringen van derden. [gedaagde] betwist dat [eiser] de strook grond heeft onderhouden, maar heeft dit niet verder onderbouwd, terwijl uit de foto’s blijkt dat in de loop der jaren onderhoud is verricht. [gedaagde] heeft niet weersproken dat hij niet op de strook grond kwam. Ook speelt mee dat mede door de houtwal van [eiser] tegen het prikkeldraadhek van [gedaagde] (senior) de strook grond voor [gedaagde] (senior) niet eenvoudig toegankelijk was. [gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat [gedaagde] (senior) zich nooit eerder dan 2023 heeft verzet tegen het gebruik door [eiser] of geprobeerd heeft om toegang tot de strook grond te krijgen, onvoldoende onderbouwd weersproken, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Ook die omstandigheden weegt de rechtbank dus mee.
5.13.
De rechtbank oordeelt op basis van deze omstandigheden dat sprake is van inbezitneming door [eiser] van de strook grond. Het vastgestelde gebruik van [eiser] van de strook grond kan door [gedaagde] (senior) niet anders zijn/worden begrepen dan dat [eiser] deed alsof hij daarvan eigenaar was.
5.14.
[gedaagde] doet over de periode van vóór 2007 een beroep op het interversieverbod van artikel 3:111 BW. Die periode blijft in de beoordeling echter buiten beschouwing. De hierboven geschetste omstandigheden zijn van nadat [eiser] in 2007 eigenaar is geworden van perceel [sectie+nummer 1] .
(ii) [eiser] heeft het stuk grond tien onafgebroken jaren in bezit
5.15.
[eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij de strook grond in 2024, toen [gedaagde] het nieuwe hek plaatste, (ruim) meer dan 10 jaar in bezit had. [gedaagde] heeft op dit punt geen specifiek verweer gevoerd.
(iii) [eiser] is te goeder trouw
5.16.
[gedaagde] voert aan dat [eiser] niet te goeder trouw was en [eiser] daarom geen succesvol beroep kan doen op verkrijgende verjaring.
5.17.
Een bezitter is te goeder trouw wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook als zodanig mocht beschouwen. De goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn. Beslissend is niet alleen wat degene die een beroep op goede trouw doet wist ten tijde van de totstandkoming van zijn recht, maar ook wat hij toen kon en moest weten. Omdat [gedaagde] die goede trouw betwist, moet hij feiten stellen en onderbouwen waaruit blijkt dat [eiser] niet te goeder trouw was. Daarin is hij niet geslaagd.
5.18.
[gedaagde] vindt dat [eiser] had kunnen begrijpen dat het in 1984 geplaatste hek geen erfafscheiding was en dus ook niet de erfgrens aangaf. De percelen werden oorspronkelijk gescheiden door een sloot. [eiser] was in 1984 al huurder van perceel [sectie+nummer 1] . De sloot diende dus als natuurlijke grens tussen de percelen, waardoor [eiser] had kunnen begrijpen dat het hek voor de koeien geen erfafscheiding was. Het midden van die sloot wordt volgens artikel 5:36 BW vermoedt de erfgrens te zijn, zo zegt [gedaagde] . Verder volgt uit de akte van levering dat [eiser] het eigendom heeft verkregen van “een terrein met schuur”. De sloot maakt dus geen onderdeel uit van het eigendom van [eiser] . In het verlengde hiervan wijst [gedaagde] erop dat bij de akte van levering een kadastrale kaart is gevoegd, waarop duidelijk te zien zou zijn dat de sloot de erfgrens aangeeft.
5.19.
