|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:1959 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 08-04-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202403470/1/R1 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 5 april 2024 heeft het algemeen bestuur van waterschap Aa en Maas in het kader van het project "Meanderende Maas" het projectplan "Dijkversterking Ravenstein-Lith" vastgesteld. Het waterschap Aa en Maas beoogt met het projectplan de Maasdijk tussen Ravenstein en de stuw bij Lith aan de Brabantse zijde te versterken. De aanleiding hiervoor is dat de dijk aan Brabantse zijde van dit riviertraject niet voldoet aan de veiligheidsnormen, zoals vastgelegd in de Waterwet. Het belangrijkste doel van het project "Meanderende Maas", waar het projectplan "Dijkversterking Ravenstein-Lith" onderdeel van is, is het vergroten van de waterveiligheid in het gebied tussen Ravenstein en Lith. Om dit te realiseren wil het waterschap de dijk over een lengte van 26,6 kilometer versterken en waterstandsverlaging realiseren. Ook ziet het projectplan op versterking van gebiedskwaliteiten en de benutting van mogelijkheden voor gebiedsontwikkeling. Het te versterken dijkgedeelte van de Maasdijk aan de Brabantse zijde ligt zuidelijk van de Maas en is gelegen in de provincie Noord-Brabant en de gemeente Oss. | | Trefwoorden | : | bestemmingsplan | | | bodemonderzoek | | | landbouw | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | waterschap | | | | Uitspraak | 202403470/1/R1.
Datum uitspraak: 8 april 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], ([appellant sub 1C]), wonend of gevestigd in Lithoijen, gemeente Oss,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend in Ravenstein, gemeente Oss,
3. Stichting Beschermd Stadsgezicht Ravenstein (SBSR), gevestigd in Ravenstein, gemeente Oss,
4. [appellant sub 4] en anderen, allen wonend in Ravenstein, gemeente Oss,
5. [appellant sub 5], wonend in Macharen, gemeente Oss,
appellanten,
en
1. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
2. het college van burgemeester en wethouders van Oss,
3. de raad van de gemeente Oss,
4. de minister voor Natuur en Stikstof (nu: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur),
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 5 april 2024 heeft het algemeen bestuur van waterschap Aa en Maas in het kader van het project "Meanderende Maas" het projectplan "Dijkversterking Ravenstein-Lith" vastgesteld.
Bij besluit van 8 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss aan waterschap Aa en Maas een omgevingsvergunning verleend voor wegverhoging/-verlegging ten behoeve van de uitvoering van het projectplan.
Bij besluit van 11 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Meanderende Maas-2022" vastgesteld ten behoeve van de uitvoering van het projectplan.
Bij besluit van 30 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss aan waterschap Aa en Maas een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van bomen ten behoeve van de uitvoering van het projectplan.
Bij besluit van 2 mei 2024 heeft de minister een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend voor de in dat besluit genoemde soorten en beschreven activiteiten ten behoeve van de uitvoering van het projectplan.
Bij besluit van 6 mei 2024 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het projectplan goedgekeurd.
Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.
[appellant sub 1C], [appellanten sub 2], SBSR, [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 5] hebben tegen het goedkeuringsbesluit beroep ingesteld.
[appellanten sub 2], SBSR en [appellant sub 5] hebben ook beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning voor het kappen van bomen.
[appellant sub 5] heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning voor de wegverhoging-/verlegging.
[appellant sub 5] heeft ook beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan.
[appellanten sub 2] en SBSR hebben beroep ingesteld tegen de ontheffing.
Het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders en de raad hebben samen een verweerschrift ingediend. Het verweerschrift dient ook als schriftelijke uiteenzetting van het algemeen bestuur. Ook de staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de staatssecretaris het ontheffingsbesluit van 2 mei 2024 gewijzigd.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het besluit van 29 oktober 2025 naar voren te brengen. SBSR, [appellant sub 4] en anderen en het college van gedeputeerde staten hebben hiervan gebruikgemaakt.
Bij besluit van 11 december 2025 heeft de raad, voor zover nu van belang, het bestemmingsplan "Meanderende Maas-2022" opnieuw vastgesteld.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze over het besluit van 11 december 2025 naar voren te brengen. [appellanten sub 2], SBSR en [appellant sub 4] en anderen hebben hiervan gebruik gemaakt.
Bij besluit van 23 december 2025 heeft de staatssecretaris het besluit van 29 oktober 2025 gewijzigd.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze over het besluit van 23 december 2025 naar voren te brengen. Partijen hebben hier geen gebruik van gemaakt.
SBSR, het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders en de raad en [appellant sub 4] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 februari 2026, waar zijn verschenen:
- SBSR, vertegenwoordigd door [gemachtigde A];
- [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.L. Santokhi, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, die via een videoverbinding aan de zitting heeft deelgenomen;
- [appellant sub 4] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde B];
- [appellant sub 5];
- het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door ir. H.C. van Engen, ir. J.T.A.M. van Casteren, drs. ing. J.J. de Greef, ir. A.T.P. Swanenberg en mr. D.J. de Beer, bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven, advocaat in Rotterdam;
- het college van burgemeester en wethouders en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Eurlings, bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven, advocaat in Rotterdam;
- en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. E.S.M. Sterk-Slot.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden.
Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerp ter inzage is gelegd van een projectplan van een waterschap als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet waarop de procedure van paragraaf 5.2 van de Waterwet van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 4.64, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het projectplan onherroepelijk is.
