|
|
|
| ECLI:NL:OGEAA:2026:72 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 02-04-2026 | | Instantie | : | Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba | | Zaaknummers | : | AUA202600513 KG | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Kort geding familierecht. Moeder vordert afgifte van kind aan haar. De vader voert aan dat het kind door moeder en haar partner mishandeld wordt. Dat zegt het kind namelijk zelf. Er zijn geen concrete en objectieve aanwijzingen van mishandeling. Het kind moet dus weer aan de moeder worden afgegeven. Vaststelling van tijdelijke zorgregeling met vader. | | Trefwoorden | : | san | | | | Uitspraak | Vonnis in kort geding van 5 maart 2026
Behorend bij KG no. AUA202600513
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende in Aruba,
eiseres,
hierna ook te noemen: de moeder,
gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza,
tegen:
[Gedaagde],
wonende in Aruba,
gedaagde,
hierna ook te noemen: de vader,
gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn.
1DE PROCEDURE
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingediend op 20 februari 2026,
- de reconventionele vordering van de vader, ingediend op 2 maart 2026;
- de aanvullende producties van de moeder;
- de aanvullende producties van de vader.
1.2
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij zijn beide ouders verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Namens de Voogdijraad waren aanwezig mevrouw Z. Kolfin en mevrouw N. Vrolijk. De beide gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen.
1.3
Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.
2DE VASTSTAANDE FEITEN
2.1
Partijen zijn de ouders van [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), geboren op [geboortedatum] 2022 in Aruba.
2.2
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige].
2.3
Sinds partijen eind 2023 uit elkaar zijn gegaan, woonde [minderjarige] bij de moeder en had hij onregelmatig contact met de vader. Het contact met de vader was altijd overdag, hij heeft nooit bij de vader overnacht.
2.4
Op 31 januari 2026 heeft de vader [minderjarige] bij de moeder opgehaald. Hij heeft [minderjarige] die avond – tegen de afspraak in – niet teruggebracht naar de moeder.
2.5
De vader heeft [minderjarige] in de avond van 31 januari 2026 laten onderzoeken op de spoedeisende hulp van het HOH. In het verslag van dit bezoek staat:
“Anamnese
Vader en opa op SEH. [Minderjarige] is vanmiddag opgehaald door vader nadat hij bij moeder verbleef, conform regeling bij niet samenwonende ouders. [Minderjarige] zegt dan uit zichzelf dat de stiefvader (vriend van moeder) hem heeft geslagen met een zwarte riem op zijn rechterknie en met een slipper op zijn rechterhand. Dit is voor zover vader en opa weten nog nooit eerder gebeurd. Wel is het al eerder gebeurd dat hij dan met zijn hand pistool-/schietbewegingen nadoet. Er speelt een lange tijd discussie tussen beide ouders, er wordt al informatie verzameld over de manier van opvoeden door moeder waar vader het niet mee eens is. (…)
Lichamelijk onderzoek
Op SEH levendig en vrolijk
top-teen onderzoek:
caput: geen hematomen of verwondingen zichtbaar
in mond geen zichtbare afwijkingen, normaal verzorgd gebit,
thorax voor- en achterkant geen uitwendig letsel zichtbaar. (…)
abdomen: geen uitwendig letsel zichtbaar. Rug geen uitwendig letsel zichtbaar.
benen: op re been distale femur mediale zijde een verkleuring van 1,5 cm circulair; onscherp begrensd, rood met centraal iets witter.
armen: op re-hand palmair een bruine stip thv MC2.
(…)
Conclusie:
verdenking mishandeling op basis van verhaal van kind zelf.”
2.6
Op 1 februari 2026 heeft de moeder contact opgenomen met de politie en op 2 februari 2026 met de Voogdijraad. De Voogdijraad heeft de moeder verteld dat de vader contact had opgenomen met Bureau Sostenemi, omdat [minderjarige] zou hebben gezegd dat de partner van de moeder hem zou hebben geslagen.
2.7
Op 3 februari 2026 heeft de vader bij de politie aangifte gedaan van mishandeling van [minderjarige] door de partner van de moeder.
2.8
Na bemiddeling door de Voogdijraad is afgesproken dat de moeder en [minderjarige] contact met elkaar zouden hebben op 4 februari 2026. De vader heeft die afspraak afgezegd. Vervolgens is – opnieuw door tussenkomst van de Voogdijraad – afgesproken dat er contact zou zijn op 5 februari 2026, de verjaardag van [minderjarige]. De vader is toen opnieuw niet verschenen.
