|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:2337 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 31-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB - 26 _ 335 AWB - 26 _ 336 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Verzoek om voorlopige voorziening, kortgesloten, beroep ongegrond, verkeersbesluit voldoende onderbouwd en geen onevenredige gevolgen. | | Trefwoorden | : | fijnstof | | | geluidhinder | | | geluidshinder | | | landbouw | | | taxatie | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/335 en ARN 26/336
uitspraak van de voorzieningenrechter van
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening
in de zaak tussen
[eisers]
, uit [plaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van [plaats]
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij nemen aan het geding deel [derde-partij], uit [plaats] .
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verkeersbesluit waarbij het college de [locatie 1] en [locatie 2] gesloten verklaart voor vracht- en landbouwverkeer. Eisers zijn het niet eens met de geslotenverklaring. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. De derde-partij is het wel eens met de geslotenverklaring. Aan de hand van de gronden van eisers beoordeelt de voorzieningenrechter het verkeersbesluit.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de weging van de betrokken belangen bij de geslotenverklaring voldoende heeft onderbouwd en er geen onevenredige gevolgen voor eisers zijn. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Het college heeft met het besluit van 16 juli 2025 de [locatie 1] en [locatie 2] in [plaats] gesloten verklaard voor vracht- en landbouwverkeer. Met het bestreden besluit van 8 december 2025 op de bezwaren van eisers is het college bij de geslotenverklaring gebleven. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening en beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook een schriftelijke reactie ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon A] en [persoon B] namens eisers, de gemachtigde van verweerder, [persoon C] en [persoon D] alsmede [derde-partij] .
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst het toetsingskader en het bestreden besluit. Daarna beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voordat de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke beoordeling toekomt, beoordeelt hij eerst of sprake is van een spoedeisend belang.
Toetsingskader
4. Het wettelijk kader bij het nemen van een verkeersbesluit bestaat uit de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). Bij het nemen van een verkeersbesluit heeft het college beoordelingsruimte bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde begrippen. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet het de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb).
Het bestreden besluit
5. In 2022 heeft de gemeenteraad van [plaats] het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2023-2033 (GVVP 2023-2033) vastgesteld. Eén van de doelstellingen van dat plan is het voorkomen van doorgaand vrachtverkeer in het centrum en langs erftoegangswegen in woonwijken. Op 16 juli 2025 heeft het college besloten tot het instellen van een geslotenverklaring voor vracht- en landbouwverkeer op de [locatie 1] en [locatie 2] . Het vracht- en landbouwverkeer wordt omgeleid via de [locatie 3] , de [locatie 4] en de [locatie 5] .
5.1.
De verkeersbelangen die volgens het college met de verkeersbesluiten zijn gediend, zijn het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade en de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden, zoals genoemd in artikel 2, tweede lid onder a en b van de Wvw 1994. Daarbij heeft het college het belang van het zo veel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer minder zwaar laten wegen dan de hiervoor genoemde belangen.
Het gebruik van AI
6. Eisers hebben op de zitting op een vraag van de voorzieningenrechter geantwoord dat zij hun beroepschrift, verzoek om voorlopige voorziening en pleitaantekeningen hebben opgesteld met behulp van een AI-instrument. De processtukken bevatten verschillende onbegrijpelijke verwijzingen naar irrelevante of niet-bestaande rechtspraak. Eisers hebben de juridische relevantie en juistheid van de verwijzingen niet laten controleren door bijvoorbeeld een jurist. Het heeft zowel het college als de voorzieningenrechter extra tijd en moeite gekost om de standpunten van eisers te doorgronden. De voorzieningenrechter ziet dit vaker gebeuren en vindt dit een kwalijke ontwikkeling die veel tijd kost. De voorzieningenrechter laat hierna het beroep op irrelevante of niet-bestaande uitspraken buiten beschouwing.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
7. Het college heeft in december 2025 besloten om het verkeersbesluit feitelijk uit te voeren en de geslotenverklaring in werking te laten treden. Als gevolg daarvan ervaren eisers overlast van vracht- en landbouwverkeer langs hun woningen. De enige mogelijkheid voor eisers om deze verkeersoverlast en eventuele verkeersonveilige situaties als gevolg daarvan tegen te gaan, is door de voorzieningenrechter te verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele verkeersonveilige situaties zijn nadien niet met terugwerkende kracht ongedaan te maken. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed.
