|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:1213 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | LEE 24/4600 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Omgevingsvergunning voor plaatsen CO²-vervloeiinginstallatie en CO²-opslagtank
De vergunninghouder exploiteert op het perceel een melkrundveehouderij. Op het perceel is een mestvergistingsinstallatie aanwezig, waarmee groen gas uit mest wordt gehaald. Eiseres woont op het naburige perceel. Aan de vergunninghouder is een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een CO²-vervloeiinginstallatie en een CO²-opslagtank op het perceel.
De rechtbank stelt vast dat het college ter zitting heeft toegelicht dat de opslagtank in overleg met de vergunninghouder, links van de mestvergister is vergund. Dit is neergelegd in de tekening behorende bij de vergunning. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er alternatieven zijn. Eiseres heeft namelijk geen concrete alternatieve locaties voor het bouwplan benoemd. De rechtbank ziet reeds daarom geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning vanwege de locatie had moeten weigeren.
De rechtbank stelt voorts vast dat uit het bestreden besluit volgt dat het bouwplan niet geheel past binnen de bestemmingsplanregels, omdat de CO²-installatie net buiten het bouwvlak ligt en dus ook buiten de gronden waarop de mestvergistingsinstallatie is toegestaan. Anders dan eiseres betoogt heeft het college naar het oordeel van de rechtbank gemotiveerd waarom in dit geval kan worden afgeweken van de planregels. Het college heeft daarbij namelijk van belang geacht dat de nieuwe installatie aansluitend aan de bestaande bouwwerken van de mestvergistingsinstallatie wordt gerealiseerd. Verder heeft het college betrokken dat op grond van de planregels reeds andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan. Ook heeft het college de milieuaspecten en de advisering van de FUMO meegewogen en geconcludeerd dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. De afweging is door eiseres niet gemotiveerd bestreden.
De rechtbank is verder van oordeel dat de door eiseres genoemde archeologische regels niet strekken tot bescherming van de belangen van eiseres. Artikel 30 van de regels van het bestemmingsplan en artikel 5 van de regels van de partiële herziening strekken tot het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. Beide planregels zien dus op een algemeen belang. Het belang van eiseres is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eraan in de weg dat deze beroepsgrond over het ontbreken van een archeologisch onderzoek kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom zal de rechtbank deze beroepsgrond niet inhoudelijk bespreken.
De rechtbank overweegt daarnaast dat uit het welstandadvies volgt dat het bouwplan is getoetst aan de welstandscriteria en dat het bouwplan niet geheel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Hoewel de welstandscommissie het plan op de voorgestelde positie in beginsel voorstelbaar acht, wordt een goede landschappelijke inpassing van belang geacht. De rechtbank overweegt dat het college, in overleg met vergunninghouder, ter uitvoering van het welstandsadvies de CO²-opslagtank op een andere plek heeft toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid of conclusies van het welstandsadvies.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres. De rechtbank acht van belang dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bouwplan geen noemenswaardige geur-, geluids- en trillingsgevolgen zal hebben voor de omgeving, zodat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Eiseres heeft bovendien op de zitting erkend dat de door haar ervaren geur-, geluids- en vogeloverlast het gevolg is van (het gebruik van) de mestvergistingsinstallatie en niet van dit bouwplan. De rechtbank acht verder van belang dat uit het bestreden besluit volgt dat er vanuit stedenbouwkundige overwegingen geen bezwaren zijn tegen vergunningverlening. Daarbij wordt opgemerkt dat de installatie aansluitend aan de bestaande bouwwerken van de vergistingsinstallatie wordt geplaatst. De rechtbank betrekt verder dat het college met de (gewijzigde) situering van het bouwplan, rekening heeft gehouden met het gestelde verlies aan uitzicht vanaf het perceel van eiseres.
De rechtbank overweegt tot slot dat uit het bestreden besluit volgt dat de externe veiligheid, zoals de op- en overslag van gevaarlijke stoffen, is betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Daarbij is acht geslagen op de hoeveelheid CO² die in de aangevraagde installatie wordt verwerkt en hoe die milieuactiviteit zich verhoudt tot de richtlijn opgenomen in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 9:2021 versie 1.0 (augustus 2021) ‘Cryogene gassen: opslag van 0.150 m³ - 100 m³’. Geconcludeerd is dat deze CO²-opslag valt onder die richtlijn. De rechtbank acht verder van belang dat aan de vergunning voorschrift 2.1.1 is verbonden, dat erop is gericht dat de CO²-opslag voldoet aan diverse maatregelen uit de richtlijn. Eiseres heeft deze beoordeling niet inhoudelijk bestreden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bedrijfswoning | | | bestemmingsplan | | | boomteelt | | | fruitteelt | | | melkrundveehouderij | | | mestopslag | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | rijksmonument | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4600
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. F. Krol-Postma),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college
(gemachtigden: S.J. Dijkstra, mr. J.J. Hengst en ir. D.J. Kuiken).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats], de vergunninghouder
(gemachtigde: K. Cnossen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een CO²-vervloeiinginstallatie en een CO²-opslagtank op het perceel [perceel 1] in [plaats]. Eiseres is het niet eens met die omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het college heeft met het besluit van 7 oktober 2024 een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een CO²-vervloeiinginstallatie en een CO²-opslagtank (het bestreden besluit).