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Als een aanvraag om ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
Het ontwerpprojectplan en het ontwerpbestemmingsplan zijn op 17 augustus 2023 ter inzage gelegd. De aanvraag om de omgevingsvergunning voor de wegverhoging/-verlegging is ingediend op 14 oktober 2022. De aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het kappen van bomen is ingediend op 13 april 2023. De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 13 oktober 2022. Dit betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Waterwet, de Wro, de Wabo, de Wnb en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het waterschap Aa en Maas beoogt met het projectplan de Maasdijk tussen Ravenstein en de stuw bij Lith aan de Brabantse zijde te versterken. De aanleiding hiervoor is dat de dijk aan Brabantse zijde van dit riviertraject niet voldoet aan de veiligheidsnormen, zoals vastgelegd in de Waterwet. Het belangrijkste doel van het project "Meanderende Maas", waar het projectplan "Dijkversterking Ravenstein-Lith" onderdeel van is, is het vergroten van de waterveiligheid in het gebied tussen Ravenstein en Lith. Om dit te realiseren wil het waterschap de dijk over een lengte van 26,6 kilometer versterken en waterstandsverlaging realiseren. Ook ziet het projectplan op versterking van gebiedskwaliteiten en de benutting van mogelijkheden voor gebiedsontwikkeling. Het te versterken dijkgedeelte van de Maasdijk aan de Brabantse zijde ligt zuidelijk van de Maas en is gelegen in de provincie Noord-Brabant en de gemeente Oss.
Ter uitvoering van het projectplan is een aantal besluiten genomen, waaronder de besluiten tot verlening van de omgevingsvergunningen, de vaststelling van het bestemmingsplan en de ontheffing van verbodsbepalingen in de Wnb. Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.
3. Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de staatssecretaris de bij besluit van 2 mei 2024 aan het waterschap verleende ontheffing gewijzigd. Het besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Alleen SBSR heeft afzonderlijke beroepsgronden tegen dit besluit aangevoerd.
Vervolgens heeft de staatssecretaris bij besluit van 23 december 2025 het besluit van 29 oktober 2025 gewijzigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Appellanten hebben geen afzonderlijke beroepsgronden tegen dit besluit aangevoerd.
4. Met het besluit van 11 december 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Meanderende Maas-2022" opnieuw vastgesteld. Ook dit besluit van 11 december 2025 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Appellanten hebben geen afzonderlijke beroepsgronden tegen dit besluit aangevoerd.
5. De Chw is op deze procedure van toepassing.
Toetsingskader goedkeuringsbesluit projectplan
6. Een besluit tot vaststelling van een projectplan door het algemeen bestuur van het waterschap, genomen op grond van artikel 5.5 van de Waterwet, moet op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet worden goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten. Omdat bij een projectplan algemene belangen betrokken zijn, heeft de wetgever gewild dat het toezicht door het college van gedeputeerde staten ook betrekking heeft op belangen die geen ruimtelijke doorwerking hebben (Kamerstukken II 2006/07, 30 818, nr. 3, blz. 105).
Het projectplan is vormvrij. In de Waterwet worden aan een projectplan wel inhoudelijke eisen gesteld. Zo moet het projectplan een beschrijving bevatten van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van eventuele nadelige gevolgen van het werk (Kamerstukken II 2006/07, 30 818, nr. 3, blz. 40). Zowel het besluit van het algemeen bestuur tot vaststelling van een projectplan als het besluit van het college van gedeputeerde staten tot goedkeuring van zo’n vaststellingsbesluit is een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In verband daarmee moeten deze besluiten voldoen aan de algemene voor besluiten geldende bepalingen die zijn opgenomen in de afdelingen 3.2 en 3.7 van de Awb. Omdat artikel 5.5 van de Waterwet is geplaatst op de zogenoemde "negatieve lijst" van Bijlage 2 bij de Awb, ligt, gelet op artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, niet de vaststelling van het projectplan, maar alleen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten ter beoordeling aan de Afdeling voor.
Behalve ambtshalve door de Afdeling te beoordelen aspecten beoordeelt de Afdeling, gelet op artikel 10:27 van de Awb en artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet, of wat appellanten hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten het projectplan in strijd met het algemeen belang had moeten vinden. Ook beoordeelt de Afdeling of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat het projectplan geen blijk geeft van een evenwichtige belangenafweging of anderszins in strijd is met het recht.
7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het niet zo dat er geen nadelige gevolgen mogen optreden als gevolg van een projectplan. Ook is niet vereist dat met alle betrokkenen volledige overeenstemming bestaat over de te nemen maatregelen. Voldoende is dat in een projectplan is omschreven welke nadelige gevolgen kunnen optreden, welke voorzieningen worden en kunnen worden getroffen om die nadelige gevolgen ongedaan te maken en welke mogelijkheden er zijn om een financiële vergoeding te krijgen voor schade, die niet kan worden voorkomen (vergelijk de uitspraak van 13 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:45, onder 4 en 5).
8. Verder moet een projectplan het detailniveau bevatten dat nodig is om het werk en de effecten daarvan in beeld te brengen en te beoordelen en om genoeg rechtszekerheid voor belanghebbenden te bieden. Artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet staat er niet aan in de weg dat in een projectplan enige flexibiliteit wordt geboden bij de uitvoering van het werk, bijvoorbeeld om zo gebruik te kunnen maken van de kennis die bij de aannemer, die het werk zal uitvoeren, aanwezig is. De mate van flexibiliteit bij de uitvoering moet in een projectplan toereikend worden omschreven (vergelijk de uitspraak van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1371, onder 7).
Nieuwe stukken in strijd met de goede procesorde
9. Op 30 januari 2026 heeft de gemachtigde van [appellanten sub 2] namens hen nadere stukken ingediend. De Afdeling laat deze stukken buiten beschouwing. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.
9.1. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn nadere argumenten worden aangevoerd en stukken worden ingediend ter motivering van een eerdere beroepsgrond, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde.
9.2. Bij het indienen van nadere stukken is de termijn van artikel 8:58 van de Awb van tien dagen voor de zitting van belang, maar deze termijn is niet bepalend voor de vraag of het overleggen van nadere stukken in strijd is met de goede procesorde. De Afdeling wijst in dit verband op haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:873, onder 6.3 en 6.4.
9.3. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nieuwe argumenten worden aangevoerd en stukken, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, als die argumenten, gegevens of stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd.
