Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:132 
 
Datum uitspraak:31-03-2026
Datum gepubliceerd:31-03-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:24/263
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Last onder dwangsom, procesbelang – De ondernemer heeft aan de last voldaan, heeft geen dwangsommen verbeurd en de last is uitgewerkt. Hij heeft daarom in beginsel geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De mogelijkheid om vergoeding van griffierecht en proceskosten te verkrijgen is als procesbelang ontoereikend. Verder heeft de ondernemer niet aannemelijk gemaakt dat hij aanvragen voor bijvoorbeeld vergunningen of subsidies heeft ingediend waarbij een Bibob-beoordeling een struikelblok dreigt te vormen. Tot slot heeft de ondernemer niet gesteld dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de last onder dwangsom of kosten heeft gemaakt om aan de last te voldoen. Het beroep is niet-ontvankelijk. Wel heeft de ondernemer recht op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Trefwoorden:landbouw
subsidies
varkens
zeugen
Wetreferenties:Besluit houders van dieren
 
Uitspraak
uitspraak













COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/263

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen


[naam] , te [vestigingsplaats] (ondernemer)
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs)

en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)




Procesverloop

Met het besluit van 15 september 2023 heeft de minister wegens overtredingen van het Besluit houders van dieren (Bhd) aan de ondernemer een last onder dwangsom opgelegd ter beëindiging van die overtredingen en ter voorkoming van herhaling daarvan.

Met het besluit van 6 februari 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer gedeeltelijk gegrond verklaard en de last onder dwangsom gewijzigd in die zin dat de last alleen geldt ter voorkoming van herhaling van eerdere overtredingen en de maximaal te verbeuren dwangsom voor drie overtredingen naar beneden is bijgesteld.

De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 12 februari 2026. Daaraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

De ondernemer heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College heeft daarom de Staat als partij aangemerkt.








Overwegingen


Inleiding



1.1
De ondernemer is directeur van [naam] Beheer B.V. en die rechtspersoon is bestuurder van Varkensfokbedrijf [naam] B.V. (varkensfokbedrijf). Op 10 maart 2023 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd op het varkensfokbedrijf. Zij hebben hun bevindingen neergelegd in een rapport van bevindingen van 9 mei 2023.



1.2
De toezichthouders van de NVWA hebben in het rapport van bevindingen beschreven dat zij 277 zeugen en 143 gelten aantroffen die, in plaats van in afzonderlijke groepen, individueel in afgesloten vloerligboxen gehouden werden. Ook troffen zij vier beren aan die in hokken gehouden werden waarvan de totale vloeroppervlakte en het dichte deel van de vloer te klein waren. Ook was het dichte vloergedeelte niet voorzien van strooisel. Verder troffen de toezichthouders meer dan 1000 varkens aan die niet permanent beschikten over voldoende materiaal om te onderzoeken en om mee te spelen. Tot slot beschikten 229 varkens niet over enige vorm van nestmateriaal. Het rapport van bevindingen vermeldt dat deze feiten de ondernemer werden aangerekend.



1.3
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de minister op 27 juli 2023 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom toegezonden aan de ondernemer. Met het besluit van 15 september 2023 heeft de minister aan de ondernemer een last onder dwangsom opgelegd voor zes overtredingen. Die last ziet telkens op beëindiging van de overtreding en voorkoming van herhaling daarvan.



1.4
De minister rekent het de ondernemer ten eerste aan dat hij, in strijd met artikel 2.13, eerste lid, en artikel 2.15, eerste lid, onder b, van het Bhd, 277 zeugen en 143 gelten langer dan toegestaan van elkaar afgezonderd heeft gehouden (overtreding 1). Daarnaast hadden de beren niet de beschikking over ten minste een oppervlakte van 4 m2 dan wel 6 m2 en de oppervlakte van het dichte deel van de roostervloer betrof niet ten minste twee derden van de totale oppervlakte voor deze beren. Dat is in strijd met artikel 2.20, tweede lid, onder a en c, en artikel 2.18, vijfde lid, van het Bhd (overtredingen 2 en 3). Het dichte deel van de vloer van de berenhuisvesting was verder niet voorzien van geschikt strooisel, wat een overtreding is van artikel 2.22, derde lid, van het Bhd (overtreding 4). In totaal 1.699 varkens hadden, in strijd met artikel 2.22, eerste lid, van het Bhd, niet de beschikking over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen (overtreding 5). Tot slot heeft de ondernemer er niet voor gezorgd dat 229 zeugen en gelten in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal beschikten, in strijd met artikel 2.22, tweede lid, van het Bhd (overtreding 6).



1.5
Op herhaling van overtreding 1 heeft de minister een dwangsom gesteld van € 250,- per varken dat onterecht niet in een groep wordt gehouden, met een maximum van € 150.000,-. Voor overtreding 2 tot en met 4 is de dwangsom € 250,- per beer per overtreding, met een maximum van telkens € 5.000,-. Op herhaling van overtreding 5 heeft de minister een dwangsom gesteld van € 250,- per varken, met een maximum van € 750.000,- en voor overtreding 6 is de dwangsom € 250,- per varken met een maximum van € 100.000,-. De last geldt voor een jaar en heeft een begunstigingstermijn van vier weken.



