Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:1989 
 
Datum uitspraak:31-03-2026
Datum gepubliceerd:16-04-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:25/564
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor het omzetten van een nertsenhouderij naar schapenhouderij.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
geurhinder
intensieve veehouderij
landbouw
omgevingsvergunning
perceel
stallen
veehouderij
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/564
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen



[eisers]
, uit [woonplaats], eisers
(gemachtigde: ir. [naam]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk,
het college
(gemachtigde: mr. S. Keywani).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning beperkte milieutoets (obm) van 14 november 2023. Eisers zijn het niet eens met de verlening van de vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning beperkte milieutoets mocht verlenen. Desondanks is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 13 september 2024 een aanvraag ingediend voor een obm, die moet voorzien in het houden van 1780 schapen ouder dan 1 jaar, inclusief lammeren tot 45 kg., op een agrarisch bedrijf aan de [adres] en [adres] in [vestigingsplaats].

3. Het college heeft de obm op 14 november 2023 verleend. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

4. Met het bestreden besluit van 14 januari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij deze beslissing gebleven.

5. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

6. De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en diens gemachtigde, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghoudster.




Beoordeling door de rechtbank


Wettelijk kader



Overgangsrecht

7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag voor een omgevingsvergunning is vóór 1 januari 2024 ingediend. Daarom is op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: 'Ow') het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2024.


Bestemmingsplan


8. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010, Herziening 2016" (hierna: 'het bestemmingsplan') geldt voor het perceel de enkelbestemming "Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden", met de functieaanduidingen 'intensieve veehouderij' en 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij'.


8.1.
In de aanvraag worden de bouwwerken onderscheiden van elkaar met nummers. De rechtbank houdt deze nummering in deze uitspraak aan. De stal wordt aangeduid als gebouw 3 en de opslag/verwerkingsruimte als gebouw 5.


Beroepsgronden



Onlosmakelijke samenhang


9. Eisers stellen zich allereerst op het standpunt dat het college niet op de aanvraag had mogen beslissen, maar vergunninghoudster in de gelegenheid had moeten stellen om de aanvraag aan te vullen. Volgens eisers is namelijk sprake van onlosmakelijke samenhang van de aangevraagde obm met de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo.
Er is volgens eisers allereerst sprake van strijd met het bestemmingsplan, omdat blijkens de aanvraag in gebouw 5 een verwerkingsruimte voor melk en een verkooppunt van verwerkt product, zoals kaas en kwark, wordt gerealiseerd. Dit is een vorm van verbrede landbouw die op grond van artikel 5.4.1, onder b, van de planregels van het bestemmingsplan als strijdig gebruik wordt aangemerkt.
Bovendien wordt volgens de aanvraag gebouw 3, waarin de afgelopen jaren geen dieren zijn gehouden, in gebruik genomen ten behoeve van veehouderij, te weten schapenhouderij. Op grond van artikel 5.4.1, onder f, van de planregels wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan: het in gebruik nemen van gebouwen die niet in gebruik zijn voor de
uitoefening van een veehouderij, voor de uitoefening van een veehouderij. Hiermee is het in gebruik nemen van gebouw 3 voor het houden van schapen in strijd.


9.1
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uitsluitend een omgevingsvergunning voor het houden van schapen, inclusief lammeren, is verleend en daarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Er is geen vergunning verleend voor een verwerkingsruimte voor melk en een verkooppunt. De door eisers genoemde activiteiten zijn fysiek te onderscheiden van het houden van schapen. Van een in artikel 5.4.1, onder b, van de planregels bedoeld strijdig gebruik en van onlosmakelijkheid is dan ook geen sprake.
Evenmin is volgens het college sprake van strijdigheid met artikel 5.4.1, onder f, van de planregels. In de planregels staat niet wat onder 'het in gebruik nemen' of 'gebouwen die niet in gebruik zijn voor de uitoefening van een veehouderij' moet worden verstaan. Ook in samenhang met de andere planregels is niet duidelijk wat precies wordt bedoeld. Die duidelijkheid wordt in de plantoelichting wel gegeven.
Dit artikelonderdeel is een doorvertaling van de regels uit de (inmiddels vervallen) Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant. Uit de plantoelichting kan worden opgemaakt dat artikel 5.4.1, onder f, van de planregels een verbod inhoudt om een
bestaand gebouw voor het eerst voor een veehouderij te gaan gebruiken. Dit artikelonderdeel verbiedt niet om een gebouw in gebruik te nemen voor een veehouderij, als dat gebouw al eerder voor een veehouderij is gebruikt, ook al zijn in dat gebouw niet eerder dieren gehouden. Ook hierdoor is geen sprake van onlosmakelijke samenhang.