De rechtbank begrijpt [gedaagde] zo dat hij bedoelt dat de strook grond zich op de plek bevindt waar voorheen een sloot was, [eiser] dat wist en hij daaruit had kunnen begrijpen dat de strook grond niet tot zijn eigendom behoort. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Hoewel [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat hij vóór het plaatsen van het hek door [gedaagde] senior in 1984 de sloot als erfafscheiding van de percelen zag, staat vast dat [eiser] daarna de strook grond (destijds als huurder) heeft gebruikt en dat [gedaagde] (senior) nooit aanspraak heeft gemaakt op die grond of hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Bij die stand van zaken ligt het voor de hand dat [eiser] ten tijde van de verkrijging van zijn perceel in 2007 ervan uit is gegaan dat de betreffende strook grond tot zijn perceel behoort. De rechtbank oordeelt, in lijn met het standpunt van [eiser] , dat de kadastrale kaart bij de akte van levering onvoldoende gedetailleerd is om daar iets uit te kunnen afleiden over het eigendom van de strook grond. De strook grond van circa 20 m2 is daarvoor te klein in verhouding tot de percelen op die kaart. Ook de omstandigheden dat voorheen een sloot op de plek van de strook grond was en de sloot niet in de leveringsakte wordt genoemd, zijn in het licht van wat [eiser] heeft aangevoerd over het gebruik van de strook grond zowel voor als na de eigendomsverkrijging van het perceel onvoldoende om te concluderen dat het [eiser] duidelijk had moeten zijn dat hij niet de rechthebbende van de strook grond was.
5.20.
Gelet op het voorgaande was [eiser] te goeder trouw.
Conclusie: [eiser] is door verjaring eigenaar geworden van de strook grond
5.21.
Nu aan alle vereisten voor verkrijgende verjaring is voldaan, is [eiser] (lees: [eiser] en [naam] gezamenlijk) eigenaar geworden van de strook grond. Concreet gaat dit dus om het rood omlijnde stuk grond van de afbeelding in 3.6.
De vorderingen I, II en III van [eiser] worden toegewezen (conventie)
5.22.
Daarom worden de gevorderde verklaring voor recht (vordering I) en de vordering die ziet op het verlenen van medewerking voor het aanpassen van de kadastrale grens (II) van [eiser] toegewezen.
5.23.
De vordering tot het verwijderen van het door [gedaagde] aangebrachte hek en het verwijderd houden daarvan (vordering III) wordt ook toegewezen. [gedaagde] heeft een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] gemaakt door het bestaande hek te verwijderen en een nieuw hek op het eigendom van [eiser] te plaatsen. Daarmee heeft hij tegenover [eiser] onrechtmatig gehandeld. [gedaagde] krijgt een langere termijn dan gevorderd voor het verwijderen van het hek. De rechtbank vindt veertien kalenderdagen daarvoor redelijk en haalbaar.
De overige vorderingen van [eiser] worden afgewezen
5.24.
De andere vorderingen (IV, V, VI en VII) van [eiser] worden afgewezen.
5.25.
Vordering IV wordt afgewezen bij gebrek aan belang. [eiser] heeft zijn belang bij het gevorderde verbod voor [gedaagde] om op de strook grond te komen niet toegelicht. Het eigendomsrecht van [eiser] biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende waarborgen. Het verzochte verbod voegt daar niets wezenlijks aan toe. Voor zover het belang van [eiser] erin is gelegen dat [gedaagde] een dwangsom moet betalen als hij het gewenste verbod overtreedt en toch op de strook grond komt, heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat [gedaagde] het in dit vonnis vastgestelde eigendom van [eiser] niet zou respecteren. Een dwangsom vindt de rechtbank op dit punt dus niet nodig.
5.26.
Van vordering V is onvoldoende duidelijk wat [eiser] met het (terugplaatsen van het) verwijderde schapenhek bedoelt. [gedaagde] heeft namelijk aangegeven dat hij bij het verwijderen van het hek geen schapengaas heeft gezien en dat voor zover het er was dit lang voor het verwijderen van het hek moet zijn vergaan. [eiser] heeft hier onvoldoende op gereageerd. Omdat [gedaagde] geen verplichting heeft iets terug te plaatsen wat hij niet heeft verwijderd, wordt de vordering afgewezen.
5.27.
Hetzelfde geldt voor vordering VI die ziet op het plaatsen van een appelboom van circa 80 cm omtrek. [gedaagde] betwist namelijk dat er een volwaardige appelboom op de strook grond stond en hij deze heeft verwijderd. Daar heeft [eiser] onvoldoende tegenin gebracht, zodat dit niet is komen vast te staan dat de appelboom is verwijderd en daarmee ook geen verplichting voor [gedaagde] bestaat tot terugplaatsing ervan.
5.28.