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de dochter van eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college, de gemachtigde van de vergunninghouder en [persoon] namens de vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
Relevante feiten en omstandigheden
3. De vergunninghouder exploiteert op het perceel [perceel 1] in [plaats] (het perceel) een melkrundveehouderij. Op het perceel is een mestvergistingsinstallatie aanwezig, waarmee groen gas uit mest wordt gehaald. Eiseres woont op het naburige perceel [perceel 2] in [plaats].
3.1.
Op grond van het bestemmingsplan “Bûtengebiet en doarpen” (het bestemmingsplan) geldt op het perceel de bestemming ‘Agrarisch’ en ‘Waarde – Archeologie’, met de nadere aanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch – mestvergistingsinstallatie’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf’. Op grond van het bestemmingsplan “Partiële herziening – Archeologie” (de partiële herziening) geldt op het perceel de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’.
3.2.
Op 12 september 2023 heeft de vergunninghouder een aanvraag ingediend voor verlening van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een CO²-vervloeiinginstallatie en een CO²-opslagtank op het perceel.
3.3.
Met het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning verleend.
Wettelijk kader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 september 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geschil
6. Eiseres heeft op de zitting de beroepsgronden ten aanzien van de zorgvuldigheid van de besluitvorming, het betrekken van de Nationale Omgevingsvisie bij de besluitvorming en de gestelde verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage, ingetrokken. De rechtbank laat die gronden daarom verder buiten beschouwing.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de vergunninghouder op de zitting heeft toegezegd dat het afvoeren van CO² van het perceel leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen met maximaal twee vrachtwagens per week. Gelet op die toezegging heeft eiseres de beroepsgrond ten aanzien van het ontbreken van een akoestisch onderzoek, ingetrokken. De rechtbank laat die grond daarom verder buiten beschouwing.
Omgevingsverordening provincie Fryslân
7. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 2.22 van de Omgevingsverordening provincie Fryslân (de verordening). Volgens eiseres is in dat besluit ten onrechte geen aandacht besteed aan de nevenactiviteiten die geen lichte bedrijvigheid vormen en ook niet bij het landelijk gebied passen. De CO²-opslagtanks zijn erg omvangrijk en passen niet binnen een normale agrarische bedrijfsvoering en ook niet binnen de omgeving, aldus eiseres.
8. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. De vergunningaanvraag is in dit geval ingediend voordat de verordening op 1 januari 2024 in werking trad, namelijk op 12 september 2023. Gelet op artikel 9.4 van de verordening blijft het oude recht van toepassing op aanvragen die voor de inwerkingtreding van de verordening zijn ingediend tot het moment dat het besluit op de aanvraag onherroepelijk wordt. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de verordening niet van toepassing is. Deze beroepsgrond slaagt niet.Alternatieve locatie
9. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat in het kader van de belangenafweging kan worden bekeken of er een andere locatie voor het bouwplan beschikbaar is. Volgens eiseres gaat het college eraan voorbij of de aanvraag op basis van de gevraagde locatie kan worden geweigerd, dan wel of in overleg kan worden getreden met de aanvrager om met name de CO²-opslagtank op een andere plek op het perceel te realiseren. Het bouwplan belemmert namelijk haar uitzicht en eiseres vreest overlast van het bouwplan te ondervinden.
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat er naar aanleiding van de zienswijze van eiseres een nadere afweging is gemaakt over de plaats van de opslagtank. In overleg met de vergunninghouder is die tank op een andere plek vergund, namelijk links van de mestvergistingsinstallatie. Die plek is verder verwijderd van het perceel van eiseres dan de oorspronkelijk aangevraagde plek. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat er een alternatieve locatie voor het bouwplan is met minder bezwaren. Daarin is eiseres niet geslaagd, aldus het college.
