Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:138 
 
Datum uitspraak:07-04-2026
Datum gepubliceerd:07-04-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:25/121
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Het verzoek om schadevergoeding is een herhaling van het verzoek om schadevergoeding waar het College al eerder over heeft geoordeeld. Het College wijst het verzoek dan ook af.
Trefwoorden:landbouw
meststoffenwet
Wetreferenties:Meststoffenwet
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/121

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] , te [woonplaats] (maatschap)
(gemachtigde: drs. [naam 2] )

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. C. Zieleman en mr. M. Leegsma)




Procesverloop

Op 24 september 2024 heeft de minister de door de maatschap ingediende verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

De maatschap heeft vervolgens bij het College een verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 18 februari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.



Overwegingen


Inleiding


1. De maatschap vraagt het College om de minister op te dragen de op grond van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (Regeling) aan haar opgelegde heffingen te vergoeden en de toegekende bonusgeldsommen uit te betalen, alsmede de minister te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden door de aanvankelijk te weinig toegekende fosfaatrechten op grond van de Meststoffenwet.


Beoordeling door het College


2 Het verzoek om schadevergoeding is een herhaling van het verzoek waar het College in zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:231) al over heeft geoordeeld. In die uitspraak heeft het College over de op grond van de Regeling opgelegde heffingen en toegekende bonusgeldsommen, voor zover van belang, als volgt overwogen, waarbij voor “ [naam 1] ” de maatschap moet worden gelezen:

“6.3 In zijn uitspraak van 1 december 2020 heeft het College het beroep tegen het (bij het besluit van 23 februari 2019 aangevulde) wijzigingsbesluit van 4 januari 2019, waarbij aan [naam 1] voor de perioden 3 en 4 heffingen zijn opgelegd en voor de perioden 1, 2 en 5 bonusgeldsommen zijn toegekend, ongegrond verklaard. Nu deze besluiten onherroepelijk zijn geworden, moeten zij voor rechtmatig moeten worden gehouden, zodat zij geen grondslag kunnen zijn voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Dit brengt mee dat [naam 1] deze besluiten niet nogmaals met succes bij het College aan de orde kan stellen door in het onderhavige verzoek als bedoeld in artikel 8:90 van de Awb aan te voeren dat de heffingen over de perioden 3 en 4 moeten vervallen en dat de minister voor de perioden 1, 2 en 5 een waarborgsom (bonusgeldsom) van in totaal € 381,- moet betalen.”

3 Over de beweerdelijke schade als gevolg van de aanvankelijk te weinig toegekende fosfaatrechten heeft het College in zijn uitspraak van 26 maart 2024, voor zover van belang, als volgt overwogen:

“6.6 Hier doet zich de situatie voor dat het College in zijn uitspraak van 6 oktober 2020 het fosfaatrecht van [naam 1] heeft verhoogd naar 3.134,4 kg. Met deze herroeping staat de onrechtmatigheid van de besluitvorming van de minister, voor zover daarbij een lager fosfaatrecht was toegekend, vast.


6.7
Naar het oordeel van het College kan deze onrechtmatige besluitvorming aan de minister worden toegerekend. […]



6.8
Op grond van artikel 6:101, eerste lid, van het BW wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.



6.9
Het College is van oordeel dat, voor zover sprake is van aan de minister toe te rekenen omstandigheden die tot de schade hebben bijgedragen, deze zijn te verwaarlozen ten opzichte van de omstandigheden die aan [naam 1] zijn toe te rekenen, zodat de schade geheel voor rekening van [naam 1] dient te blijven. […] Hij heeft [naam 1] bij de servicemelding het voorgenomen fosfaatrecht gemeld én van welke melkproductie hij daarbij uitging, en heeft [naam 1] de gelegenheid geboden daarop te reageren voordat hij het toekenningsbesluit nam. [naam 1] had ter voorkoming van haar schade kunnen reageren op de servicemelding of (vervolgens) op het besluit van 3 januari 2018 waarbij haar fosfaatrecht is vastgesteld. Hieruit bleek immers van welke melkproductie de minister uitging. Het College volgt […] de minister dat het op de weg lag van [naam 1] om na de servicemelding dan wel in bezwaar aan te voeren dat de melkproductie onjuist was. Nu [naam 1] pas in beroep voor het eerst heeft aangevoerd dat de minister […] de onjuiste gemiddelde melkproductie in 2015 heeft gehanteerd bij de toekenning van het aantal kg fosfaatrecht, was de minister niet in staat om de melkproductie eerder aan te passen, terwijl de minister aan zijn onderzoeksplicht als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb heeft voldaan en eveneens heeft voldaan aan zijn uit artikel 3:2 van de Awb voortvloeiende verplichting aan [naam 1] duidelijk te maken welke informatie van haar werd gevraagd.”

4 Deze overwegingen gelden onverkort voor het nu door de maatschap ingediende verzoek om schadevergoeding. Het College zal het verzoek om schadevergoeding dan ook afwijzen.

5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.




Beslissing

Het College wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.







R.C. Stam w.g. H. Caglayankaya



De voorzitter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
Link naar deze uitspraak