|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:6458 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 26-1229 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Vovo tegen omgevingsvergunning milieu voor houden van dieren afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang. Bestreden besluit niet gaat over de stikstofemissie van de aangevraagde wijziging van het aantal dieren. Ook uitrijden van mest en de daarmee gepaard gaande emissie van ammoniak valt niet onder de reikwijdte van de omgevingsvergunning. Geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. | | Trefwoorden | : | ammoniak | | | bestemmingsplan | | | fijnstof | | | koopovereenkomst | | | landbouw | | | landbouw, natuur en voedselkwaliteit | | | meststoffen | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | rundvee | | | stalsysteem | | | stikstofdepositie | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1229
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 in de zaak tussen
de Stichting Natuurrijk, te Krimpen aan den IJssel, verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college
(gemachtigde: [gemachtigde 1]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], te [woonplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning milieu voor het houden van dieren op de locatie [adres], te [plaats]. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat spoedeisend belang ontbreekt en het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 29 januari 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor het uitbreiden van het aantal schapen naar 140 stuks en het uitbreiden van het aantal rundvee naar 18 stuks. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2
Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd.
2.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens verzoekster, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3] en de gemachtigde van vergunninghouder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Belanghebbendheid verzoekster
3. Verzoekster is blijkens de koopovereenkomst tussen verzoekster en de provincie Zuid-Holland van 14 oktober 2021 eigenaar van het [perceel], gelegen tussen de [straatnaam] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] en tegenover [huisnummer 3] te [plaats] (natuurdomein “Natuurrijk”). Dit perceel maakt deel uit de van groenblauwe structuur als bedoeld in de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland en vormt een actief natuurontwikkelingsgebied waarvoor verzoekster op grond van deze koopovereenkomst een instandhoudings- en ontwikkelverplichting heeft.
3.1
Op de zitting is gebleken dat dit perceel grenst aan een van de percelen van vergunninghouder waarop de verleende omgevingsvergunning mede betrekking heeft.
3.2
Uitgangspunt is dat bewoners en eigenaren van aangrenzende percelen of in daaraan gelijk te stellen situaties in beginsel belanghebbenden zijn. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als het uitgesloten is dat betrokkene feitelijke gevolgen ondervindt.
3.3
Die situatie doet zich in dit geval niet voor, zodat verzoekster naar voorlopig oordeel belanghebbende is bij het bestreden besluit.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich brengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
4.1
Verzoekster voert aan dat het spoedeisend belang is gelegen in het voorkomen van voortgaande en onomkeerbare milieugevolgen. Per dag dat de vergunde uitbreiding van dieraantallen een feit is neemt de stikstofbelasting toe. Op 16 februari 2026 is het mestseizoen begonnen en kunnen activiteiten plaatsvinden die leiden tot onomkeerbare schade aan beschermde natuurwaarden. Stikstofdepositie leidt tot onmiddellijke bodemverrijking. Indien het besluit later wordt vernietigd, kan de reeds opgetreden depositie niet feitelijk worden teruggedraaid. Verder acht verzoekster de berekening van de stikstofemissie onjuist, nu daarbij gebruik is gemaakt van een verouderde versie van de Aerius-calculator. Bovendien is sprake van cumulatie van stikstofemissie en is externe saldering niet meer toegestaan volgens verzoekster.
4.2
Het college stelt zich op het standpunt dat spoedeisend belang ontbreekt. Het uitrijden van mest valt niet onder de reikwijdte van de omgevingsvergunning milieu en de vergunning ziet niet op het uitrijden van mest. Wat betreft de aangevoerde gronden met betrekking tot de stikstofdepositie wijst het college erop dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het bevoegd gezag is ten aanzien van natuurvergunningen. Zij hebben op 9 februari 2024 een natuurvergunning is verleend voor de betreffende activiteiten, waarbij de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is beoordeeld.
Verder heeft de inwerkingtreding van dit besluit geen directe gevolgen, omdat de vergunning ziet op de legalisering van de uitbreiding van het aantal schapen. De schapen worden in de zomerperiode beweid en staan gedurende circa drie à vier maanden per jaar op stal.
4.3
De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit niet gaat over de stikstofemissie van de aangevraagde wijziging van het aantal dieren, zodat verzoekster daaraan geen spoedeisend belang kan ontlenen. Op 9 februari 2024 is voor hetzelfde aantal dieren een natuurvergunning verleend door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, waarmee de thans bestaande stikstofemissie is vergund. Deze vergunning is inmiddels onherroepelijk, zodat verzoekster daartegen niet meer kan opkomen. Bovendien zijn de percelen van verzoekster niet aangewezen als Natura-2000 gebieden.
4.4
Weliswaar is met het bestreden besluit een toename van de emissie van ammoniak vergund van 118,5 naar 174,2 kg/jaar, maar die heeft uitsluitend betrekking op de emissie vanuit het stalsysteem en niet op het uitrijden van mest. Op grond van artikel 2.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is voor het op of in de bodem brengen van meststoffen, bedoeld in paragraaf 3.2.20, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag en niet het college. Dit betekent dat het uitrijden van mest en de daarmee gepaard gaande emissie van ammoniak ook niet onder de reikwijdte van de omgevingsvergunning valt, zodat verzoekster daaraan evenmin spoedeisend belang kan ontlenen.
Evident onrechtmatig?
5. Ook overigens is niet gebleken van spoedeisend belang. Omdat voldoende spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven.
