|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:2549 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 31-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | AMS 25/623 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Terugvordering bijstand; verweerder heeft gebruik mogen maken van zijn onderzoeksbevoegdheden; de toezichthouders mochten de politie vergezellen bij de binnentreding en verweerder mocht gebruik maken van de bevindingen van de toezichthouder; de rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft gemeend dat eiser de hennepkwekerij vanaf december 2018 in zijn huis heeft gehad en verweerder heeft dus ook terecht vanaf dat moment teruggevorderd; geen dringende redenen om van terugvordering af te zien; beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | kwekerij | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/623
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Rastegar),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen, verweerder
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van eisers bijstandsuitkering over de periode van 31 december 2018 tot en met 10 april 2024 op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de intrekking en terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de bijstand van eiser over de genoemde periode terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder eisers bijstand over de genoemde periode terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op vraag of verweerder gebruik mocht maken van zijn onderzoeksbevoegdheden, of verweerder de bevindingen van de toezichthouders mocht gebruiken en of er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Met het besluit van 6 september 2024 heeft verweerder eisers recht op bijstand ingetrokken en de ten onrechte betaalde bijstand aan eiser teruggevorderd tot een bedrag van € 91.729,78.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 september 2024. Met het besluit van 8 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming bestreden besluit
3. In het kader van een steekproef van verweerder is eiser eind 2023 geselecteerd voor een rechtmatigheidsonderzoek naar zijn bijstandsuitkering. Eiser heeft voor deze steekproef op verzoek van verweerder bankafschriften overgelegd. Uit deze bankafschriften bleek het volgende:
2019: geen uitgaven bij supermarkten of andere levensmiddelenwinkels.
In totaal € 1.090,- opgenomen en € 1.100,- gestort.
2020: geen uitgaven bij supermarkten of andere levensmiddelenwinkels.
In totaal € 3.570,- opgenomen.
2021: dertig betalingen bij [bedrijf 1] met een gemiddelde uitgave van € 14,94. Verder geen uitgaven bij supermarkten of andere levensmiddelenwinkels. Geen stortingen en geen opnames.
2022: één betaling bij [bedrijf 1]. Verder geen uitgaven bij supermarkten of andere levensmiddelenwinkels. In totaal € 320,- opgenomen en € 520,- gestort.
2023: twee betalingen bij [bedrijf 1] van totaal € 27,47. Verder geen uitgaven bij supermarkten of andere levensmiddelenwinkels. Geen stortingen en opnames. Er is een betaling van € 500,- gedaan aan [bedrijf 2].
2024: geen uitgaven bij supermarkten of andere levensmiddelenwinkels. Geen stortingen of opnames.
3.1.
Daarnaast is eiser geobserveerd en is zijn water- en energieverbruik opgevraagd. Er bleek over een langere periode een zeer hoog energieverbruik te zijn geweest op eisers adres, waar hij volgens de gemeentelijke basisadministratie alleen woonde:
31 december 2018 - 1 januari 2020: 13.501 kWh
1 januari 2020 - 1 januari 2021: 10.372 kWh
1 januari 2021 - 1 januari 2022: 9645 kWh
1 januari 2022 - 31 december 2022: 7176 kWh
31 december 2022 - 31 december 2023: 9142 kWh
Het landelijk gemiddelde verbruik voor een eenpersoonshuishouden is 1800 kWh per jaar.
3.2.
De sociale recherche, die de steekproef in opdracht van verweerder uitvoerde, heeft het zeer hoge energieverbruik bij de politie gemeld. Op 9 april 2024 hebben ambtenaren van de politie ter hoogte van eisers adres een zeer sterke henneplucht geroken. De politie heeft hierop besloten over te gaan tot een opruimingsactie. De politie heeft toezichthouders van verweerder verzocht om hierbij aan te sluiten.
3.3.
Op 10 april 2024 zijn twee toezichthouders van verweerder samen met de politie bij eiser binnengetreden. Grondslag voor het binnentreden was een machtiging, afgegeven door de hulpofficier van Justitie.
3.4.
In de woning van eiser werd in één van de twee slaapkamers een kweektent aangetroffen met daarin 97 hennepplanten. De kweektent was voorzien van LED-groeilampen en luchtventilatie. Ook werd in de kledingkast in de andere slaapkamer een zak met ongeveer 30 gram hennep aangetroffen.
3.5.
Op 13 juni 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en de sociale recherche. De gemachtigde van eiser was hierbij aanwezig.
3.6.
