|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:2410 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | AWB-24_6302 en 24_6326 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Veranderingsvergunning voor een pluimveehouderij. | | Trefwoorden | : | activiteitenbesluit | | | agrarisch | | | ammoniakemissie | | | bouwvergunning | | | fijnstof | | | geluidhinder | | | mestopslag | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | pluimvee | | | pluimveehouderij | | | stallen | | | veehouderij | | | wabo | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/6302 en 24/6326
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaken tussen
[eiseres]
, uit [plaats], eiseres (zaaknummer 24/6302)
[eiser]
, uit [plaats], eiser (zaaknummer 24/6326)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten, het college
(gemachtigden: P. Hennekeij en G.J. Vooren).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. Tj. P. Grünbauer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die aan vergunninghouder is verleend voor het wijzigen van de veehouderij. Eisers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Aan de hand van de door eisers aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1. De rechtbank heeft in het beroep van eiseres op 7 november 2025 een tussenuitspraak gedaan. In die tussenuitspraak is de rechtbank al ingegaan op de meeste beroepsgronden van eiseres. Omdat de omgevingsvergunning een motiveringsgebrek kent heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan om het college in de gelegenheid te stellen om dit gebrek te herstellen. Dit heeft het college gedaan.
1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf overweging 3. De rechtbank zal eerst ingaan op het beroep van eiser. Daarna komt de zienswijze van eiseres op de aanvullende motivering van het college aan bod.
Aan het eind van de uitspraak staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Vergunninghouder exploiteert op het perceel [locatie] [nummer 1] in [plaats] een pluimveehouderij. Deze veehouderij ligt op ongeveer 140 meter afstand van het Natura 2000-gebied “Veluwe” en beschikt over vier stallen (stal C, E, F en G) waarin opfokhennen worden gehouden. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten heeft aan het bedrijf op 10 juni 2013 een revisievergunning verleend. De vergunde situatie met de bijbehorende geuremissie (in odour units per seconde) en ammoniakemissie (in kilogram/jaar) bedraagt als volgt:
Het totaal aantal vergunde opfokhennen bedraagt 64.352.
Omdat er meer dan 40.000 stuks pluimvee worden gehuisvest is er sprake van een IPPC-inrichting. Aan de revisievergunning zijn voorschriften verbonden onder meer met betrekking tot het aspect “geluid”.
2.1. Op 13 april 2015 heeft het college een veranderingsvergunning verleend voor het realiseren van een mestcontainerloods en een droogzolder tussen stallen F en G. Deze mestdroger geeft de pluimveemest na het afdraaien uit de pluimveestallen E, F en G een extra droging voordat de mest in de container wordt opgeslagen. Het drogen van de pluimveemest vindt plaats door aangezogen stallucht uit stal F of door verse buitenlucht.
2.2. Eiseres is sinds 2022 eigenaresse van het perceel [locatie] [nummer 2] te [plaats]. Haar woning staat op ongeveer 50 meter van de dichtstbijzijnde stal. Zij heeft het college in 2023 en 2024 verzocht om handhavend op te treden tegen de veehouderij.
Eiser woont op het perceel [locatie] [nummer 3] te [plaats]. Zijn woning staat ook op ongeveer 50 meter van de dichtstbijzijnde stal.
2.3. Een toezichthouder van de gemeente heeft op 2 augustus 2023 een controle uitgevoerd op het perceel van vergunninghouder. Van deze controle is op 21 augustus 2023 een rapport opgemaakt. Uit deze controle blijkt dat de bedrijfssituatie op enkele punten afwijkt van de vergunde situatie.
2.4. Vergunninghouder heeft op 27 september 2023 een aanvraag ingediend voor een veranderingsvergunning om deze afwijkingen te legaliseren. Deze aanvraag heeft het college buiten behandeling gelaten omdat de aanvraag niet volledig was.
2.5. Op 23 december 2023 heeft vergunninghouder een nieuwe aanvraag ingediend. Onderdeel van deze aanvraag vormt de “Toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu”, waarin door de vergunninghouder een onderbouwing wordt gegeven op de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het milieu.
2.6. De ontwerp-omgevingsvergunning heeft vanaf 11 april 2024 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben een zienswijze ingediend.
2.7. Het college heeft in het bestreden besluit van 29 juli 2024 aan vergunninghouder de omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “milieu” (veranderingsvergunning). In de omgevingsvergunning staat dat de volgende veranderingen zijn vergund:
“• het tijdelijk in gebruik zijn van stal C voor de opslag van materialen (zonder milieubelasting) ten behoeve van het agrarisch bedrijf of van de aanvrager, wanneer in deze stal geen dieren worden gehouden;
• het verlagen van de bezetting in stal C naar 4.500 dieren, wanneer in deze stal dieren worden gehouden;
• het veranderen van de code van het huisvestingssysteem in stal F (feitelijk verandert niets in deze stal, bedoeld is E 1.100 in plaats van E 1.7);
• het plaatsen en in gebruik hebben van een biomassa gestookte verwarmingsinstallatie in stal G met daarbij een opslagsilo voor houtpellets met een capaciteit van 20 ton;
• wijziging van de luchttoevoer uit de stallen F en G naar de mestdrooginstallatie tussen de stallen F en G;
• Het aanpassen van de mestdrooginstallatie en deze in overeenstemming brengen met de systeembeschrijving behorende bij E 6.4.2 (droogtunnel met geperforeerde platen, BWL 2007.09.V4).”