Heeft het college voldoende onderzoek gedaan naar trillings- en geluidsoverlast?
8. Eisers betogen dat het college niet genoeg onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke overlast als gevolg van het verkeersbesluit. De [locatie 3] heeft een smal profiel met smalle parallelwegen en fietspaden en de woningen liggen dichter op de rijbaan dan bij de [locatie 1] . Het omleiden van het verkeer via de [locatie 3] leidt tot substantiële overlast voor eisers, zoals trillings- en geluidhinder. Het college heeft ten onrechte geen akoestisch onderzoek uit laten voeren. Het besluit is daarom niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De [locatie 3] is een bestaande weg die al in gebruik was voor zowel regulier verkeer als zwaar verkeer, met 10.500 verkeersbewegingen per dag. Voor de geslotenverklaring werd de weg dagelijks gebruikt door 200 tot 250 zware voertuigen. Met de geslotenverklaring komen daar 150 zware voertuigbewegingen bij. Het college heeft op basis van de verrichte onderzoeken mogen concluderen dat dit in het licht van het totaal aantal verkeersbewegingen een beperkte toename is en dat er geen aanleiding is om nader onderzoek te doen naar trillings- en geluidshinder. Daarbij komt dat uit het onderzoek van de Omgevingsdienst Veluwe blijkt dat er een geluidstoename is van 0,46 dB, en dat een geluidsonderzoek moet worden uitgevoerd als een verkeersbesluit leidt tot een geluidstoename van meer dan 1,5 dB.
8.2.
Het is aannemelijk dat eisers als gevolg van het verkeersbesluit worden blootgesteld aan enige mate van trillings- en geluidshinder. Het college mocht evenwel de onder 5.1 genoemde belangen zwaarder laten wegen dan de nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor eisers. De motivering die het college daarvoor gebruikt, kan het besluit voldoende dragen.
Had het college onderzoek moeten doen naar de milieugevolgen van het verkeersbesluit?
9. Eisers betogen dat de toename van vracht- en landbouwverkeer in de [locatie 3] negatieve gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. Het college heeft ten onrechte niet getoetst of dit voldoet aan de Wet milieubeheer.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft toegelicht waarom geen sprake is van een vergunningplichtige milieubelastende activiteit en waarom een onderzoek naar de negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit niet verplicht is. Daarnaast heeft het college een advies van de Omgevingsdienst ingebracht waaruit blijkt dat de concentratie van stikstofoxiden en fijnstof ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³ blijft. Eisers hebben hiertegen niets naar voren gebracht. Het college heeft daarom kunnen concluderen dat er geen sprake is van dermate negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit dat het verkeersbesluit niet kon worden genomen.
Heeft het college de verkeersveiligheid voldoende onderbouwd?
10. Eisers betogen dat er verkeersonveilige situaties ontstaan als gevolg van het verkeersbesluit. Zo zal er een nieuwe woonwijk komen met veel jonge bewoners, wordt een basisschool verplaatst en een nieuwe sportaccommodatie gebouwd. Hierdoor zullen veel kinderen de [locatie 3] over moeten steken. Ook de nieuwe supermarkt leidt tot onveilige situaties. Daarbij komt dat het landbouw- en vrachtverkeer een langere remweg en grotere dode hoeken heeft, waardoor een verhoogd risico op gevaarlijke verkeerssituaties ontstaat. Het college heeft daar ten onrechte geen onderzoek naar laten uitvoeren.