Naar aanleiding van de bevindingen en het gesprek bij de sociale recherche heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser over de periode 31 december 2018 tot en met 10 april 2024 een hennepkwekerij in zijn huis heeft gehad en dat deze kwekerij een bron van inkomsten voor hem was. Doordat eiser dit niet gemeld heeft bij verweerder, heeft hij de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden. Aangezien niet duidelijk is hoeveel financieel voordeel eiser uit de kwekerij heeft genoten, kan het recht op bijstand over de gehele periode niet worden vastgesteld. Verweerder heeft daarom de aan eiser verleende bijstand ingetrokken en een bedrag van € 91.729,78 aan ten onrechte ontvangen bijstand over deze periode van eiser teruggevorderd.
Mocht verweerder gebruikmaken van zijn onderzoeksbevoegdheden?
4. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte onderzoeksbevoegdheden tegen hem heeft aangewend. Eiser is in totaal elf keer geobserveerd, zonder duidelijke reden of grondslag. Nu bij deze observaties niets bijzonders is waargenomen, ziet eiser ook niet in waarom daarna nog zijn water- en stroomverbruik is opgevraagd. Er was geen aanleiding om dit ook nog te controleren. Daarnaast vraagt eiser zich af of de sociale recherche de politie mag inschakelen in het kader van een bestuursrechtelijk rechtmatigheidsonderzoek.
4.1.
Op grond van artikel 53a, zesde lid, van de Pw, is verweerder bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Uit artikel 64, eerste lid, onder m, van de Pw volgt dat daaronder ook valt het opvragen van water- en energieverbruik. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in haar uitspraak van 4 juli 2017 geoordeeld dat de onderzoeksbevoegdheid van artikel 53, zesde lid, van de Pw steeds en spontaan kan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden en dat daartoe geen voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is.
4.2.
Gelet op het juridisch kader is de rechtbank van oordeel dat verweerder gebruik mocht maken van zijn onderzoeksbevoegdheden zoals hij dit heeft gedaan. De rechtbank is verder van oordeel dat de sociale recherche niet onrechtmatig heeft gehandeld door de politie in te schakelen. Het zeer hoge energieverbruik van eiser gaf voldoende aanleiding voor het vermoeden dat hij mogelijk hennep kweekte en daarmee een strafbaar feit beging. Het inschakelen van de politie was daarom gerechtvaardigd.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder de bevindingen van de toezichthouders gebruiken?
5. Eiser voert aan dat de machtiging tot binnentreden alleen was verleend aan de politie voor inbeslagneming van de kwekerij. De machtiging gaf de politie weliswaar toestemming om zich te laten vergezellen door anderen, maar enkel voor zover dit nodig was voor het doel waarvoor de machtiging was verleend. De toezichthouders waren niet nodig voor de inbeslagneming van de kwekerij. Er was dus geen wettelijke grondslag voor het binnentreden door de toezichthouders en de bevindingen van het rapport mochten daarom niet worden gebruikt.
5.1.
Op de zitting hebben de gemachtigden van verweerder toegelicht dat hun toezichthouders zijn meegegaan om het feitelijk gebruik van de woning te controleren in het kader van de Huisvestingswet. De gemachtigden hebben toegelicht dat zij hierin vaak samen met de politie optrekken, omdat niet te voorspellen valt wat je achter een voordeur aantreft. Daarnaast is woningonttrekking door hennepkwekerijen een kwestie van de openbare orde en heeft verweerder hierin een handhavingstaak. Ook daarom wordt hierin samenwerking gezocht met de politie, die deze taak ook heeft.
5.2.
De rechtbank overweegt dat eiser ook een boete opgelegd heeft gekregen in het kader van de Huisvestingswet. Hier heeft hij ook beroep tegen ingesteld. De rechtbank heeft vandaag ook uitspraak gedaan over dat beroep. In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de politie zich heeft mogen laten vergezellen door de toezichthouders. Het doel ‘inbeslagneming van de kwekerij’ moet naar het oordeel van de rechtbank namelijk in brede zin worden begrepen. Hieronder valt niet alleen het fysieke verwijderen van de hennepkwekerij, maar ook het beëindigen van een illegale situatie onder zowel het Wetboek van Strafvordering als de Huisvestingswet. Voor dat laatste was de aanwezigheid van de toezichthouders redelijkerwijs vereist. De rechtbank heeft daarbij wel overwogen dat het de voorkeur verdient om het doel van een machtiging tot binnentreden zo duidelijk mogelijk te omschrijven. Dat had in het geval van eiser beter gekund. Toch heeft de rechtbank geoordeeld dat in dit geval de machtiging ook grondslag gaf voor de toezichthouders om zich op uitnodiging van en samen met de politie toegang tot de woning te verschaffen.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bevindingen van de toezichthouders ook mocht gebruiken voor het intrekken en terugvorderen van eisers bijstand. Daarbij betrekt de rechtbank dat het binnentreden en de bevindingen die daarbij zijn gedaan, in gang zijn gezet door het rechtmatigheidsonderzoek naar de bijstandsuitkering. Het zou bevreemdend zijn als die bevindingen dan vervolgens niet gebruikt zouden mogen worden voor het beoordelen van het recht op bijstand. Zonder nadere onderbouwing ziet de rechtbank ook niet in waarom dat niet zou mogen.