10. De rechtbank stelt vast dat het college ter zitting heeft toegelicht dat de opslagtank in overleg met de vergunninghouder, links van de mestvergister is vergund. Dit is neergelegd in de tekening behorende bij de vergunning.
10.1.
Het is vaste rechtspraak dat het college moet beslissen over een bouwplan zoals dat is ingediend. Als een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven alleen tot weigering van medewerking door het college leiden, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn, om dit aannemelijk te maken.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er alternatieven zijn. Eiseres heeft namelijk geen concrete alternatieve locaties voor het bouwplan benoemd. De rechtbank ziet reeds daarom geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning vanwege de locatie had moeten weigeren. Deze beroepsgrond slaagt niet.Strijdig gebruik
11. Eiseres betoogt dat de vergunning alleen ziet op strijdig gebruik vanwege plaatsing van de CO²-installatie buiten het bouwvlak. Volgens eiseres is de omzetting zoals die nu plaatsvindt niet te vervatten onder ‘het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de plaatsing van een mestvergistingsinstallatie of een daarmee gelijk te stellen bouwwerk’ als bedoeld in artikel 3.4, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan (planregels). In de stukken heeft het college niet onderbouwd dat de vervloeiingsinstallatie wel onder het gebruik van een mestvergistingsinstallatie kan vallen. Er zou voor deze activiteit dan ook een eigen afweging moeten plaatsvinden. Dit is onder andere relevant voor de CO²-opslag en het risico dat die opslag oplevert, aldus eiseres.
11.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de CO²-installatie een onderdeel is van de mestvergistingsinstallatie. De CO²-installatie zou er niet zijn geweest zonder de mestvergistingsinstallatie. De CO²-installatie kan niet zelfstandig functioneren. De regels zijn juist toegepast gelet op de onlosmakelijke samenhang, aldus het college.
12. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit volgt dat er een omgevingsvergunning is verleend voor zowel de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ als ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’, als bedoeld in respectievelijk artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. Uit het besluit volgt verder dat het bouwplan niet geheel past binnen de planregels, omdat de CO²-installatie net buiten het bouwvlak ligt en dus ook buiten de gronden waarop de mestvergistingsinstallatie is toegestaan. De rechtbank begrijpt uit de tekst van de omgevingsvergunning dat het college met voormelde zinsnede heeft bedoeld aan te geven dat sprake is van strijd met artikel 3.4, aanhef en onder a, van de planregels. Dat is op de zitting door het college ook bevestigd. Het betoog van eiseres slaagt in zoverre niet.
12.1.
Anders dan eiseres betoogt heeft het college naar het oordeel van de rechtbank ook gemotiveerd waarom in dit geval kan worden afgeweken van de planregels. Het college heeft daarbij namelijk van belang geacht dat de nieuwe installatie aansluitend aan de bestaande bouwwerken van de mestvergistingsinstallatie wordt gerealiseerd. Verder heeft het college betrokken dat op grond van de planregels reeds andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan. Ook heeft het college de milieuaspecten en de advisering van de FUMO meegewogen en geconcludeerd dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. De afweging is door eiseres niet gemotiveerd bestreden. Deze beroepsgrond slaagt niet.Archeologisch onderzoek
13. Eiseres betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen archeologische onderzoek hoeft te worden verricht naar de archeologische waarden in de grond op de plek waar de opslagtank is geprojecteerd. Volgens eiseres zullen ten behoeve van de bouw van die tank bouwwerkzaamheden op een oppervlakte van bijna 250 m² plaatsvinden. Dit is meer dan de 50 m² dan artikel 5 van de regels van de partiële herziening benoemt. Een archeologisch onderzoek ontbreekt en in de aanvraag en de vergunning wordt ten onrechte niet over archeologie gerept, aldus eiseres.
13.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste aan eiseres kan worden tegengeworpen, omdat de archeologische regels kennelijk niet strekken tot bescherming van dhaar belangen. Daarnaast voert het college aan dat het bouwplan niet in strijd is met die regels, omdat geen sprake is van ingrepen of werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld.
14. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres genoemde archeologische regels niet strekken tot bescherming van de belangen van eiseres. Artikel 30 van de regels van het bestemmingsplan en artikel 5 van de regels van de partiële herziening strekken tot het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. Beide planregels zien dus op een algemeen belang. Het belang van eiseres is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eraan in de weg dat deze beroepsgrond over het ontbreken van een archeologisch onderzoek kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom zal de rechtbank deze beroepsgrond niet inhoudelijk bespreken.Welstand
15. Eiseres betoogt dat uit de aanvraag en meegezonden stukken niet blijkt dat het voorgenomen bouwwerk is getoetst aan Welstandsnota 2022 van de gemeente Leeuwarden (de welstandsnota). Daar komt bij dat niet is betrokken dat het hoofdgebouw op het perceel een rijksmonument is. Dit maakt dat een uitgebreider welstandstoets nodig is, die ten onrechte niet is gegeven, aldus eiseres. Ter zitting is namens eiseres betoogd dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.