In voorschrift 2.1 staat dat de volgende huisvestingssystemen en aantallen dieren aanwezig mogen zijn:
Het totaal aantal vergunde opfokhennen bedraagt 63.852.
2.8. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep van eiseres heeft zaaknummer 24/6302 en het beroep van eiser zaaknummer 24/6326.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.9. De rechtbank heeft de beroepen op 17 september 2025 op zitting behandeld.
Aan de zitting hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar dochters en [persoon A], de gemachtigden van het college en [persoon B], en namens de vergunninghouder [derde-partij], de gemachtigde van vergunninghouder en [persoon C].
2.10. In de tussenuitspraak van 7 november 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank in de zaak van eiseres het college in de gelegenheid gesteld om binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.11. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
2.12. Eiseres heeft hierop schriftelijk gereageerd.
2.13. Het college en vergunninghouder hebben aangegeven geen aanleiding te zien voor een reactie op deze zienswijze.
2.14. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
2.15. Na het sluiten van het onderzoek heeft eiseres op 25 maart 2026 aan de rechtbank een aanvullende reactie toegezonden. Dit stuk vormt voor de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep van eiser (24/6326)
3. In het beroepschrift van eiser staat het volgende:
“Bij het verlenen van de omgevingsvergunning zijn de emissies van de pelletkachel niet meegenomen. Hierdoor wordt – ten onrechte - de indruk gewekt dat er sprake is van een milieuneutrale wijziging. Het gebruik van de pelletkachel vind immers geenszins plaats zonder dat er emissie plaatsvind. Zonder aanvullend onderzoek en aanvullende motivering kan de omgevingsvergunning niet in stand blijven.”
3.1.
Anders dan eiser aangeeft is er geen sprake van een vergunning voor een milieuneutrale wijziging, maar van een veranderingsvergunning. In de veranderingsvergunning is ingegaan op de milieugevolgen die samenhangen met de aangevraagde wijzigingen, waaronder de pelletkachel en de (fijnstof)emissies van deze pelletkachel. Deze motivering heeft eiser niet betwist, zodat reeds daarom de beroepsgrond niet kan slagen.
Conclusie
4. Het beroep van eiser is ongegrond.
Het beroep van eiseres (24/6302)
Wat heeft de rechtbank in de tussenuitspraak beslist en wat zijn de reacties daarop van partijen?
5. Deze uitspraak bouwt voor wat betreft het beroep van eiseres voort op de tussenuitspraak, waarin de rechtbank al is ingegaan op de meeste beroepsgronden.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat er sprake is van een motiveringsgebrek met betrekking tot het aantal verkeersbewegingen voor de opslag van pellets. De rechtbank heeft in de conclusie van de tussenuitspraak aangegeven dat het college, om het gebrek te herstellen, moet motiveren hoeveel extra verkeersbewegingen plaatsvinden en wat de gevolgen van deze verkeersbewegingen zijn voor de geluidbelasting op de omliggende woningen. De rechtbank heeft ook aangegeven dat het college moet bekijken of de geluidvoorschriften moeten worden gewijzigd als uit de berekeningen blijkt dat er sprake is van een hogere geluidbelasting.
5.1.
Het college heeft op 30 januari 2026 in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering toegezonden aan de rechtbank. In die aanvullende motivering stelt het college zich op het standpunt dat ook als wordt uitgegaan van drie vervoersbewegingen per jaar de representatieve bedrijfssituatie niet wijzigt. Het is daarom volgens het college niet nodig om de geluidvoorschriften uit de revisievergunning aan te passen. Ter onderbouwing verwijst het college naar het advies van de omgevingsdienst Veluwe van 30 januari 2026 en naar de reactie van Tecmap van 14 november 2025.
5.2.
Eiseres heeft op 12 februari 2026 een zienswijze ingediend. In deze zienswijze heeft eiseres een groot aantal opmerkingen gemaakt en stellingen betrokken over een reeks nieuwe onderwerpen, zoals de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer, de nota industrielawaai [plaats], de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering, de richtlijn omgevingsgeluid en gezondheid, dieraantallen, afvalwater, de zorgplicht, de Waterwet, de Kaderrichtlijn water, de Wet bodembescherming, de Wet natuurbescherming, de omgevingsverordening Gelderland, de Richtlijn industriële emissies, de bouwvergunning, het optreden van de NVWA, integriteitsonderzoeken en BIBOB-onderzoeken. Eiseres heeft ook nieuwe beroepsgronden aangevoerd met betrekking tot (gestelde) gebreken in het geluidonderzoek uit 2012.
Zijn de door eiseres nieuw ingebrachte beroepsgronden in strijd met de goede procesorde?