2.9
Daarop is [minderjarige] door het Openbaar Ministerie toevertrouwd aan de Voogdijraad en is [minderjarige] in Casa Cuna geplaatst.
2.10
Op 9 februari 2026 hebben de vader en de moeder bij de Voogdijraad een “Acuerdo di Seguridad” ondertekend. Hierin staat dat [minderjarige] voorlopig geen contact zal hebben met de partner van de moeder en is een voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder bepaald (4 keer per week in Neptali Park, en op de overige dagen een videocall van 10 minuten). Vervolgens is [minderjarige] vanuit Casa Cuna weer teruggeplaatst bij de vader.
2.11
De crèche van [minderjarige] heeft op 2 maart 2026 een verklaring opgesteld. Daarin staat (samengevat) dat [minderjarige] tot voor kort een vriendelijk, rustig en aangepast kind was. Sinds begin februari is het gedrag van [minderjarige] erg veranderd. Hij luistert niet naar de leidsters, spreekt hen steeds tegen, vecht om het speelgoed omdat hij dat niet wil delen, eet en slaapt slecht, heeft moeite met afscheid nemen en vertoont tekenen van verlatingsangst. Uit het gedrag van [minderjarige] leidt de crèche af dat [minderjarige] lijdt aan grote emotionele stress. Hij
3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1
De moeder vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopig bij de moeder zal blijven;
de vader verbiedt om wijziging aan te brengen in het hoofdverblijf dan wel het feitelijk verblijf van [minderjarige] bij de moeder, totdat hierover onherroepelijk in een bodemprocedure is beslist;
althans een zodanige beslissing neemt als het Gerecht redelijk en billijk acht;
de vader veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
3.2
De vader vordert op zijn beurt:
dat de ontmoetingsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] worden gewijzigd naar San Nicolaas, bijvoorbeeld bij de YMCA;
dat partijen samen overeenstemming bereiken over een crèche dichter bij vaders huis of midden op het eiland;
dat het Gerecht een andere beslissing neemt in het belang van [minderjarige];
dat het Gerecht de moeder veroordeelt in de proceskosten.
3.3
Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.
3.4
Het Gerecht gaat hierna in op de standpunten van partijen, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van de vordering.
4DE BEOORDELING
4.1
Dit is een procedure in kort geding. In zo’n procedure, die is bedoeld voor situaties waarin dringend een beslissing van de rechter nodig is, moet het Gerecht beoordelen of voldoende aannemelijk is geworden dat het Gerecht de vorderingen van partijen in een bodemprocedure zal toewijzen.
4.2
Dat sprake is van een spoedeisend belang staat tussen partijen – terecht – niet ter discussie. Het Gerecht zal de vorderingen van partijen dan ook inhoudelijk beoordelen. Omdat de vorderingen van de vader en de moeder met elkaar samenhangen, zullen die hierna gezamenlijk worden beoordeeld.
Hoofdverblijfplaats
4.3
Vast staat dat [minderjarige] tot 31 januari 2026 bij de moeder woonde. In een kort geding kan in beginsel geen wijziging worden gebracht in de hoofdverblijfplaats van een kind. Wel kan worden bepaald dat het kind tijdelijk (in afwachting van een bodemprocedure) elders zal verblijven, als er concrete aanwijzingen zijn dat dat in het belang van het kind is. De vader stelt dat dat hier het geval is. Hij vindt dan ook dat [minderjarige] voorlopig bij hem moet blijven. Hij onderbouwt dit als volgt.
4.4
De vader maakt zich al langere tijd zorgen over [minderjarige], omdat hij vindt dat de moeder niet goed voor [minderjarige] zorgt. Dit leidt hij af uit het feit dat [minderjarige] regelmatig wonden heeft op zijn huid of oorinfecties heeft. Ook had [minderjarige] een keer een grote schaafwond in zijn gezicht, nadat hij was gevallen toen de moeder de deur open had laten staan. De vader merkte al langere tijd dat [minderjarige] overstuur raakte en tegenstribbelde, als hij na een contactmoment met de vader weer terug ging naar de moeder thuis. Daarnaast vertelde [minderjarige] hem dat de moeder hem slaat en zegt hij dat er bij de oma moederszijde vuurwapens zijn waarmee mensen dood worden gemaakt. Om die redenen heeft de vader in mei 2025 contact gezocht met Bureau Sostenemi. Hij heeft echter het idee dat hij daar niet serieus wordt genomen.
