Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2025:10608 
 
Datum uitspraak:10-12-2025
Datum gepubliceerd:10-04-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:AWB - 24_4461
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Beroep tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen ongegrond.
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/4461

uitspraak van de enkelvoudige kamer

[eiser], uit [plaats 1], eiser
(gemachtigde: mr. Y. Seyran),

en

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: J.M. Marquenie).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] ([naam bedrijf]) uit [plaats 2] (de werkgever)
(gemachtigde: mr. B. Polman).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn
arbeidsongeschiktheidspercentage op 42,83% op zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV heeft eerder op de aanvraag aan eiser een WIA-uitkering toegekend naar 80-100% arbeidsongeschiktheid. Hiertegen heeft de werkgever bezwaar gemaakt en het UWV heeft vervolgens een WIA-uitkering toegekend naar 42,83% arbeidsongeschiktheid. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Het medisch onderzoek door het UWV is voldoende zorgvuldig geweest en de geduide functies zijn geschikt. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per datum in geding terecht vastgesteld op 42,83%. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop
2. Eiser heeft na einde wachttijd een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Het UWV heeft eiser vanaf de datum in geding een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid aanvankelijk is vastgesteld op 80 tot 100%. De werkgever heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 22 mei 2024 op het bezwaar van de werkgever heeft het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage per de datum in geding vastgesteld op 42,83%.


2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het UWV en de gemachtigde van de werkgever.




Beoordeling door de rechtbank


Feiten

3. Eiser heeft gewerkt als magazijnmedewerker voor 40 uur per week. Hij heeft zich op 8 april 2021 arbeidsongeschikt gemeld wegens belemmerende gezondheidsklachten. Na het doorlopen van de wachttijd heeft hij een WIA-uitkering aangevraagd op 23 januari 2023. Dat heeft geleid tot besluitvorming zoals is vermeld onder 2.


3.1.
Omdat eiser geen toestemming heeft gegeven om zijn medische gegevens aan de werkgever te verstrekken, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisneming van medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van werkgever. De rechtbank heeft daarom met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in haar beslissing van 15 augustus 2025 beslist dat alleen mr. B. Polman, gemachtigde van de werkgever, die advocaat is, van de medische stukken kennis mag nemen. De rechtbank zal het betrekken van de medische gegevens in de motivering van haar oordeel wel zoveel als mogelijk beperken, om te voorkomen dat de werkgever alsnog kennisneemt van de medische situatie van de werknemer.


Totstandkoming van het bestreden besluit

4. In het kader van de WIA-beoordeling heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts. Er is dossieronderzoek verricht en er is eenmaal een telefonisch spreekuur geweest op 28 juli 2023 met de sociaal verpleegkundige in taakdelegatie en eenmaal een telefonisch spreekuur op 4 augustus 2023 met de verzekeringsarts. De bevindingen van de (primaire) verzekeringsarts zijn neergelegd in het rapport van 4 augustus 2023. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiser als gevolg van ziekte of gebrek geen benutbare mogelijkheden heeft. Het UWV concludeert dat eiser 80 tot 100% arbeidsongeschikt te achten is. Het UWV nam hierop het primaire besluit van 8 augustus 2023.



4.1.
Op 31 augustus 2023 heeft de werkgever van eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Het UWV heeft deze besluitvorming (mede) gebaseerd op een medisch en arbeidskundig onderzoek. Het medisch onderzoek is neergelegd in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (VA b&b) van 5 april 2024. Het arbeidskundig onderzoek is vastgelegd in het rapport van de arbeidsdeskundige b&b (AD b&b) van 14 mei 2024.


4.2.
De VA b&b heeft dossieronderzoek verricht en eiser gezien tijdens een spreekuur. Hij heeft geconcludeerd dat er medische redenen zijn om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts en heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld met beperkingen ten aanzien van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen statische houdingen en werktijden. Deze is opgesteld op 5 april 2024.



4.3.
De AD b&b heeft geconcludeerd dat eiser ongeschikt is voor het eigen werk en dat hij met zijn beperkingen geschikt is voor de volgende functies: productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en productiemedewerker confectie, kleermaken (SBC-code 272042). In aanvulling hierop zijn de functie(s) productiemedewerker textiel geen kleding (SBC-code 272043) en medewerker tuinbouw (planten bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) geduid. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is vastgesteld op 42,83%.


Wat vindt eiser?