6. In overweging 27 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank over de omvang van het geding na de tussenuitspraak het volgende overwogen:
“Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. Na deze tussenuitspraak gaat het geschil dus nog alleen over de verkeersbewegingen voor het vullen van de pelletkachel, de aanvullende motivering van het college op dit punt en de beroepsgrond over een geluidbeheerplan. Op alle andere onderwerpen is de rechtbank in de tussenuitspraak al ingegaan.”
6.1.
Eiseres voert in haar zienswijze een groot aantal nieuwe beroepsgronden aan. De reactie van het college op de tussenuitspraak geeft geen aanleiding voor het aanvoeren van deze nieuwe beroepsgronden. Ook verder ziet de rechtbank in wat eiseres in de zienswijze heeft aangevoerd geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt in de tussenuitspraak, dat het geding beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak. Eiseres had de nieuwe beroepsgronden al voor de tussenuitspraak kunnen en moeten aanvoeren. De rechtbank bespreekt de nieuwe beroepsgronden daarom niet inhoudelijk, vanwege strijd met de goede procesorde. Het betrekken van deze beroepsgronden bij de procedure zou tot onaanvaardbare uitbreiding en vertraging van de procedure leiden in het licht van de belangen van de vergunninghouder en een goede rechtspleging meer in het algemeen.
Heeft het college het motiveringsgebrek hersteld?
7. Eiseres heeft de nadere motivering van het college over de vervoersbewegingen met betrekking tot de pelletkachel en de geluidvoorschriften niet betwist.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de nadere motivering het motiveringsgebrek heeft hersteld.
Had een geluidbeheerplan moeten worden opgesteld?
8. Voor wat betreft het betoog van eiseres dat een geluidbeheerplan had moeten worden opgesteld overweegt de rechtbank dat het college op pagina 13 van de omgevingsvergunning heeft gemotiveerd waarom een geluidbeheerplan niet nodig is.
Deze motivering is door eiseres niet betwist.
De beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding vanwege schade door de uitbreiding van de pluimveehouderij
9. Eiseres heeft bij brief van 2 februari 2025 verzocht om schadevergoeding vanwege schade die is ontstaan door de uitbreiding van de pluimveehouderij met een mestvergistingsinstallatie, langdurige grootschalige mestopslag, silo’s voor pellets en pluimveevoer en een pelletkachel. De illegale uitbreiding en de weigering daartegen handhavend op te treden heeft volgens eiseres aanzienlijke gevolgen voor de waarde en bewoonbaarheid van haar woning, hun gezondheid, woongenot en het milieu.
De schade bestaat volgens eiseres uit waardevermindering van de woning, gezondheidsrelateerde schade, psychologische en immateriële schade. Het totale schadebedrag heeft eiseres begroot op € 864.900. Daarnaast heeft eiseres verzocht om de schade aan het milieu te compenseren met gepaste maatregelen voor een bedrag van € 5.000.000.
9.1.
Artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt:
“1 De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.”
Artikel 8:89 van de Awb bepaalt:
“(…)
2 In de overige gevallen is de bestuursrechter bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25 000 bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.
(…).”
Artikel 8:91, eerste lid, van de Awb bepaalt:
“Indien het verzoek wordt gedaan gedurende het beroep tegen of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, wordt het ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is.”
9.2.
De rechtbank heeft eiseres gewezen op de bevoegdheidsgrens van € 25.000 uit artikel 8:89, tweede lid, van de Awb. Eiseres heeft haar verzoek om schadevergoeding in reactie daarop verlaagd tot € 25.000.
9.3.
De rechtbank overweegt dat er sprake dient te zijn van een onrechtmatig besluit om een schadevergoeding toe te kunnen kennen. Daarvan is geen sprake. Ook is niet gebleken van een andere grondslag voor vergoeding van schade in deze procedure. Er bestaat dan ook geen aanleiding om in deze procedure een schadevergoeding vanwege de uitbreiding van de pluimveehouderij toe te kennen.
Schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn
10. Eiseres heeft in haar zienswijze aangegeven dat de termijnen van orde zijn overschreden en heeft de rechtbank verzocht om daar de vereiste conclusies aan te verbinden. De rechtbank merkt dit aan als een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn voor de procedure bij de rechtbank bedraagt in dit geval twee jaar en begint te lopen bij het instellen van het beroep. De rechtbank heeft het beroep ontvangen op 8 september 2024. De rechtbank heeft binnen twee jaar na die datum uitspraak gedaan zodat de redelijke termijn niet is overschreden.
Conclusie en gevolgen
11. Vanwege het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep van eiseres gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het college het motiveringsgebrek heeft hersteld, laat de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.
De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding omdat eiseres zich niet heeft laten bijstaan door een rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eiser ongegrond;
- verklaart het beroep van eiseres gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzitter, en mr. M. van Harten en mr. E.C. Berkouwer, leden, in aanwezigheid van mr. E. Mengerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2o, van de Wabo.
De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling van 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0213 en 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1759. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|