1.6
In het bestreden besluit heeft de minister, onder vergoeding van de bezwaarkosten, de last onder dwangsom op een aantal punten aangepast. Gezien het tijdsverloop tussen de inspectie op het varkensfokbedrijf en het opleggen van de last op 15 september 2023, is het volgens de minister niet duidelijk of de geconstateerde overtredingen op laatstgenoemde datum nog voortduurden. Daarom heeft de minister de maatregelen die zien op de beëindiging van de overtredingen uit de last geschrapt, zodat die alleen nog vereist dat de ondernemer herhaling van de geconstateerde overtredingen voorkomt. Ook heeft de minister voor overtreding 1, 5 en 6 de maximaal te verbeuren dwangsom verlaagd naar telkens € 50.000,-. Op 1 oktober 2024 heeft de minister de ondernemer schriftelijk laten weten dat aan de last is voldaan, er geen dwangsommen zijn verbeurd en de last is uitgewerkt.



1.7
De ondernemer is het niet eens met het bestreden besluit. Met zijn beroep vraagt de ondernemer het College te beoordelen of de minister in het bestreden besluit de last onder dwangsom, na aanpassing daarvan, op goede gronden heeft gehandhaafd.


Oordeel van het College




2.1
Het College beoordeelt eerst of de ondernemer belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep (procesbelang). Indien het procesbelang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dat is naar het oordeel van het College hier het geval. Hieronder legt het College uit waarom.



2.2
Voor de vraag of er (nog) procesbelang bestaat, is van belang wat de ondernemer met zijn beroep nastreeft. Het doel dat hij hiermee wil bereiken, moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor hem feitelijke betekenis hebben en niet alleen hypothetische. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Daarbij geldt in zaken als hier aan de orde dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel indien een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn bij toekomstige (terugkerende) besluiten (zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 17 januari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:30, onder 6), 19 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:415, onder 3.1) en 23 maart 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:304, onder 8.1.3)). De ondernemer zal in dat geval (desgevraagd) concreet moeten aangeven waarom de beoordeling van het besluit voor hem nog feitelijke betekenis heeft.



2.3
De ondernemer heeft in reactie op een vraag van het College wat hij met het beroep tegen de last wil bereiken en waarin zijn procesbelang is gelegen, naar voren gebracht dat gelet op de door hem ingebrachte beroepsgronden duidelijk is dat de last onrechtmatig is en dat die onrechtmatigheid niet op zichzelf staat. Verder maakt de last volgens de ondernemer onderdeel uit van procedures op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) en is er procesbelang gelegen in de vergoeding van proceskosten en andere kosten.



2.4
Het College stelt vast dat de looptijd van de last onder dwangsom (één jaar) inmiddels is verstreken en daarmee is uitgewerkt. De ondernemer heeft gedurende de looptijd geen dwangsommen verbeurd. Dit betekent dat de ondernemer in beginsel geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Over de door de ondernemer aangevoerde redenen waarom hij meent nog wel procesbelang te hebben, overweegt het College het volgende.



2.5
De door de ondernemer genoemde mogelijkheid om vergoeding van griffierecht en proceskosten te verkrijgen is als procesbelang ontoereikend, omdat het bestuursorgaan ook tot vergoeding van die kosten kan worden veroordeeld zonder gegrondverklaring van het beroep. Het College verwijst in dit verband naar zijn rechtspraak in onder andere de uitspraak van 24 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:256, onder 6.2). Het College volgt de ondernemer daarnaast niet in zijn stelling dat een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het dwangsombesluit van belang kan zijn bij een in de toekomst te verrichten Bibob-beoordeling. Het College neemt hierbij in aanmerking dat de ondernemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aanvragen voor bijvoorbeeld vergunningen of subsidies heeft ingediend waarbij de Bibob-beoordeling een struikelblok dreigt te vormen (zie de uitspraak van het College van 4 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:50, onder 1.7)). Tot slot stelt het College vast dat de ondernemer niet heeft gesteld dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de last onder dwangsom of kosten heeft gemaakt om aan de last te voldoen. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling van de last voor hem nog feitelijke betekenis heeft. Bij deze stand van zaken is het College van oordeel dat de ondernemer geen procesbelang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Dat betekent dat het College het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.


Overschrijding van de redelijke termijn




3.1
Over het verzoek van de ondernemer om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt het College het volgende. In deze zaak geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn maximaal twee jaar is. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Hiervan is echter geen sprake. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door de minister is ontvangen en loopt door tot de datum waarop het College uitspraak heeft gedaan.



3.2
Gelet op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift en het einde van deze procedure met de uitspraak van vandaag is de redelijke termijn overschreden met ongeveer zes maanden. Dit betekent dat de ondernemer recht heeft op € 500,- schadevergoeding. De behandeling van het bezwaarschrift heeft niet meer dan een half jaar in beslag genomen, maar de behandeling van het beroep heeft wel meer dan anderhalf jaar geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus geheel aan het College toe te rekenen.


Conclusie




4.1
Het beroep is niet-ontvankelijk. Het College zal de Staat veroordelen tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 500,- aan de ondernemer.



4.2
Het College ziet aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten van de onderneming in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Voor het laten vergoeden van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.





Beslissing

Het College:



verklaart het beroep niet-ontvankelijk;


veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 500,- aan de ondernemer;


veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 467,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. C.T. Aalbers en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.






w.g. J.L.W. Aerts de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Link naar deze uitspraak