Op 31 januari 2026 vertelde [minderjarige] hem dat de partner van de moeder hem slaat (met een slipper, een riem of met zijn vuisten). Daarop heeft de vader direct actie ondernomen en is hij naar de politie en de eerste hulp gegaan. Op advies van de jeugd- en zedenpolitie heeft hij [minderjarige] daarna bij zich gehouden, omdat contact met de moeder en haar partner de uitkomsten van het politieonderzoek zou kunnen beïnvloeden.
De vader heeft inmiddels een verzoek ingediend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en hij wil ook eenhoofdig gezag. De vader meent dat – zolang daarover niet is beslist – de situatie moet blijven zoals hij op dit moment is. Dat is volgens de vader ook beter voor [minderjarige], omdat hij angstig reageert op de moeder als hij contact met haar heeft.
4.5
De moeder heeft veel van de stellingen van de vader bestreden. Zij heeft erkend dat zij [minderjarige] wel eens hardhandig heeft vastgepakt om zijn aandacht te krijgen, maar zij bestrijdt dat sprake is van mishandeling. Haar partner heeft [minderjarige] nog nooit geslagen. De moeder staat open voor hulp en dat heeft zij ook aan de Voogdijraad laten weten.
Volgens de moeder is haar verhouding met de vader al lange tijd slecht. Hij zoekt regelmatig de confrontatie, communiceert respectloos en vertoont onvoorspelbaar gedrag. Zij is bang dat [minderjarige] nu de gevolgen daarvan ondervindt. Zij maakt zich op dit moment grote zorgen over [minderjarige]. Hij vertoont gedragsveranderingen, zegt dat alleen de vader van hem houdt en noemt zichzelf “stout”. In de videocalls die zij met [minderjarige] heeft, informeert [minderjarige] zonder angst naar haar partner. Volgens de moeder duidt dit niet op een kind dat mishandeld wordt en bang is.
4.6
De tegenstrijdige verhalen van de ouders plaatsen het Gerecht voor een dilemma. In principe is het in het belang van [minderjarige] dat de situatie waaraan hij tot voor kort gewend was, wordt hersteld. Dit zou betekenen dat [minderjarige] zo snel mogelijk terug moet naar de moeder. Dat is echter alleen in zijn belang als dit daadwerkelijk veilig is: als [minderjarige] door de moeder en/of haar partner mishandeld zou worden, zoals de vader zegt, is het natuurlijk niet in zijn belang dat hij terugkeert in die situatie. Op dit moment is er echter geen onderzoeksinformatie beschikbaar over de situatie bij de moeder (en bij de vader) thuis. [Minderjarige] is zeer recent door de jeugd- en zedenpolitie ondervraagd, maar daarvan is nog geen rapport beschikbaar. Ook is nog niet bekend of verder onderzoek zal worden gedaan. Het Gerecht zal zijn beslissing dus moeten baseren op de weinige concrete informatie die wél beschikbaar is.
4.7
Dat is in de eerste plaats de medische informatie. Die informatie bevestigt niet de angst van de vader (i) dat de moeder [minderjarige] verwaarloost, en ook niet (ii) dat [minderjarige] door de moeder en/of haar partner mishandeld wordt.