5.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder terugvorderen vanaf 31 december 2018?
6. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte bijstand teruggevorderd over de periode 31 december 2018 tot en met 31 december 2022. Hij had namelijk pas sinds 2023 een wietplantage in zijn huis. Het hoge stroomverbruik van december 2018 tot en met december 2022 komt door de kachels en de airconditioning die eiser in de winter en de zomer gebruikt. Doordat de woning een hoekwoning op de achtste verdieping is wordt het er in de winter namelijk ijskoud en in de zomer snikheet. Dit hoge stroomverbruik kan in ieder geval niet het gevolg zijn van de enige LED-lamp die eiser in zijn kwekerij had. Daarnaast zijn eind 2022 de gevel en kozijnen vervangen. Deze werkzaamheden duurden een hele week. Er is toen geen melding gemaakt van de hennepkwekerij, terwijl de sporen hiervan door het hele huis zichtbaar hadden moeten zijn. In die periode kon er dus geen hennepkwekerij zijn in het huis van eiser. De stelling van verweerder dat eiser de kwekerij tijdelijk heeft kunnen ontmantelen klopt niet, dat zou namelijk te moeilijk zijn geweest vanaf de achtste verdieping van een galerijflat. Dat er tot slot in bepaalde jaren minder transacties voor eten en drinken te zien zijn op eisers bankafschriften is onvoldoende reden om vanaf 31 december 2018 terug te vorderen. In bepaalde jaren zijn er wel degelijk pintransacties geweest waarmee geld is opgenomen om boodschappen te doen. Ook eet eiser regelmatig bij zijn ouders.
6.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het zeer hoge stroomverbruik vanaf december 2018 tot december 2022 veroorzaakt werd door kachels en een airconditioning. Dit zou namelijk betekenen dat het stroomverbruik vanaf 2023 nog hoger zou moeten zijn, omdat vanaf dat moment zowel stroom zou zijn verbruikt voor de kachels en de airconditioning als voor de verlichting en verwarming van de hennepkwekerij. Het stroomverbruik in 2023 was echter lager was dan in de voorafgaande jaren 2020 en 2021. In 2018, 2019 en 2022 was het stroomverbruik wel iets lager dan in 2023, maar nog steeds ruim vier keer zo hoog als het gemiddelde voor een eenpersoonshuishouden. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de kachels en airconditioning van eiser zo veel stroom verbruiken. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat er eind 2022 geen hennepkwekerij in zijn huis had kunnen zijn vanwege werkzaamheden. Deze werkzaamheden waren namelijk van tevoren aangekondigd, zodat eiser de mogelijkheid had de kwekerij tijdelijk ontmantelen. De rechtbank vindt steun voor deze lezing in de daling in het stroomverbruik in 2022. Dat het te moeilijk zou zijn geweest om de kwekerij tijdelijk te ontmantelen doordat eiser op de achtste verdieping van een galerijflat woont, volgt de rechtbank niet. Eiser is er namelijk ook in geslaagd de hennepkwekerij daar op te zetten. Niet valt in te zien waarom het niet mogelijk zou zijn om de hennepkwekerij daar ook weer te ontmantelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft gemeend dat eiser de hennepkwekerij vanaf december 2018 in zijn huis heeft gehad en dat hij hier financieel voordeel uit genoten heeft, ook gelet op het zeer geringe aantal pintransacties en opnames vanaf deze periode. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de transacties en opnames die er wel zijn geweest, voldoende waren om van te kunnen eten. Daarvoor zijn de aantallen en de bedragen te klein, ook onder de omstandigheid dat eiser regelmatig bij zijn ouders eet.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken bij verweerder van de hennepkwekerij. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Vaststaat dat eiser geen administratie heeft bijgehouden van de exploitatie van de hennepkwekerij en ook geen andere concrete en verifieerbare gegevens over zijn werkzaamheden heeft verschaft waarmee inzicht zou kunnen worden verkregen in de omvang van de door hem verrichte werkzaamheden. Dat betekent dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat als hij de inlichtingenverplichting wel was nagekomen, hij recht op volledige of aanvullende bijstand had gehad. Dat betekent ook dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het recht op bijstand niet, ook niet schattenderwijs, kan worden vastgesteld.