10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft toegelicht dat dit verkeersbesluit ertoe leidt dat het bestaande verkeer anders verdeeld wordt over [plaats] . Het uitgangspunt voor het college is dat niet-bestemmingsverkeer niet door het centrum van [plaats] komt, maar om het centrum wordt geleid. Daarbij heeft het college meegewogen dat hierdoor een veiligere situatie ontstaat in het centrum van [plaats] , waar zich ook een school bevindt. De geslotenverklaring leidt volgens het college tot een betere balans voor het verkeer in en rondom het centrum. Het college heeft ook meegewogen dat de [locatie 3] een overzichtelijke weg is die voldoet aan de CROW-normen en dus een veilige weg is. Het college onderbouwt hiermee voldoende dat met dit verkeersbesluit sprake is van een verkeersveilige situatie op de [locatie 3] . Daarbij is relevant dat het college bij toekomstige ontwikkelingen indien nodig steeds opnieuw zal moeten beoordelen of er nog sprake is van een verkeersveilige situatie.
Had het college de belangen van eisers anders moeten wegen?
11. Eisers betogen dat het college hun belangen onvoldoende heeft meegewogen en de belangenafweging niet goed heeft gemotiveerd. Eisers ervaren daarom een ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat en gezondheidsrisico’s. Ook heeft het college onvoldoende meegewogen dat de woningen van eisers structureel minder waard worden door het verkeersbesluit. Dit heeft onevenredige gevolgen voor eisers.
11.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de betogen van eisers is niet af te leiden dat de gestelde nadelige gevolgen van het verkeersbesluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Daarbij is onder meer van belang dat het college heeft gemotiveerd dat de toename van zware verkeersbewegingen in verhouding tot het totale aantal verkeersbewegingen en daarmee de gevolgen voor de omgeving beperkt zijn. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat deze extra verkeersbewegingen voor eisers onevenredig nadeel veroorzaken. Ook hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat hun woningen minder waard worden door het verkeersbesluit, bijvoorbeeld door een taxatie over te leggen. Niet is gebleken dat de gevolgen van het verkeersbesluit voor eisers zo onevenredig zijn dat het college redelijkerwijs niet kon besluiten tot het instellen van de geslotenverklaring.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verkeersbesluit in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Er bestaat ook geen recht op vergoeding van proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage
Eisers:
[persoon A] , wonende aan de [locatie 6] [huisnummer 1] in [plaats] ;
[persoon E] , wonende aan de [locatie 7] [huisnummer 2] in [plaats] ;
[persoon F] , wonende aan de [locatie 3] [huisnummer 3] in [plaats] ;
[persoon G] , wonende aan de [locatie 7] [huisnummer 4] in [plaats] ;
[persoon H] , wonende aan de [locatie 7] [huisnummer 5] in [plaats] ;
[persoon I] , wonende aan de [locatie 7] [huisnummer 6] in [plaats] ;
[persoon J] , wonende aan de [locatie 8] [huisnummer 7] in [plaats] ;
[persoon K] , wonende aan de [locatie 3] [huisnummer 8] in [plaats] ;
[persoon L] , wonende aan de [locatie 3] [huisnummer 9] in [plaats] ;
[persoon M] , wonende aan de [locatie 7] [huisnummer 10] in [plaats] ;
[persoon N] , wonende aan de [locatie 7] [huisnummer 11] in [plaats] ;
[persoon O] , wonende aan de [locatie 3] [huisnummer 12] in [plaats] ;
[persoon P] , wonende aan de [locatie 7] [huisnummer 13] in [plaats] .
De namen van deze eisers zijn vermeld in een bijlage bij deze uitspraak.
Trainee bij verweerder.
Verkeerskundige bij verweerder.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie ABRvS 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:602, ro. 4.
Als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 21a van het BABW.
Vergelijk ABRvS 30 juli 2025 ECLI:NL:RVS:2025:3554, ro. 6.2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|