Vordering VII ziet op het verplichten van [gedaagde] om redelijkerwijs alles te doen wat nodig is om [eiser] goederenrechtelijk eigenaar te laten worden van de strook grond. Zoals hiervoor overwogen is [eiser] door verkrijgende verjaring eigenaar van de strook grond geworden. Welke verplichtingen [gedaagde] onder vordering VII nog zouden moeten worden opgelegd, is de rechtbank niet duidelijk geworden. De vordering wordt daarom afgewezen.
De gevorderde dwangsom wordt toegewezen
5.29.
[eiser] vordert dat de rechtbank een dwangsom verbindt aan de veroordelingen. [gedaagde] voert verweer tegen de hoogte van de dwangsom en verzoekt om matiging daarvan.
5.30.
De rechter is bij het opleggen van een dwangsom vrij in het bepalen van de hoogte van de dwangsom en ook bij het stellen van een maximum daaraan. De rechtbank oordeelt dat de gevorderde dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen, met een maximum van € 10.000,-, niet onredelijk voorkomt als prikkel om de strook grond terug te geven door het hek weg te halen en mee te werken aan de kadastrale inschrijving van de nieuwe eigendomssituatie. Het verzoek tot matiging is niet onderbouwd. Het gevorderde wordt dan ook toegewezen.
De vordering in incident wordt afgewezen
5.31.
[eiser] had in incident gevraagd om een tijdelijke maatregel tot aan de uitspraak. Omdat vandaag vonnis wordt gewezen heeft [eiser] bij die incidentele vordering geen belang meer.
De tegenvordering van [gedaagde] tot teruglevering van de strook grond wordt afgewezen (reconventie)
5.32.
Omdat het beroep van [eiser] op verkrijgende verjaring slaagt, is aan de voorwaarde voor de voorwaardelijke vordering in reconventie van [gedaagde] voldaan. [gedaagde] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld tot teruggave van de grond. [eiser] handelt namelijk onrechtmatig tegenover [gedaagde] als eigenaar van de grond en [gedaagde] vordert de strook grond terug bij wijze van schadevergoeding. [gedaagde] verwijst daarbij naar een uitspraak van de Hoge Raad van 24 februari 2017.
5.33.
Deze vordering wordt afgewezen, omdat de uitspraak waar [gedaagde] zich op beroept over bevrijdende verjaring (bij kwade trouw) gaat en niet over verkrijgende verjaring (dus goede trouw). De Hoge Raad heeft in de betreffende uitspraak geoordeeld dat de (voormalige) rechthebbende die door bevrijdende verjaring zijn eigendom heeft verloren aan een partij die te kwader trouw een goed in bezit heeft genomen, een vordering uit onrechtmatige daad heeft tegenover die laatste partij. Hier is een andere situatie aan de orde, waardoor het beroep op deze uitspraak niet op gaat. De vordering van [gedaagde] wordt afgewezen.
Proceskosten
in conventie
5.34.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
320,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten (ook voor reconventie)
€
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.058,72
5.35.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.36.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten betalen in reconventie, die vanwege de verwevenheid met de vordering in conventie worden gehalveerd. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: € 653,00 aan kosten advocaat (2 punten x 0,5 x € 653,00).
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat de strook grond, zoals omschreven in overweging 5.21, in eigendom aan [eiser] en [naam] gezamenlijk toekomt,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] eraan mee te werken dat vanwege de nieuwe eigendomsverhoudingen de kadastrale grens wordt aangepast,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de door [gedaagde] gefabriceerde afrastering op het perceel van [eiser] en [naam] te verwijderen en verwijderd te houden,
6.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] en [naam] gezamenlijk een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 6.2 en 6.3 voldoet tot een maximum van € 10.000,00,
6.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 2.058,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.8.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
6.9.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.10.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.11.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 tot en met 6.6, 6.9 en 6.10 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat het vonnis direct werking heeft, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld en zo lang daarop nog niet is beslist.
Zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, T.M. p. 590 en Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1283.
Zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, T.M. p. 416.
Zie de artikelen 3:107 lid 1, 3:108 lid 1, 3:112 en 3:113 lid 1 BW.
Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309.
Artikel 3:11 en 3:118 lid 3 BW.
Artikel 3:303 BW.
Artikel 611a en 611b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en bijvoorbeeld Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:310.
Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|