4.8
Voor wat betreft (i) de verwaarlozing, heeft de vader gesteld dat [minderjarige] er vaak onverzorgd uitziet, dat hij ontstekingen heeft aan zijn huid en oren en dat hij ook een keer een grote schaafwond in zijn gezicht had door de nalatigheid van moeder. In de rapportage van de SEH staat echter dat [minderjarige] normaal verzorgd is en een normaal verzorgd gebit heeft. De SEH heeft verder geen bijzonderheden vastgesteld (afgezien van twee blauwe plekjes, waarover hierna meer). Uit het huisartsenjournaal, dat de moeder heeft ingediend, blijkt bovendien dat de moeder sinds de geboorte van [minderjarige] vaak bij de huisarts is geweest in verband met (onder andere) waterpokken, hand-, mond- en voetziekte en krentenbaard. Dat zijn allemaal ziektes die veel voorkomen bij jonge kinderen, net als de oorontstekingen waaraan [minderjarige] volgens het huisartsenjournaal regelmatig lijdt. Ook blijkt uit het huisartsenjournaal dat [minderjarige] een gevoelige huid heeft en dat hij regelmatig luchtwegontstekingen heeft. De moeder heeft daarvoor echter steeds medische hulp gezocht en is zelfs een aantal keer door de huisarts naar huis gestuurd met de mededeling dat er niets bijzonders met [minderjarige] aan de hand was. Dat de moeder [minderjarige] verwaarloost, blijkt dus bepaald niet uit de medische informatie. Dat kan ook niet worden afgeleid uit het feit dat [minderjarige] een keer flink is gevallen, toen de moeder per ongeluk de deur had laten open staan. [minderjarige] was op dat moment twee, en kinderen van die leeftijd zijn vliegensvlug. Dat een kind een keer aan de aandacht van de ouder ontsnapt en valt, betekent niet dat die ouder onverantwoord is.
4.9
Dat [minderjarige] (ii) mishandeld wordt, kan aan de hand van de beschikbare medische informatie ook niet worden vastgesteld. Het huisartsenjournaal wekt eerder de indruk van een moeder die bezorgd is over haar kind, terwijl daaruit ook niet valt af te leiden dat de huisarts vermoedt dat [minderjarige] mishandeld wordt. Ook het verslag van de SEH geeft daarvoor geen aanknopingspunt: op de SEH is [minderjarige] volledig onderzocht en is alleen een kleine blauwe plek en een bruine stip vastgesteld. Dat is voor een kind van net vier niet vreemd. Ook uit de informatie van de crèche van [minderjarige] blijkt niet dat de crèche zich zorgen maakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] door de moeder.
4.10
Het vermoeden van de vader dat [minderjarige] mishandeld wordt, is met name gebaseerd op de verhalen van [minderjarige] zelf. [Minderjarige] is net vier geworden. Kinderen van die leeftijd zijn in het algemeen impulsief en beïnvloedbaar. Zij leven in een fantasiewereld en kunnen de neiging hebben dingen te zeggen waarvan zij denken dat de ander die wil horen. Daarmee zegt het Gerecht zeker niet dat jonge kinderen niet moeten worden geloofd. Als een kind dit soort dingen zegt, moet daarnaar goed worden gekeken. Er moeten echter niet in alle gevallen direct zware consequenties worden verbonden aan opmerkingen van een jong kind. Dat geldt zeker in situaties als deze, waarin de verhoudingen tussen de ouders slecht zijn. Een kind voelt dat aan, en niet valt uit te sluiten dat [minderjarige] om die reden tegen de vader slechte dingen zegt over de moeder of gebeurtenissen overdrijft, omdat hij denkt dat de vader dat wil horen.
4.11
De vader heeft talloze filmpjes in het geding gebracht, waarin [minderjarige] zegt dat hij wordt geslagen. Daaraan hecht het Gerecht geen doorslaggevende waarde. In die filmpjes stelt de vader aan [minderjarige] (meestal gesloten) vragen over of [minderjarige] geslagen wordt door de moeder of haar partner. Het ondervragen van een jong kind is vakwerk. Zelfs bij de politie, die is opgeleid om mensen te ondervragen, bestaat er een speciale opleiding voor het ondervragen van kinderen. De vader heeft die opleiding natuurlijk niet gevolgd. Dat [minderjarige] in de filmpjes tegen de vader zegt dat hij wordt geslagen, betekent dus niet automatisch dat dat ook op die manier gebeurd is.
4.12
De vader heeft er tot slot op gewezen dat [minderjarige] tegenstribbelt als de vader hem terugbrengt naar de moeder. Anders dan de vader heeft betoogd, betekent ook dit niet zonder meer dat [minderjarige] zich bij de moeder niet veilig voelt. Juist in situaties zoals deze, waarin de verhoudingen tussen de ouders slecht zijn, vertonen (jonge) kinderen vaak afwijkend gedrag bij de overdracht. Dat gedrag wordt dan veroorzaakt door een loyaliteitsconflict, waardoor een kind stress ervaart als hij van de ene ouder naar de andere gaat.