5. Eiser stelt dat onzorgvuldig medisch onderzoek is verricht. Daarvoor voert hij aan dat er bij het medisch onderzoek bij VA b&b geen lichamelijk onderzoek is verricht, terwijl er wel een oordeel moest worden gevormd over de fysieke belastbaarheid van eiser. Verder stelt eiser dat de gevolgen van het gebruik van antidepressiva niet in voldoende mate zijn meegewogen, terwijl dat wel had moeten gebeuren. En dat niet is meegenomen dat eiser moet worden ontzien voor dwingende tempobelasting en tijdsdruk, terwijl dit volgens de arbo-arts in het rapport van 1 december 2022 noodzakelijk is.



5.1.
Eiser stelt voorts dat een verdergaande urenbeperking moet worden aangenomen. Daarvoor voert hij aan dat de aangenomen urenbeperking te licht is gelet op de depressieve stoornis, aanhoudende rugklachten, ernstige vermoeidheid en forse energetische beperkingen, het medicatiegebruik en de forse deconditionering. Verder is er gelet op de klachten van eiser aanleiding om een preventieve urenbeperking op te nemen.



5.2.
Eiser is van mening dat er sprake is van onaanvaardbare overschrijding van zijn belastbaarheid in de geduide functies productiemedewerker industrie, inpakker en productiemedewerker confectie.


Wat vindt het UWV?

6. Het UWV stelt ten eerste dat de rugklachten van eiser pas door hem zijn genoemd tijdens het fysieke spreekuur bij de VA b&b en dat vervolgens in de FML rekening is gehouden met aspecifieke chronische rugklachten. Er zijn beperkingen aangenomen voor frequent buigen tijdens werk, tillen en dragen tijdens werk, staan en gebogen en/of getordeerd actief zijn. Daarnaast is een urenbeperking aangenomen tot acht uur per dag en 32 uur per week. Het UWV is van mening dat de besluitvorming niet onjuist is geweest.



6.1.
Ten aanzien van de tempobelasting en tijdsdruk die de arbo-arts noodzakelijk acht, stelt het UWV dat de Arboarts een ander beoordelingskader heeft dan de verzekeringsarts. Daarnaast heeft het onderzoek van de arbo-arts betrekking op een andere datum dan de datum in geding. Het UWV ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de VA b&b, omdat dit wordt verricht op basis van een eigen beoordeling en onderzoek.




6.2.
Het UWV stelt dat in hetgeen eiser aanvoert tegen de geduide functies, geen reden is om zijn besluitvorming voor onjuist te houden. Zo heeft de AD b&b uitgebreid gerapporteerd over de signaleringen bij de geduide functies en lijkt eisers standpunt gebaseerd te zijn op geclaimde verdergaande beperkingen die niet worden gevolgd door het UWV.


Wat vindt de rechtbank?


Is het medisch onderzoek zorgvuldig?

7. Het standpunt van eiser dat er geen fysiek onderzoek heeft plaatsgevonden
door de VA b&b en dat dit onzorgvuldig zou zijn, kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank stelt vast, zoals hiervoor vermeld onder overweging 4.2. dat de VA b&b tot een ander standpunt komt dan de primaire verzekeringsarts. De rechtbank stelt voorts vast dat de VA b&b eiser wel tijdens een spreekuur heeft gesproken, dossierstudie heeft verricht en informatie uit de bezwaarprocedure heeft bestudeerd en meegenomen. Er is informatie opgevraagd om meer inzicht te krijgen in de belastbaarheid van eiser bij zijn
GZ-psycholoog. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser niet alle informatie heeft verstrekt die hij had willen verstrekken en ook niet dat de situatie van eiser anders was dan aangenomen mocht worden op grond van de beschikbare informatie. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de VA b&b aspecten van de gezondheidstoestand van eiser zou hebben gemist nu hij rekening heeft gehouden met de rugklachten die door eiser naar voren zijn gebracht. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te oordelen dat de VA b&b aanvullend fysiek onderzoek had moeten verrichten. De rechtbank is van oordeel dat de conclusie van het rapport logisch voortvloeit uit de bevindingen van het onderzoek door de VA b&b. De rechtbank ziet geen reden om het onderzoek van het UWV onzorgvuldig te achten. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Moeten meer beperkingen worden aangenomen?



7.1.
Volgens vaste rechtspraak behoort het tot de specifieke taak en deskundigheid van
de verzekeringsarts om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen vast te stellen. Daarbij mag een verzekeringsarts in beginsel varen op zijn eigen medisch oordeel wat betreft de aan te nemen beperkingen. De rechtbank is van oordeel dat beide verzekeringsartsen rekening hebben gehouden met de diagnose depressie en dat de VA b&b op het moment dat de chronisch rugklachten benoemd zijn door eiser, daar ook rekening mee heeft gehouden. In de FML zijn beperkingen op persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden aangenomen.