9.4. De Afdeling heeft partijen in haar brief van 10 december 2025 erop gewezen dat nadere stukken wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing kunnen worden gelaten, ook als deze voor de genoemde tiendagentermijn zijn ingediend. Dit kan zich voordoen als de nadere stukken zo laat worden ingediend en/of zo complex of omvangrijk zijn dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren, de Afdeling wordt belemmerd in haar voorbereiding van de zitting of de goede voortgang van de procedure daardoor op een andere wijze wordt belemmerd. Met het oog daarop heeft de Afdeling partijen verzocht om nadere stukken uiterlijk op 15 januari 2026 bij de Afdeling in te dienen. De Afdeling stelt vast dat de stukken van [appellanten sub 2] van 30 januari 2026 zo laat zijn ingediend dat de andere partijen zijn belemmerd om daarop adequaat te reageren en de Afdeling is belemmerd in haar voorbereiding van de zitting. Ook was er voor [appellanten sub 2] geen goede reden om deze stukken zo laat in te brengen. Het gaat namelijk om een door [appellanten sub 2] zelf opgestelde reactie op het verweerschrift van 30 september 2024. Deze reactie kon daarom ruim vóór de door de Afdeling bepaalde datum van 15 januari 2026 worden ingediend. De gemachtigde van [appellanten sub 2] heeft daarover aangevoerd dat de stukken wegens zijn afwezigheid en vanwege een interne afspraak tussen [appellanten sub 2] en hun vorige gemachtigde niettemin zijn ingediend. De Afdeling ziet hierin geen reden om de stukken wel mee te nemen. De Afdeling laat daarom deze stukken vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.
Beroepsgronden over de "eigentijdse vestingmuur"
10. [appellanten sub 2], SBSR en [appellant sub 4] en anderen hebben allen beroepsgronden aangevoerd over de "eigentijdse vestingmuur", die is voorzien aan de kade van Ravenstein. In de stukken is deze muur ook wel aangeduid als "keermuur" of "kademuur". Deze muur is historiserend, wat in dit geval betekent dat beoogd is de muur een uitstraling te geven van een historische vestingmuur. Maar de muur wordt nieuw gebouwd en is op de beoogde locatie in het verleden ook nooit aanwezig geweest.
11. [appellanten sub 2] wonen aan de Maasdijk 40 in Ravenstein. Zij vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van het realiseren van de vestingmuur. Zij stellen dat het uitzicht vanuit hun woning wordt aangetast, het groene landschap wordt verstoord en zij vinden dat de bestaande rondelen beter tot hun recht komen zonder vestingmuur. Ook betogen zij dat er vanuit waterveiligheid geen noodzaak is tot het realiseren van de vestingmuur, omdat de muur moet worden bevestigd aan een damwand. En volgens [appellanten sub 2] en SBSR is deze damwand niet noodzakelijk, omdat bij nader inzien is gebleken dat er ter plaatse geen risico op piping is. Over een toekomstige reconstructie van de strang stellen [appellanten sub 2] en SBSR dat die niet op de oorspronkelijke locatie kan worden gerealiseerd. Volgens [appellanten sub 2] en SBSR zou moeten worden gekozen voor een ophoging met grond van de bestaande dijk, omdat hiermee ook de vereiste waterveiligheid bereikt kan worden. Ook is dit goedkoper en vanuit cultuurhistorisch perspectief passender. [appellanten sub 2] voeren verder aan dat de muur als "toeristische trekpleister" verkeersaantrekkende werking zal hebben en dat hier ten onrechte geen onderzoek naar is gedaan.
SBSR betoogt dat de muur een aantasting vormt van het rijksbeschermde stadsgezicht van Ravenstein, omdat de muur inbreuk maakt op het aangezicht van de vestingstad. Zij voert aan dat vanuit historisch perspectief de muur niet passend is op deze locatie, omdat er in het verleden geen vestingmuur heeft bestaan. Zij wijst op het preadvies van 1 februari 2024, dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) mede naar aanleiding van de zienswijzen op verzoek van het college van burgmeester en wethouders heeft uitgebracht. Ook uit dit advies volgt volgens SBSR dat zowel wat locatie als functie betreft de voorziene muur geen relatie heeft met de historische vesting. Daarnaast doet de muur afbreuk aan de rondelen. Ook is de voorziene muur volgens SBSR in strijd met het bestemmingsplan "Beschermd stadsgezicht Ravenstein-2013". Dit is zo, omdat er gelet op artikel 22.2.1 van de planregels een vergunningsplicht geldt voor grondwerkzaamheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.
Ook [appellant sub 4] en anderen wonen in het vestingstadje. Zij betogen dat de voorziene muur een ongewenste ontwikkeling is, die niet past bij de oorspronkelijke, historische vestingstructuur van Ravenstein.
[appellanten sub 2], SBSR en [appellant sub 4] en anderen vinden tot slot dat er onvoldoende is meegewogen dat er monumentale lindebomen gekapt zullen moeten worden voor het realiseren van de muur. Deze bomen maken deel uit van een aaneengesloten laanbeplanting.
11.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het goedkeuringsbesluit, voor zover door SBSR en [appellant sub 4] en anderen tegen dit besluit beroep is ingesteld. [appellant sub 4] en anderen wonen niet aan de Maasdijk en worden volgens het college door de voorziene muur niet rechtstreeks in hun belangen getroffen. Over SBSR voert het college aan dat zij als belangenorganisatie geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht die invulling geven aan één of meer van de algemene belangen die zij volgens haar statuten behartigt.
11.2. Ter hoogte van de Maasdijk in de oude vestingstad Ravenstein is in het projectplan gekozen voor damwanden, ook wel aangeduid als stabiliteitsschermen, voor de kerende hoogte en stabiliteit van de waterkering. Het projectplan voorziet in een constructie waarin deze waterkerende damwanden worden gecombineerd met een muur, die de uitstraling moet krijgen van een "eigentijdse vestingmuur". Er is beoogd om deze muur aan te laten sluiten bij het karakter van de vesting en op de bestaande rondelen, het bokrondeel en het kasteelrondeel, die zich aan de Maasdijk bevinden en eind jaren 1990 zijn teruggevonden en gerestaureerd.