Hij
4.13
Kortom: het Gerecht heeft geen concrete aanwijzingen dat [minderjarige] bij de moeder thuis niet veilig is. Omdat het huis van de moeder wel de vertrouwde woonplaats is van [minderjarige], vindt het Gerecht het in zijn belang dat hij daar zo snel mogelijk terugkeert. De vader heeft weliswaar nog opmerkingen gemaakt over de oma moederszijde ([minderjarige] zou zeggen dat de oma vuurwapens heeft waarmee mensen worden gedood, en oma zou regelmatig dronken zijn), maar ook als dat waar is, leidt dat niet tot een andere beslissing. Vast staat immers dat de oma moederzijde niet bij de moeder en [minderjarige] in huis woont.
4.14
Ook de Voogdijraad heeft tijdens de zitting laten weten dat zij het niet nodig vindt dat [minderjarige] nog langer fulltime bij de vader blijft wonen. Dit was geadviseerd door de jeugd- en zedenpolitie, maar nu [minderjarige] inmiddels is verhoord, bestaat er volgens de Voogdijraad geen reden om [minderjarige] nog langer bij de moeder weg te houden. Volgens de Voogdijraad erkent de moeder dat zij niet perfect is en staat zij open voor hulp. Ook de vader is volgens de Voogdijraad niet perfect: de Voogdijraad heeft hem leren kennen als impulsief en soms agressief, en als iemand die baat zou kunnen hebben bij een agressieregulatietraining. Hoewel het Gerecht niet uitsluit dat de houding van de vader veroorzaakt is door oprechte zorgen over [minderjarige], kan het Gerecht op basis van alle beschikbare informatie niet vaststellen dat [minderjarige] bij de vader veel beter af is dan bij de moeder.
4.15
Dit betekent dat de vordering van de moeder om te bepalen dat [minderjarige] naar de moeder zal terugkeren, met ingang van vandaag zal worden toegewezen. Het Gerecht heeft deze beslissing al op de zitting met partijen besproken, zodat zij de tijd zouden hebben om [minderjarige] hierop voor te bereiden. De ouders hebben vervolgens afgesproken dat de vader [minderjarige] op donderdag (vandaag dus) naar de crèche zou brengen, en dat de moeder hem daar aan het eind van de dag weer zal ophalen.
4.16
Zoals het Gerecht op de zitting ook met de ouders besprak, is dit een voorlopige beslissing, gebaseerd op de informatie die nu beschikbaar is. Als uit het onderzoek van de jeugd- en zedenpolitie zou blijken dat [minderjarige] daadwerkelijk door de moeder en/of haar partner mishandeld wordt, zullen de vader, Bureau Sostenemi en/of de Voogdijraad natuurlijk direct actie moeten ondernemen.
Voorlopige zorgregeling
4.17
Hoewel geen van partijen daarom heeft verzocht, vindt het Gerecht het van belang om een voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] te bepalen. Tot eind januari 2026 bestond die niet, en was er tussen de ouders regelmatig discussie over de zorgregeling. Ook heeft [minderjarige] de laatste weken fulltime bij de vader doorgebracht, en is het niet in zijn belang dat de vader ineens weer bijna uit zijn leven verdwijnt.
4.18
De vader wil graag een co-ouderschapsregeling, die inhoudt dat [minderjarige] de helft van de tijd bij hem verblijft. De Voogdijraad heeft een regeling voorgesteld op basis waarvan [minderjarige] twee dagen bij de moeder verblijft, en vervolgens twee dagen bij de vader. Alles afwegende, zal het Gerecht een voorlopige zorgregeling bepalen die inhoudt dat [minderjarige] eens per twee weken van vrijdagmiddag (na de crèche/school) tot maandagochtend (naar de crèche / school) bij de vader verblijft, en iedere week van dinsdagmiddag (na crèche / school) tot woensdagochtend (naar de crèche / school). Op deze manier kan de overdracht zo veel mogelijk via de crèche plaatsvinden en blijft het contact tussen de ouders beperkt. Wel kan [minderjarige] op deze manier met beide ouders een weekend doorbrengen, en zijn beide ouders betrokken bij de crèche (en straks de school). Ook is de zorg voor [minderjarige] redelijk gelijk verdeeld. Het Gerecht vindt een regeling waarbij [minderjarige] een iets groter deel van de doordeweekse dagen week bij de moeder doorbrengt het meest in het belang van [minderjarige], gelet op de reistijd tussen het huis van de vader en de crèche. De vader heeft namelijk zelf verteld dat hij [minderjarige] om 5.30 uur moet wakker maken om op tijd bij de crèche te kunnen zijn. Een vertrek vanuit het huis van de moeder is daarom voor hem rustiger.