9.2
Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, moet de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dragen dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. Als een van de onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan) kan voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor die overige onlosmakelijke activiteiten kan dus niet voorafgaan aan het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het samenhangende strijdig gebruiken van gronden of bouwwerken.
Volgens artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo is sprake van een onlosmakelijke activiteit, als één activiteit behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 en artikel 2.2 van de Wabo. In dit geval is de reden waarom een obm moest worden aangevraagd en is aangevraagd, dat een activiteit zal worden verricht die is genoemd in artikel 2.2a, eerste lid, onder d, van het Besluit omgevingsrecht: uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren, in de gevallen waarin ten minste 51 en ten hoogste 2.000 schapen (…) worden gehouden (…). Deze activiteit behoort niet tot verschillende categorieën van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 en artikel 2.2 van de Wabo. Van een onlosmakelijke activiteit is daarom geen sprake. Het eventuele gebruik van gebouw 5 als verwerkingsruimte voor melk en als verkooppunt van verwerkt product betreft niet dezelfde activiteit en brengt dus geen onlosmakelijkheid mee.



9.3
Op grond van artikel 5.4.1, onder f, van de planregels wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan: “het in gebruik nemen van gebouwen die niet in gebruik zijn voor de uitoefening van een veehouderij, voor de uitoefening van een veehouderij”.
Niet is in geschil dat op het betrokken perceel voorheen een nertsenhouderij was gevestigd. Hiervan was ook nog sprake op het moment dat het bestemmingsplan rechtskracht verkreeg.
In de planregels is niet gedefinieerd wat moet worden verstaan onder het 'in gebruik nemen van gebouwen' en het 'in gebruik zijn' van gebouwen voor de uitoefening van een veehouderij moet worden verstaan. Dit heeft echter niet tot gevolg dat artikel 5.4.1 van de planregels zo onduidelijk is dat voor een goed begrip hiervan de plantoelichting moet worden geraadpleegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is het gebruiken van gebouwen voor de uitoefening van een veehouderij niet beperkt tot het gebruik voor het houden van dieren. Dit begrip is zo ruim dat daaronder ook bijvoorbeeld de opslag van voer en het stallen van landbouwmachines kan worden begrepen, als dit maar een relatie heeft met die veehouderij.
Omdat de gebouwen van het bedrijf op het moment van het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan voor de uitoefening van een veehouderij werden gebruikt, volgt de rechtbank niet de interpretatie van eisers, in die zin dat relevant zou zijn dat in de afgelopen jaren geen dieren in gebouw 3 zijn gehouden.
Van strijd met artikel 5.4.1 van de planregels is dan ook geen sprake. Voor het houden van schapen in gebouw 3 is dan ook geen omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan nodig. Ook daarom kan het houden van schapen niet als een onlosmakelijke activiteit worden gezien.



9.4
De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun opvatting dat het college niet op de aanvraag had mogen beslissen voordat het vergunninghoudster in de gelegenheid had gesteld om de aanvraag aan te vullen.

Dit betoog slaagt niet.


MER-beoordeling


10. Volgens eisers kan de conclusie uit de mer-beoordeling, dat er geen belangrijke nadelige gevolgen zijn voor het milieu, niet gedragen worden door de eraan ten grondslag liggende motivering. Allereerst is in de mer-beoordeling uitgegaan van geurbelastingen op de omliggende woningen berekend tot 6 OU/m3. In de aanvraag voor de obm zijn echter berekende geurbelastingen genoemd tot 7,1 OU/m3. Ook heeft het college de berekende geurbelasting getoetst aan de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Cuijk 2013. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold echter inmiddels de Verordening geurhinder en veehouderij Land van Cuijk 2024, waarin strengere geurnormen zijn opgenomen (5 OU/m3 in de kernrandzone, gebied C en 8 OU/ m3 in overig buitengebied, gebied D. daardoor ligt eerder in de rede dat sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.