11.3. Ten aanzien van de noodzaak heeft het college toegelicht dat er, zoals appellanten terecht stellen, eerst het inzicht voor dit deel van de kering was dat er ook een pipingvraagstuk aanwezig was. Piping betekent het onder de dijk doorstromen van water, vanuit de rivier naar het achter de dijk gelegen land. Wanneer daarbij zand uit het dijklichaam wordt meegenomen, kan de dijk instabiel worden of in elkaar zakken. Dit zou in dit geval alleen op te lossen zijn met een damwand met een diepte tot ongeveer 1 meter -NAP. Maar uit aanvullend bodemonderzoek is gebleken dat grote hoeveelheden klei in het voorland aanwezig zijn, zodat het risico op piping in de huidige situatie op deze locatie te verwaarlozen is. Dit betekent dat er vanuit hoogwaterveiligheid ter hoogte van de oude stad van Ravenstein een damwand op dit moment dus niet strikt noodzakelijk is.
Maar de constructie van de damwand heeft om een aantal redenen de voorkeur gekregen, zo heeft het college toegelicht. De gekozen variant van de damwand met muur heeft als voordeel ten opzichte van een gronddijk, zoals door appellanten is voorgesteld, dat de rondelen niet deels ingepakt hoeven te worden in grond en als gevolg daarvan minder zichtbaar zouden zijn. Het realiseren van een gronddijk zou daarentegen met zich brengen dat de rondelen onder een grondlichaam bedekt raken.
Daarnaast zijn er plannen om in de toekomst een historische strang te reconstrueren die tot ongeveer 1950 langs het vestingstadje liep. Voor een gronddijk zou veel meer ruimte nodig zijn, waardoor de strang niet op de oorspronkelijke locatie kan worden gerealiseerd. Het realiseren van een gronddijk heeft namelijk verdere vernauwing van de rivier tot gevolg en maakt het lastig om in de toekomst de strang op zijn oorspronkelijke plek te reconstrueren. Dit is volgens het college wel mogelijk met de keuze voor een damwand in combinatie met een muur.
Verder heeft het college toegelicht dat de passage van de Maas ter hoogte van Ravenstein als een hydraulische flessenhals is te typeren. Dit is zo, omdat de afstand tussen de Gelderse en Brabantse dijk hier maar een kleine 400 meter is. Het in de toekomst verruimen van de flessenhals is eenvoudiger wanneer er een damwand met muur wordt gerealiseerd in plaats van een gronddijk. Dit is het geval, omdat met het toepassen van een damwandconstructie de terp met mengvoederfabriek De Heus kan worden verwijderd, zonder dat dit de hoogwaterveiligheid van de dijk aantast. Een damwand in combinatie met een kademuur heeft ook als voordeel dat er zo min mogelijk buitenwaarts wordt uitgebreid en daarmee zo min mogelijk ruimte van het rivierbed wordt afgenomen. Als in de toekomst de terp zou worden verwijderd, dan ontstaat er wel weer een risico op piping, omdat de kleilaag dan dunner wordt en het water gemakkelijker een weg kan vinden naar de dijk.
11.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college van gedeputeerde staten de noodzaak van de vestingmuur voldoende onderbouwd. Het college heeft ook voldoende toegelicht waarom er niet is gekozen voor het alternatief van een gronddijk, zoals door appellanten is aangedragen. De in het projectplan gemaakte keuze is daarmee voldoende inzichtelijk en niet onbegrijpelijk. Gelet hierop heeft het college in wat [appellanten sub 2], SBSR en [appellant sub 4] en anderen over de noodzaak en het alternatief van een gronddijk aanvoeren, terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden.
De betogen slagen niet.
11.5. Ten aanzien van het uitzicht vanuit de woning van [appellanten sub 2] overweegt de Afdeling dat een blijvend recht op vrij uitzicht niet bestaat, zoals bijvoorbeeld eerder is overwogen in de uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:241, onder 6.5. Bovendien heeft de plaatsing van de vestingmuur en de damwand nauwelijks invloed op het uitzicht vanuit hun woning. De vestingmuur is vooral zichtbaar vanuit de rivierkant met de uiterwaarden en is alleen zeer beperkt zichtbaar vanaf de kade. Wat [appellanten sub 2] aanvoeren over aantasting van het uitzicht en het groene landschap, maakt niet dat de beschrijving in het projectplan van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, onvolledig of onjuist zijn. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het projectplan niet voldoet aan artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet. Mede in aanmerking genomen de hiervoor omschreven noodzaak van de damwand is niet gebleken dat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat zo groot zijn, dat na een afweging van de betrokken belangen, het algemeen bestuur niet tot vaststelling van het projectplan heeft kunnen overgaan. Gelet hierop heeft het college in het door [appellanten sub 2] gestelde terecht geen reden gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden.
Het betoog slaagt niet.
11.6. Voor zover [appellanten sub 2], SBSR en [appellant sub 4] en anderen aanvoeren dat het belang van de bomen onvoldoende is meegewogen, overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft toegelicht dat het kappen van de bomen noodzakelijk is voor het realiseren van de damwand en dat voor een aantal bomen geldt dat ze via hun wortelstelsel ook de fundamenten van de rondelen aantasten. Er is een afweging gemaakt tussen ecologische en cultuurhistorische waarden, waarbij het behoud van de rondelen en het realiseren van de muur zwaarder is gewogen dan het belang om in het geheel geen bomen te verwijderen. Verder is toegezegd dat bloeiende heesters en hagen worden toegevoegd. De Afdeling acht de gemaakte belangenafweging niet onredelijk en is van oordeel dat het belang van de bomen voldoende in het projectplan is betrokken. Hierbij wordt ook in aanmerking genomen dat volgens het projectplan alleen een beperkt aantal bomen verwijderd hoeft worden. Daarnaast is ook door het college aangegeven dat zij zo min mogelijk bomen wil kappen en zoveel mogelijk de lintstructuur wenst te behouden. Daarom is de muur op ongeveer acht meter van de rijbaan voorzien. Dat is volgens het college ver genoeg om de meeste bomen te ontzien en dichtbij genoeg om de rondelen voldoende zichtbaar te houden.