6. De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.
7.1.
Volgens verzoekster is het college vooringenomen tegen haar. Zij ondervindt telkens een opvallend gebrek aan medewerking in haar streven natuurbevorderende maatregelen te nemen op haar percelen, terwijl vergunninghouder van alles wordt toegestaan en er nauwelijks onderzoek door het college is gedaan naar de effecten van de vergunde activiteiten op de naburige percelen.
7.2.
De voorzieningenrechter heeft in de stukken geen aanwijzingen aangetroffen dat het college bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met het verbod op vooringenomenheid van artikel 2:4 van de Awb. Dat verzoekster naar eigen zeggen in haar handelen door het college zou worden tegengewerkt door het college heeft - voor zover dat al het geval is - geen plaats en de beoordeling van het bestreden besluit.
8.1
Naar de mening van verzoekster is sprake van onmiskenbare schending van het verbod op detournement de pouvoir uit artikel 3:3 van de Awb. De voorzieningenrechter heeft daarvoor geen enkele aanwijzing kunnen vinden. Op zitting heeft verzoekster ook niet kunnen aangeven welke bevoegdheid voor een ander doel zou zijn aangewend dan het doel waarvoor die bevoegdheid is verleend.
8.2.
Dat de vergunning niet is gepubliceerd en ook met een beroep op de Wet open overheid (Woo) niet alle onderliggende stukken boven water zijn gekomen volgens verzoekster kan niet tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Er bestaat geen wettelijke verplichting om, naast de kennisgeving dat de vergunning is verleend, ook de vergunning zelf en alle daarop betrekking hebbende stukken te publiceren.
8.3.
Datzelfde geldt voor de stelling van verzoekster dat de vergunning rechtsonzeker is omdat daarin de specifieke kadastrale percelen waarop de activiteiten mogen plaatsvinden niet worden vermeld. Op zich is deze constatering van verzoekster juist, maar er bestaat geen wettelijke verplichting om de nummers van de kadastrale percelen in een besluit te vermelden. Ter zitting is bovendien niet gebleken van enige onzekerheid bij verzoekster over de ligging van de betrokken percelen.
8.4.
Dat uit het dossier niet blijkt dat de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) een eigen locatieonderzoek, een nulmeting en een onafhankelijke contra-expertise heeft uitgevoerd, kan niet leiden tot evidente strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb, aangezien in het bestreden besluit ten aanzien van de verschillende milieuaspecten de wettelijke regelingen zijn vermeld en de aanvraag op die punten vervolgens kenbaar is getoetst aan die regelingen. Uit het bestreden besluit blijkt evenmin dat het college de technische onderbouwing klakkeloos heeft overgenomen van de adviseur van vergunninghouder.
8.5.
Dat de omgevingsvergunning in strijd is met het "Nee, tenzij"-beleid uit de Omgevingsverordening Zuid-Holland heeft verzoekster onvoldoende onderbouwd. Zij heeft op de zitting noch in de stukken aangegeven met welke bepaling uit de provinciale Omgevingsverordening de vergunning is strijd is. Daarom kan geen sprake zijn van evidente onrechtmatigheid met die verordening. Daarnaast bevat de provinciale Omgevingsvisie, waarin - zoals zij stelt - het perceel van verzoekster is aangewezen als kansrijk weidevogelgebied geen regels op grond waarvan de omgevingsvergunning kan worden geweigerd.
8.6.
Volgens verzoekster is het college uitgegaan van een verouderd planologisch toetsingskader, te weten het bestemmingsplan uit 1984. Daarvan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Niet alleen is voor de verlening van een omgevingsvergunning milieu het planologisch toetsingskader niet van belang, op de zitting heeft het college bovendien verklaard dat is uitgegaan van het [bestemmingsplan 2], dat in 2014 is vastgesteld.
8.7.
Voor zover verzoekster beoogt om de berekening dan wel de toelaatbaarheid van de emissie van ammoniak uit het stalsysteem aan te vechten, stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekster de berekening niet gemotiveerd heeft bestreden. Evenmin is gebleken dat de vergunde emissies onmiskenbaar ontoelaatbaar zijn.
8.8.
De stelling van verzoekster dat het aantal verkeersbewegingen ten onrechte niet is opgenomen in de vergunningvoorschriften volgt de voorzieningenrechter niet. In het bestreden besluit is het aantal voertuigbewegingen in de normale bedrijfsvoering vermeld. Op de zitting heeft het college hieromtrent aangegeven dat daarbij is uitgegaan van een worst-case benadering en dat het feitelijke aantal voertuigbewegingen naar verwachting een stuk lager zal liggen.
8.9.
Nu het perceel van verzoekster niet bestemd is voor langdurig verblijf van personen, hoefde het college de stijging van de geuroverlast en de toename van fijnstof op dat perceel niet te onderzoeken. Ook om die reden is dus geen sprake van evidente onrechtmatigheid.
8.10
Dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de emissies van bestrijdingsmiddelen en van residuen van ontwormingsmiddelen zijn beoordeeld maakt, wat daar ook van zij, het bestreden besluit niet onmiskenbaar onrechtmatig, nu gemachtigde van vergunninghouder op de zitting heeft verklaard dat het gebruik van die middelen slechts op een zeer beperkt deel van de percelen van vergunninghouder is toegestaan. De voorzieningenrechter ziet geen reden daaraan te twijfelen.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1671)
Uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1392) | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|