4.19
Het Gerecht gaat er verder vanuit dat ouders afspraken maken over videocalls tussen [minderjarige] en de ouder waar hij op dat moment niet verblijft, als [minderjarige] daaraan behoefte heeft.
Onderzoek Voogdijraad
4.20
Zoals gezegd is er in deze zaak nog veel onduidelijk. Voor het Gerecht is niet vast te stellen wie van de ouders gelijk heeft, maar de situatie is zonder meer zorgelijk. De vader uit ernstige verwijten tegen de moeder, [minderjarige] is van het ene moment op het andere uit zijn vertrouwde omgeving gehaald (en is zelfs kort in Casa Cuna geplaatst), terwijl de crèche bovendien signaleert dat het gedrag van [minderjarige] erg is veranderd. Inmiddels is bij het Gerecht tussen de ouders ook een bodemprocedure aanhangig, waarin de vader vraagt om eenhoofdig gezag, om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen en om een omgangsregeling met de moeder vast te stellen. De moeder heeft al aangekondigd dat ook zij (in ieder geval) om eenhoofdig gezag en het hoofdverblijf van [minderjarige] zal vragen. Te verwachten valt dat het Gerecht in de bodemprocedure behoefte zal hebben aan meer informatie. Om ervoor te zorgen dat die informatie zo snel mogelijk beschikbaar komt, zal het Gerecht de Voogdijraad alvast vragen om in de bodemprocedure een onderzoek te verrichten naar de sociale omstandigheden van partijen.
4.21
Daarbij zal de Voogdijraad worden verzocht de volgende vragen te beantwoorden:
welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige]?
welke zorgregeling is het meest in het belang van [minderjarige]?
welke gezagssituatie is het meest in het belang van [minderjarige] (handhaving van het gezamenlijk gezag, eenhoofdig gezag van de moeder of eenhoofdig gezag van de vader)?
moet hulpverlening worden ingezet voor [minderjarige] en zo ja, welke?
is hulpverlening nodig voor de ouders (gezamenlijk en/of individueel) en zo ja, welke?
De Voogdijraad wordt verzocht om in het kader van haar onderzoek ook de bevindingen van de jeugd- en zedenpolitie en Bureau Sostenemi te betrekken.
Overige verzoeken
4.22
Omdat [minderjarige] voorlopig zijn hoofdverblijfplaats houdt bij de moeder, hoeft niet meer te worden beslist over de locatie van de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige]. Op het verzoek van de vader dat daarop ziet, hoeft daarom niet meer te worden beslist.
4.23
Ook ziet het Gerecht geen aanleiding om nu de crèche van [minderjarige] te wijzigen. Die crèche is weliswaar relatief ver van de woning van de vader, maar [minderjarige] is met die crèche bekend en vertrouwd. Het is niet in het belang van [minderjarige] om hem – opnieuw – uit zijn vertrouwde omgeving te halen. Bovendien zal [minderjarige] na de zomervakantie naar school gaan. Het gaat dus om een afzienbare periode, waarin de vader de afstand tussen zijn huis en de crèche moet overbruggen. Het belang van [minderjarige] om de laatste maanden naar zijn vertrouwde crèche te blijven gaan, weegt zwaarder.
Proceskosten
4.24
Omdat partijen samen de ouders zijn van [minderjarige], bepaalt het Gerecht dat zij ieder de eigen proceskosten zullen betalen.
5DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
in conventie en in reconventie
5.1
bepaalt dat [minderjarige] voorlopig zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft;
5.2
veroordeelt de vader om [minderjarige] met ingang van vandaag aan de moeder af te geven;
5.3
bepaalt dat [minderjarige] voorlopig bij de vader zal zijn:
- iedere dinsdagmiddag (na de crèche) tot woensdagochtend (naar de crèche);
- ( met ingang van 13 maart 2026) eens per twee weken van vrijdagmiddag (na de crèche) tot maandagochtend (naar de crèche);
5.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
5.5
verzoekt de Voogdijraad om een onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen, waarbij de in 4.21 genoemde vragen moeten worden beantwoord, en om op de rolzitting van maandag 1 juni 2026 te rapporteren in de bodemprocedure met zaaknummer AUA202600455 EJ;
5.6
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|