De conclusie is dat de Afdeling geen reden ziet voor het oordeel dat het belang van de bomen onvoldoende bij het projectplan is betrokken. Het college heeft in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden.
De betogen slagen niet.
11.7. Over het betoog van SBSR dat de muur in strijd is met artikel 22.2.1 van de regels van het bestemmingsplan "Beschermd stadsgezicht Ravenstein-2013", overweegt de Afdeling als volgt. Dit bestemmingsplan maakt sinds 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Oss. Op grond van artikel 22.2.1 van de planregels is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit grondwerkzaamheden te verrichten en oppervlakteverhardingen aan te brengen. Het college betwist niet dat in zoverre een vergunningplicht bestaat. Maar het college heeft toegelicht dat de benodigde omgevingsvergunning geen deel uitmaakt van de gecoördineerde besluitvorming, maar dat deze in een later stadium wordt aangevraagd.
Er is op dit moment nog geen aanvraag ingediend voor het verrichten van grondwerkzaamheden en/of het aanbrengen van oppervlakteverhardingen ter plaatse. Mede naar aanleiding van zienswijzen is er door het college van burgemeester en wethouders in afwachting van een aanvraag voor een omgevingsvergunning wel een preadvies gevraagd aan de RCE. De RCE is in zijn preadvies vooralsnog positief over de plannen, maar stelt ook dat een definitief oordeel pas gegeven kan worden nadat een definitieve omgevingsvergunningsaanvraag is ingediend. Het college heeft toegelicht dat met de door de RCE gemaakte opmerkingen rekening zal worden gehouden bij de nadere uitwerking in het kader van het indienen van een aanvraag en heeft vervolgens, ook gelet op het positieve preadvies van de RCE, geen aanleiding gezien goedkeuring aan het projectplan te onthouden.
De Afdeling kan deze toelichting volgen en overweegt dat de beantwoording van de vraag of er onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht uiteindelijk pas aan de orde komt in de toekomstige vergunningprocedure. In dat kader wijst de Afdeling erop dat, als er een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.2.1 van de planregels wordt aangevraagd, deze omgevingsvergunning op grond van artikel 22.2.3 van de planregels alleen mag worden verleend, als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan kortgezegd de cultuurhistorische waarden van het beschermde stadsgezicht.
Het betoog dat de muur in strijd is met artikel 22.2.1 van de regels van het bestemmingsplan "Beschermd stadsgezicht Ravenstein-2013", kan dus niet leiden tot het oordeel dat de in deze zaak voorliggende besluiten onrechtmatig zijn.
De betogen slagen niet.
11.8. [appellanten sub 2] voeren aan dat de muur verkeersaantrekkende werking heeft, omdat het een toeristische attractie wordt. Deze stelling is verder niet onderbouwd. Hierin ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college goedkeuring aan het projectplan had moeten onthouden.
Het betoog slaagt niet.
11.9. Omdat de hiervoor besproken betogen niet slagen, kan het verweer van het college dat het betoog van SBSR en [appellant sub 4] en anderen afstuit op het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste, onbesproken blijven.
Het beroep van [appellant sub 5]
12. [appellant sub 5] woont aan de [locatie 1] in Macharen. [appellant sub 5] is het niet eens met de aanleg van een gecombineerd wandel- en fietspad in Macharen op de tuimeldijk in dijksecties 6 en 7, ongeveer tussen dijkpalen A528 en A535. Hij stelt dat de huidige situatie, bestaande uit een gescheiden wandelpad waarbij fietsers gebruikmaken van de rijbaan, behouden zou moeten blijven. Hij vreest voor de verkeersveiligheid als het wandel- en fietsverkeer gecombineerd wordt.
12.1. Het college heeft toegelicht dat er op de door [appellant sub 5] bedoelde locatie een onverhard struinpad voor wandelaars zal worden aangelegd naast het voorziene fietswandelpad. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om te wandelen zonder door fietsers gestoord te worden en is in zoverre dus tegemoetgekomen aan de wens van [appellant sub 5]. Ook heeft het college op de zitting toegelicht dat het gecombineerde fietswandelpad een breedte krijgt van 2,5 m en dat het voor fietsers veiliger is om van dit pad gebruik te maken in plaats van de rijbaan, zoals ook is vermeld in het projectplan.
12.2. Volgens de ruimtelijke inrichtingskaart in bijlage 3b bij het projectplan is op de dijk langs Macharen voorzien in een wandel-/fietsknooppuntroute. Gelet op de toelichting van het college en omdat [appellant sub 5] zijn stelling dat de situatie verkeersonveilig wordt, niet nader heeft onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college hierin reden had moeten zien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden.
Het betoog slaagt niet.
13. [appellant sub 5] stelt ook dat het hondenlosloopterrein langs het Burgemeester Deelenkanaal behouden en toegankelijk moet blijven. Hierbij gaat het om het hondenlosloopterrein langs de kanaaloever tussen dijkpalen A534 en A529. Dit terrein is volgens het projectplan bedoeld voor tijdelijk ruimtebeslag en constructiezone.
13.1. Het hondenlosloopterrein krijgt als gevolg van de in deze procedure aan de orde zijnde besluiten geen andere bestemming en blijft ook feitelijk gehandhaafd. Het college heeft toegelicht dat het terrein alleen gedurende de uitvoeringswerkzaamheden tijdelijk niet beschikbaar of bereikbaar is.
13.2. Volgens de bij het projectplan behorende kaart met het dijkontwerp voor het dijkvak bij Macharen zal de locatie van het hondenlosloopterrein gebruikt worden voor tijdelijk ruimtebeslag. Gelet op de belangen die zijn gemoeid met de versterking van de dijk, heeft het tijdelijk gebruiken van het hondenlosloopterrein voor uitvoeringswerkzaamheden het college geen aanleiding hoeven geven om goedkeuring aan het projectplan te onthouden.