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder vanwege dringende redenen van de terugvordering af moeten zien?
7. Tot slot voert eiser aan dat de terugvordering hem onevenredig hard treft. Hij is vanwege de hennepkwekerij zijn woning kwijtgeraakt en heeft ook een boete gekregen van € 17.500,-. Hij heeft op 46-jarige leeftijd weer moeten intrekken bij zijn moeder. Het is vrijwel zeker dat eiser de rest van zijn leven onder de bijstandsnorm zal komen te leven door de terugvordering. Bovendien heeft eiser een kwakkelende gezondheid.
7.1.
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw.
7.2.
De Raad heeft in haar uitspraak van 10 december 2024 geoordeeld dat een bijstandverlenende instantie bij de beoordeling of dringende redenen bestaan een belangenafweging moet maken, waarbij rekening gehouden moet worden met zowel de oorzaken als de gevolgen van de terugvordering. Qua oorzaken kan onder meer betekenis toekomen aan de vraag of de betrokkene de inlichtingenverplichting bewust heeft geschonden of dat sprake is van een onoplettendheid of een situatie waarin de betrokkene geen (vol) verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel uitkering ontving. Qua gevolgen geldt als vuistregel dat financiële gevolgen van de terugvordering zich pas voordoen bij de invordering of verrekening van het teruggevorderde bedrag. In het kader van het invorderingstraject zal een afbetalingsregeling moeten worden getroffen die recht doet aan de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van de betrokkene op dat moment. Dan heeft de betrokkene de bescherming van onder meer de beslagvrije voet. Alleen in het bijzondere geval dat op het moment van het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat dit voor een betrokkene ernstige financiële of andere gevolgen zal hebben, bijvoorbeeld omdat een bestaand schuldhulptraject als gevolg van de besluitvorming dreigt te worden beëindigd, dient de bijstandverlenende instantie deze omstandigheid al bij het nemen van het terugvorderingsbesluit mee te wegen. Bij de afweging van de belangen zal aan de financiële of sociale gevolgen van een terugvordering een groter gewicht toekomen naarmate de betrokkene geen (overwegend) aandeel in het ontstaan van de terugvordering heeft; daaraan zal minder gewicht toekomen in een geval waarin sprake is van een opzettelijke schending van de inlichtingenplicht.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen dringende redenen hoefde te zien om van terugvordering af te zien. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat eiser bewust de inlichtingenplicht heeft geschonden, zodat aan de financiële en sociale gevolgen van de terugvordering minder gewicht toekomt. Deze gevolgen zijn daarnaast naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig. Met betrekking tot de sociale gevolgen begrijpt de rechtbank dat het niet ideaal is dat eiser weer bij zijn moeder heeft moeten intrekken. Zonder nadere toelichting ziet de rechtbank echter niet in dat dit gevolg zo ernstig is dat verweerder geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af had moeten zien. Met betrekking tot de financiële gevolgen overweegt de rechtbank dat eiser in beroep stukken heeft ingebracht waaruit volgt dat hij op dit moment € 977,70 aan bijstand ontvangt van verweerder, waar € 48,90 op wordt ingehouden ter aflossing van de terugvordering. De rechtbank is daarnaast ambtshalve bekend met afschriften die eiser heeft ingebracht in zijn beroep tegen de boete, waaruit volgt dat verweerder nog eens € 20,- per maand inhoudt ter aflossing van die boete. Dat betekent dat eiser € 909,- per maand overhoudt om van te leven. De rechtbank gaat ervan uit dat eiser geen woonlasten heeft, aangezien hij bij zijn moeder woont. Er is ook niet gesteld of gebleken dat eiser wel woonlasten heeft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij deze financiële stand van zaken, waarover eiser overigens pas in beroep meer duidelijkheid heeft verschaft, ook geen dringende redenen heeft hoeven zien om de terugvordering achterwege te laten. Eisers stelling dat hij een kwakkelende gezondheid heeft is niet onderbouwd. Eiser heeft daarnaast ook niet onderbouwd waarom een slechte gezondheid een dringende reden zou zijn om van terugvordering af te zien.
7.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de terugvordering in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2017:2284.
Onder 4.6.2.
Zaaknummer AMS 25/632.
Vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:136.
ECLI:NL:CRVB:2024:2192.
Onder 4.9.3 – 4.9.6. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|