10.1
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat in de aanvraag voor de obm berekende geurbelastingen zijn genoemd tot 7,1 OU/m3 niet betekent dat de conclusie uit de mer-beoordeling, dat belangrijke gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten, niet langer geldt. De oorspronkelijke berekening bevatte onjuiste parameters en is daarom op 23 oktober 2023 aangepast. Deze aangepaste berekening is ten grondslag gelegd aan het primaire besluit. Uit deze aangepaste berekening volgt dat de geurbelasting van de veehouderij maximaal 7,1 OUe/m3 bedraagt. De conclusie van de mer-beoordeling is gebaseerd op de conclusie dat de norm van 10 OU/m3 niet werd overschreden. Die conclusie geldt met de aangepaste berekening nog steeds.
Wat de toetsing aan de gemeentelijke verordening over geurhinder betreft, heeft het college primair gesteld dat op grond van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet het onmiddellijk voor die inwerkingtreding geldende recht van toepassing is gebleven en hij daarom terecht heeft getoetst aan de Verordening geurhinder en
veehouderij gemeente Cuijk 2013. Subsidiair heeft het college gesteld dat aan de
normen uit de Verordening geurhinder en veehouderij Land van Cuijk 2024 wordt
voldaan. Voor deelgebied C, waarin de woningen aan de Straatkantseweg 24 en 26 zijn gelegen, geldt een norm van 5 OUe/m3; De overige woningen in de omgeving liggen in deelgebied D, waarvoor een norm van 8 OUe/m3 geldt. Uit de tabel met geurgevoelige locaties uit de V-stacks-berekening van 23 oktober 2023 blijkt dat alle woningen aan deze norm voldoen. Ook op basis van de Verordening geurhinder en veehouderij Land van Cuijk 2024 is de conclusie dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor het vergunnen van het aangevraagde project.



10.2
De rechtbank deelt de opvatting van het college dat de mer-beoordeling is gebaseerd op het niet overschrijden van een geurnorm van 10 OU/m3 en dat deze norm noch in de aanvankelijk berekende situatie, noch na de aangepaste berekening, wordt overschreden. Het college mocht daarom bij de beslissing op de aanvraag en bij het nemen van het bestreden besluit uitgaan van de conclusie van de mer-beoordeling.

Dit onderdeel van het betoog slaagt niet.



10.3
Op het moment van de aanvraag en het nemen van het besluit op de aanvraag van 14 november 2023 gold de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Cuijk 2013. Dit was ook zo op het moment van het in werking treden van de Omgevingswet.
Op grond van het overgangsrecht bij die inwerkingtreding is het op 1 januari 2024 geldende recht van toepassing gebleven, omdat de aanvraag voor de obm vóór 1 januari 2024 is ingediend.
Op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht moet op de grondslag van het bezwaar een heroverweging van het in bezwaar bestreden besluit plaatsvinden en moet het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit herroepen en moet het, voor zover nodig, in de plaats daarvan een nieuw besluit nemen.
Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een dergelijke heroverweging plaatsvindt en op dat moment sprake is van een wijziging van de op 1 januari 2024 geldende normen, zal het bestuursorgaan bij die heroverweging die gewijzigde regels moeten betrekken. Dit betekent dat het college bij de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft getoetst aan de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Cuijk 2013.

Dit onderdeel van het betoog slaagt daarom.





Conclusie en gevolgen

11. Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 10.3 is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd.

12. De rechtbank volgt het college in zijn in het verweerschrift opgenomen standpunt dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor het vergunnen van het aangevraagde project, omdat bij geen van de in de omgeving van het bedrijf gelegen woningen sprake is van een overschrijding van de geurnormen die zijn opgenomen in de Verordening geurhinder en veehouderij Land van Cuijk 2024, die inmiddels deel uitmaakt van het Omgevingsplan van de gemeente. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

13. Omdat het beroep gegrond is, zal het college het door eisers betaalde griffierecht moeten vergoeden. Ook ziet de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten van € 1.868,00, voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 934,00, wegingsfactor 1).




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand;


veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten van € 1.868,00;


bepaalt dat het college eisers het door hen betaalde griffierecht van € 194,00 moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.













griffier


De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Als u het niet met deze uitspraak eens bent, kunt u een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin u uitlegt waarom u het niet met de uitspraak eens bent. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Deze datum staat hierboven.
Kunt u de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Link naar deze uitspraak