Het betoog slaagt niet.
14. [appellant sub 5] voert ook aan dat er een verschil zit tussen de lijst van bomen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, en de weergave van te kappen bomen volgens de projectplankaarten van dijksectie 7A en 7B tussen dijkpalen A534 en A535 en op de kaart van dijksectie 6 bij dijkpaal A530. Hij stelt dat er geen gezonde bomen gekapt mogen worden zonder noodzaak.
14.1. In het begeleid schrijven bij de aanvraag voor de in deze procedure aan de orde zijnde omgevingsvergunning is vermeld dat er wat betreft dijksectie 6 - Macharen geen relevante ingrepen zijn in relatie tot bomen. Over dijksectie 7 - Ossekamp staat er dat deze dijksectie niet van toepassing is op deze aanvraag. Ook uit de omgevingsvergunning zelf en de bijbehorende stukken volgt dat deze niet ziet op de bomen waarvan in het projectplan is aangegeven dat ze in deze dijksecties verwijderd worden. Op de zitting heeft het college van burgemeester en wethouders en het college van gedeputeerde staten toegelicht dat er meerdere aanvragen voor het kappen van bomen zijn ingediend ten behoeve van de uitvoering van het projectplan. De in deze procedure aan de orde zijnde omgevingsvergunning van 30 april 2024 ziet niet op de door [appellant sub 5] genoemde bomen.
Omdat de bomen waar [appellant sub 5] beroepsgronden over aanvoert, niet in de in deze procedure aan de orde zijnde kapvergunning zitten, kan het betoog van [appellant sub 5] in zoverre niet slagen. Zijn stelling dat in het projectplan de kap van nog meer bomen staat beschreven, terwijl de noodzaak van die kap volgens hem ontbreekt, heeft [appellant sub 5] verder niet onderbouwd. In die stelling ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college van GS geen goedkeuring aan het projectplan mocht verlenen.
Het betoog slaagt niet.
14.2. Het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders en de raad stellen dat het relativiteitsvereiste zich verzet tegen een inhoudelijke beoordeling van de door [appellant sub 5] aangevoerde beroepsgronden. De Afdeling komt niet toe aan beantwoording van de vraag of relativiteit zich hiertegen verzet, omdat de beroepsgronden van [appellant sub 5] niet slagen.
15. Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 1C]
16. [appellant sub 1C] woont aan de [locatie 2] in Lithoijen. Hij is exploitant van de daar gevestigde jachthaven. Hij betoogt dat het projectplan onvoldoende duidelijk is en dat het projectplan niet zorgvuldig is voorbereid. Dit is volgens hem zo, omdat de concrete uitvoering van werkzaamheden niet duidelijk is en er is gekozen voor teveel flexibiliteit. Hij vraagt zich af of het projectplan voldoende grondslag kan bieden voor het nog te maken uitvoeringsontwerp. In het projectplan is onvoldoende gemotiveerd hoe tot de daarin opgenomen dwarsprofielen en bovenaanzichten is gekomen. Hij stelt dat er een verschil zit tussen de afbeelding dwarsprofiel A617 en de grondverwervingstekening en tussen dwarsprofiel A617 en de afbeelding Deelgebied Lithoijen - deel 3. Daardoor is volgens hem niet duidelijk waarom de marges die zijn aangegeven voor uitvoering van de werkzaamheden, zo ruim zijn bepaald.
16.1. Het perceel van [appellant sub 1C] ligt bij dijkvak 9b_7. In het projectplan staat dat in dijkvak 9b_7 aan de binnenzijde een heavescherm is voorzien. Voor de inpassing van het buitentalud bij de haven is een langsconstructie in het buitentalud voorzien. In paragraaf 4.3.9 van het projectplan is de ontwerpkeuze voor dijksectie 9 uiteengezet. In bijlage 4 van het projectplan, in de zogenaamde factsheets redeneerlijn, is een gedetailleerde onderbouwing voor dijkvak 9b_7 gegeven. Uit het door [appellant sub 1C] aangevoerde is niet gebleken dat sprake is van relevante verschillen tussen de door hem genoemde afbeeldingen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat duidelijk is wat de grondslag is voor de verdere concrete uitvoering.
Het betoog slaagt niet.
17. [appellant sub 1C] betoogt dat de gevolgen voor de waterhuishouding en de fundering van zijn woning aan de [locatie 2] in Lithoijen niet voldoende zijn onderzocht. Hij maakt zich zorgen over de gevolgen van de uit te voeren werkzaamheden voor de waterhuishouding en de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel en hij vreest voor schade.
17.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4657, onder 14.3, is de methode die uiteindelijk wordt ingezet voor de plaatsing van een damwand, een uitvoeringsaspect. Anders dan [appellant sub 1C] veronderstelt, hoeft die methode niet in het projectplan te worden vastgelegd. Dat neemt niet weg dat de keuze voor een uitvoeringsmethode of werkwijze invloed heeft op het risico voor schade door trillingen en het algemeen bestuur dit risico bij de belangenafweging moet betrekken.
17.2. In het projectplan is in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 8 beschreven hoe de ontwerpen tot stand zijn gekomen en wat de gevolgen zijn, ook wat betreft geohydrologische aspecten. Volgens het college is er op grond daarvan geen reden om aan te nemen dat er bij de percelen van [appellant sub 1C] schade zal ontstaan. Er wordt een damwand in de kruin van de dijk geplaatst. Dat heeft volgens het college geen effecten aangezien dit de parabolische afwatering in de dijk niet beïnvloedt. In de nota van antwoord staat verder dat de betreffende woning zich binnen de 50-meterzone bevindt en daarom een nulmeting krijgt. Nulmetingen, het monitoren van trillen en het vergoeden van uitvoeringsschade/nadeelcompensatie is ook besproken onder 2.1 van de nota van antwoord. Hier staat dat er nulmetingen zijn uitgevoerd voorafgaand aan de werkzaamheden. Dit geldt voor woningen die binnen een afstand van 50 meter van de dijk liggen. Kort voor de start van de werkzaamheden wordt nabij alle woningen en opstallen een nulopname uitgevoerd, die als vertrekpunt geldt voor de werkzaamheden. Op basis van de actuele bouwkundige staat van de woning, het soort werkzaamheden dat uitgevoerd gaat worden en de geotechnische gegevens van de ondergrond kan het zijn dat er ook trillingsmetingen voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden worden uitgevoerd.