7.2.
Het standpunt van eiser dat het UWV meer beperkingen had moeten aannemen in
verband met de gevolgen van het gebruik van antidepressiva kan de rechtbank niet volgen. De VA b&b heeft de gevolgen van het medicatiegebruik wel meegewogen en eiser beperkt geacht ten aanzien van werken in gevaarlijke situaties en beroepsmatig chauffeuren. Dat er verdergaande beperkingen zouden moeten worden aangenomen, wordt niet onderbouwd met (medische) stukken. Ten aanzien van het standpunt dat er zwaardere antidepressiva werden gebruikt in de loop van tijd is niet gebleken dat dit de periode van de datum in geding betrof.




7.3.
Ten aanzien van het standpunt dat er beperkingen zijn genoemd in het rapport van
1 december 2022 van de arbo-arts die ten onrechte niet zijn meegenomen, overweegt de rechtbank als volgt. De beoordeling door de arbo-arts en de arbeidsongeschiktheids-beoordeling in kader van de Wet WIA, hebben verschillende toetsingskaders. De rechtbank is van oordeel dat het UWV in zijn beoordeling is uitgegaan van het juiste toetsingskader en dat de verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen medisch oordeel bij het aannemen van beperkingen.


Moet de urenbeperking worden uitgebreid?



7.4.
Eiser stelt dat een verdergaande urenbeperking moet worden aangenomen op energetische grond. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende rekening is gehouden met de energetische beperkingen van eiser in de aangenomen urenbeperking van maximaal acht uur per dag en 32 uur per week. De rechtbank overweegt daarbij dat de VA b&b rekening heeft gehouden met de psychische klachten in combinatie met deconditionering. De VA b&b stelt in zijn rapport dat er sprake is van een toegenomen recuperatietijd en die kan worden vormgegeven door vijf dagen maximaal zes uur per dag te werken of vier hele dagen werken met één dag recuperatie. De VA b&b overweegt dat beide mogelijkheden voldoende ruimte voor recuperatie bieden en acht eiser geschikt om maximaal acht uur per dag en 32 uur per week te werken. Nu eiser niet met medische stukken heeft onderbouwd dat sprake is van meer verminderde mogelijkheden tot recuperatie ziet de rechtbank geen aanleiding aan deze conclusie te twijfelen. Eiser stelt voorts dat er een verdergaande urenbeperking in de vorm van een preventieve urenbeperking dient te worden aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om eiser hierin te volgen. Eiser heeft namelijk niet met medische stukken onderbouwd dat er sprake is van het optreden van of verergeren van ziekteverschijnselen bij eiser bij een arbeidsduur langer dan vijf dagen maximaal zes uur per dag of vier hele dagen werken met een dag recuperatie, zoals de VA b&b geschikt heeft geacht.



7.5.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de beperkingen voldoende zijn
vastgesteld in de FML en dat eiser in staat moet worden geacht om werkzaamheden te verrichten die voldoen aan die belastbaarheid. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.


Zijn de geduide functies passend?



7.6.
De rechtbank toetst, gelet op dit standpunt van eiser, of de door de AD b&b geduide functies passend zijn voor eiser. Uitgaande van de juistheid van de FML van 5 april 2024 is de rechtbank niet gebleken dat eiser de werkzaamheden, die horen bij de door de AD b&b in het rapport van 13 mei 2024 geduide functies, niet zou kunnen verrichten. De AD b&b heeft met dit rapport, het resultaat functiebeoordeling en de daarop gegeven toelichting voldoende inzichtelijk gemaakt dat en op grond waarvan de geduide functies passend zijn. Per geduide functie is bij de signaleringen en mogelijke overschrijdingen toegelicht, waarom de medische belastbaarheid van eiser in die functie niet wordt overschreden. Het UWV heeft deze functies daarom aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag kunnen leggen. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat de functies een overschrijding van de urenbeperking opleveren overweegt de rechtbank dat elk van de geduide functies een omvang kennen van minder dan maximaal acht uur per dag en 32 uur per week. De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Het UWV heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage
van eiser per 6 april 2023 met juistheid vastgesteld op 42,83%. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


WGA: Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.


[persoon A]


[persoon B]


[persoon C]


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2315 en van de CRvB van 9 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8290.
Link naar deze uitspraak