Uit het voorgaande volgt dat het algemeen bestuur de kans op schade door trillingen bij omliggende woningen in de belangenafweging heeft betrokken. Ook is in het projectplan aangegeven wat wordt gedaan om omliggende woningen te monitoren en schade zoveel mogelijk te voorkomen en als die schade toch wordt veroorzaakt, die te beperken. Wat [appellant sub 1C] aanvoert, leidt niet tot het oordeel dat daaraan onvoldoende gewicht is toegekend of dat het projectplan anderszins in strijd is met het recht. Het college heeft in zoverre terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden.
Het betoog slaagt niet.
18. Het beroep van [appellant sub 1C] is ongegrond.
Beroepsgronden tegen de omgevingsvergunning kappen van bomen
19. Bij besluit van 30 april 2024 heeft het college aan het waterschap een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van bomen in het kader van het project Meanderende Maas.
20. [appellanten sub 2] betogen dat het onduidelijk is of met de gecoördineerde besluitvorming een omgevingsvergunning voor de kap van de lindes aan de Maasdijk is verleend. Kap van deze lindes is onnodig, zo voeren [appellanten sub 2] aan.
Ook de SBSR verzet zich tegen de kap van de ongeveer acht lindebomen, die deel uitmaken van een aaneengesloten laanbeplanting. SBSR voert aan dat de omgevingsvergunning niet ziet op het kappen van deze bomen in de laanbeplanting in dijkvak 1_3 in Ravenstein, terwijl deze bomen wel in het projectplan zijn ingetekend. Volgens SBSR wordt dus in het projectplan ten onrechte gesteld dat zowel de bomenkap als eventuele compensatie is geregeld via de mee te coördineren omgevingsvergunning voor het kappen van bomen. De omgevingsvergunning kappen is volgens haar daarom onvolledig.
20.1. Het college heeft toegelicht dat waar bomen worden gekapt, dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het projectplan. Omdat niet alle bomen in het projectplangebied gelijktijdig worden gekapt, worden elk jaar voor de dan te kappen bomen kapvergunningen aangevraagd. Er wordt per individuele boom een afweging gemaakt over de vraag of kappen noodzakelijk is. De in deze procedure aan de orde zijnde omgevingsvergunning ziet niet op de bomen die appellanten noemen. Dit volgt ook uit het begeleidend schrijven bij de aanvraag, waarin staat dat dijksectie 1-Ravenstein niet van toepassing is op deze aanvraag.
20.2. Omdat de omgevingsvergunning die in deze procedure ter beoordeling voorligt, niet ziet op de door appellanten genoemde bomen, kunnen de beroepsgronden daarover al daarom niet raken aan de rechtmatigheid van deze omgevingsvergunning. Voor zover zij betogen dat het belang van de bomen onvoldoende in het projectplan is meegewogen, is de Afdeling daarop ingegaan bij de bespreking van de beroepsgronden over de vestingmuur.
De betogen slagen niet.
Het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige
21. [appellanten sub 2] betogen dat de werkzaamheden tijdens de bouw over lange tijd overlast zullen geven. Er zijn ook risico’s voor het rijksmonumentale pand waarin zij wonen. Zij stellen dat het grondwerk en het slaan van de damwand risico’s meebrengt voor de stabiliteit van hun woning.
21.1. Uit het projectplan volgt dat de gevolgen van de werkzaamheden voor omwonenden zijn onderkend. In het projectplan is aangegeven wat wordt gedaan om woningen te monitoren en schade zoveel mogelijk te voorkomen en als het toch voorkomt, te beperken. In paragraaf 12.7 van het projectplan is beschreven hoe zal worden omgegaan met financieel nadeel. Bij schade als gevolg van het projectplan, kan een verzoek om schadevergoeding worden ingediend. Zo’n verzoek wordt overeenkomstig de Verordening schadevergoeding waterschap Aa en Maas 2015 afgehandeld. Hiermee is inzichtelijk gemaakt welke mogelijkheden er zijn voor vergoeding van schade. Ook op dit punt is voldaan aan de eisen van artikel 5.4, tweede lid, van de Waterwet.
Wat [appellanten sub 2] over overlast en schade aanvoeren, leidt gelet op het voorgaande niet tot het oordeel dat het college goedkeuring aan het projectplan had moeten onthouden.
Het betoog slaagt niet.
22. Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 4] en anderen voor het overige
23. [appellant sub 4] en anderen voeren aan dat het preadvies van RCE ten onrechte pas op 1 februari 2024 is opgesteld, dus na de zienswijzeprocedure en ten onrechte niet bij de ontwerpbesluiten ter inzage is gelegd. Ook is de ruimtelijke onderbouwing van 9 februari 2024 ten onrechte pas na de zienswijzeprocedure opgesteld en niet bij de ontwerpbesluiten ter inzage gelegd.
23.1. Het ontwerpplan en de ontwerpbesluiten hebben van 17 augustus 2023 tot en met 27 september 2023 ter inzage gelegen. Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. De plicht als opgenomen in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb heeft alleen betrekking op al bestaande stukken.
Mede naar aanleiding van de zienswijzen van appellanten over de muur is de RCE verzocht om het preadvies uit te brengen. Ten tijde van de terinzagelegging van de ontwerpen bestond dit stuk dus nog niet. Dit betekent dat er in zoverre geen strijd is met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.
De ruimtelijke onderbouwing van 9 februari 2024 bij het besluit van 8 april 2024 is een gewijzigde versie van de ruimtelijke onderbouwing van 19 juli 2023, die van 17 augustus 2023 tot en met 27 september 2023 ter inzage heeft gelegen. Omdat de ruimtelijke onderbouwing van 9 februari 2024 niet bestond ten tijde van de terinzagelegging van de ontwerpbesluiten is er ook in zoverre geen sprake van strijd met artikel 3:11 van de Awb.
De betogen slagen niet.
24. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen is ongegrond.
Beroepsgronden tegen de ontheffing
25. Bij besluit van 2 mei 2024 heeft de minister aan waterschap Aa en Maas voor de periode van 1 juli 2024 tot en met 1 juli 2029 ontheffing van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1, tweede en vierde lid, van de Wnb verleend voor het opzettelijk verstoren, vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten van de ransuil en roek en artikel 3.1, tweede lid, voor het vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten van de buizerd, artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb voor het beschadigen of vernielen van rust- of voortplantingsplaatsen van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, de rosse vleermuis en de ruige dwergvleermuis, artikel 3.5, tweede en vierde lid, voor het verstoren en beschadigen, vernielen van rust- en verblijfplaatsen van bever en poelkikker en artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb voor het beschadigen of vernielen van rust- of voortplantingsplaatsen van de das en de modderkruiper.
Bij besluit van 29 oktober 2025 heeft de staatssecretaris het besluit van 2 mei 2024 gewijzigd. De wijziging heeft betrekking op een ontheffing op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb, voor zover dit betreft het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das in de Diedensche Uiterdijk voor de periode van 3 november 2025 tot en met 31 december 2029.
Bij besluit van 23 december 2025 heeft de staatssecretaris het besluit van 29 oktober 2025 gewijzigd. Deze wijziging ziet op het aanvullend opnemen van maatregelen voor het aantasten van een vliegroute in het deelgebied Diedensche Uiterdijk deel C met het oog op de gewone dwergvleermuis. Dit is een aanvulling op eerdere ontheffingverlening voor de verbodsbepaling genoemd in artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb voor exemplaren van de gewone dwergvleermuis. Tegen dit besluit zijn geen beroepsgronden aangevoerd, zodat dit besluit buiten verdere bespreking blijft.
26. [appellanten sub 2] betogen dat ten onrechte ontheffing van verbodsbepalingen uit de Wnb is verleend, omdat het belang van de te verwijderen esdoornhaag onvoldoende is meegewogen.
Ook SBSR betoogt dat de ontheffing ten onrechte is verleend, omdat het geplande verwijderen van de esdoornhaag ten koste gaat van de biodiversiteit in het gebied. Dit is volgens haar zo, omdat door het verwijderen van de haag veel vogelsoorten hun leefgebied wordt ontnomen.
26.1. De Afdeling heeft op de zitting met partijen vastgesteld dat de Wnb-ontheffing niet ziet op activiteiten bij de door appellanten genoemde esdoornhaag. Onder verwijzing naar onder meer haar uitspraken van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1401, onder 13.1, en 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1948, onder 12.1, overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris dient te beslissen op de grondslag van de aanvraag zoals die door de aanvrager is ingediend en eventueel aangepast op zijn verzoek. Omdat voor activiteiten nabij de haag, en de zich mogelijk daarin bevindende vogelsoorten, geen ontheffing is aangevraagd en de verleende ontheffingen daar ook niet op zien, kunnen deze door [appellanten sub 2] aangevoerde beroepsgronden niet tot vernietiging van de ter beoordeling voorliggende ontheffingen leiden.
27. Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond. Het beroep van SBSR is in zoverre ongegrond.
28. SBSR heeft de beroepsgronden tegen het besluit van 29 oktober 2025 over ontheffing voor eventueel later nog aan te treffen voortplantings- of rustplaatsen van de das op de zitting ingetrokken.
29. Over het wijzigingsbesluit van 29 oktober 2025 betoogt SBSR dat de cumulatieve ecologische impact onvoldoende is onderzocht, dat er ten onrechte een herzieningsmoment ontbreekt en dat voorschriftwijzigingen onvoldoende onderbouwd zijn.
29.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt:
"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.
29.2. Volgens haar statuten stelt SBSR zich ten doel het (doen) in stand houden van het rijksbeschermd stadsgezicht Ravestein, zoals aangewezen op grond van de Monumentenwet door de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk op 21 januari 1977, en zijn omgeving. Dat doel tracht SBSR onder meer te bereiken door het actief voeren van juridische en niet-juridische procedures wanneer het rijksbeschermd stadsgezicht met zijn omgeving en de daarin gelegen afzonderlijke gemeentelijke en rijksbeschermde monumenten alsmede roerend cultureel erfgoed, met inbegrip van landschappelijke elementen en natuurwaarden, worden aangetast of dreigen te worden aangetast of tenietgedaan.
29.3. De Afdeling stelt vast dat het wijzigingsbesluit betrekking heeft op het deelgebied Diedensche Uiterdijk deel C, dat direct ten oosten van de stad Megen is gelegen. Dat deelgebied ligt op 4 km afstand van het rijksbeschermd stadsgezicht Ravenstein. Tussen Ravenstein en het deelgebied Diedensche Uiterdijk deel C zijn meerdere dorpen gelegen. Mede op basis van het verhandelde op de zitting oordeelt de Afdeling dat dit deelgebied niet tot het gebied behoort, waarvoor de stichting blijkens haar statuten en haar feitelijke werkzaamheden opkomt. De normen uit de Wnb over soortenbescherming strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen waarvoor de stichting blijkens haar statuten en feitelijke werkzaamheden opkomt.
30. Artikel 8:69a van de Awb verzet daarom tegen vernietiging van het wijzigingsbesluit van 29 oktober 2025 op basis van de beroepsgronden die SBSR daartegen heeft aangevoerd.
Conclusie
31. De beroepen zijn ongegrond.
32. Het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en wethouders, de raad en de staatssecretaris hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Janse, griffier.
w.g. Gundelach
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026
855 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|