15.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dat staat in het advies van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit Hûs en Hiem (welstandscommissie) van 17 oktober 2023. De CO²-opslagtank is verplaatst naar aanleiding van dat advies, aldus het college.
16. De rechtbank stelt vast dat namens eiseres ter zitting is erkend dat er wel een welstandsadvies is uitgebracht. Verder staat vast dat eiseres geen contra-expertise heeft overgelegd.
De rechtbank overweegt dat uit het welstandadvies volgt dat het bouwplan is getoetst aan de welstandscriteria en dat het bouwplan niet geheel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Hoewel de welstandscommissie het plan op de voorgestelde positie in beginsel voorstelbaar acht, wordt een goede landschappelijke inpassing van belang geacht. De rechtbank overweegt dat het college, in overleg met vergunninghouder, ter uitvoering van het welstandsadvies de CO²-opslagtank op een andere plek heeft toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid of conclusies van het welstandsadvies. De enkele stelling dat er een rijksmonument op het perceel aanwezig zou zijn, acht de rechtbank onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Goede ruimtelijke ordening en belangenafweging
17. Eiseres betoogt dat in het bestreden besluit in het geheel geen belangenafweging is gemaakt. De CO²-opslagtank is een gigantisch bouwwerk. Volgens eiseres ontbreekt een stedenbouwkundige beoordeling en kan de opslagtank niet worden ingepast op deze plek. Een elf meter hoge industriële opslagtank vormt een storend element in het open en weids landschap en past niet in de agrarische bestemming. Ook is in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op trillingsoverlast en geuroverlast die door dit bouwplan zouden kunnen ontstaan. Voorts betoogt eiseres dat haar woon- en leefomgeving en haar belangen ten onrechte niet in kaart zijn gebracht en meegenomen in de belangenafweging. Zo is niet meegewogen dat de ontwikkeling direct invloed heeft op haar welzijn. Volgens eiseres heeft zij dag en nacht geluid op haar perceel te verduren, waardoor een aaneengesloten nachtrust en buiten zitten niet meer mogelijk zijn. Ook komen er meeuwen, roeken en kraaien op de installatie af, die veel overlast op en rond haar perceel veroorzaken, aldus eiseres.
17.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit op alle door eiseres genoemde punten is ingegaan. Het milieudeel is integraal verwerkt in de vergunning zelf. Het is niet aannemelijk dat de aangevraagde activiteiten trillingsoverlast zullen veroorzaken. CO² is van zichzelf geurloos, waardoor daar geen meeuwen of andere vogels op af zullen komen, aldus het college.
18. De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres. De rechtbank acht van belang dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bouwplan geen noemenswaardige geur-, geluids- en trillingsgevolgen zal hebben voor de omgeving, zodat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Eiseres heeft bovendien op de zitting erkend dat de door haar ervaren geur-, geluids- en vogeloverlast het gevolg is van (het gebruik van) de mestvergistingsinstallatie en niet van dit bouwplan.
18.1.
De rechtbank acht verder van belang dat uit het bestreden besluit volgt dat er vanuit stedenbouwkundige overwegingen geen bezwaren zijn tegen vergunningverlening. Daarbij wordt opgemerkt dat de installatie aansluitend aan de bestaande bouwwerken van de vergistingsinstallatie wordt geplaatst. De rechtbank betrekt verder dat het college heeft toegelicht dat het - naar aanleiding van de zienswijze - met de (gewijzigde) situering van het bouwplan, rekening heeft gehouden met het gestelde verlies aan uitzicht vanaf het perceel van eiseres. Die gewijzigde situering heeft tot gevolg dat er zeer beperkt zicht is op de opslagtank vanaf het perceel van eiseres. Dat is door eiseres niet gemotiveerd bestreden. Het betoog slaagt niet.
Gevaar en gevaarlijke stoffen
19. Eiseres betoogt dat uit de aanvraag en het bestreden besluit niet blijkt dat er onderzoek is gedaan naar de vraag of de CO²-installatie gevaar voor de omgeving oplevert. Dat terwijl ontsnappend CO²-gas wel degelijk gevaar kan opleveren bij blootstelling aan hoge concentraties. Eiseres verwijst in dit kader naar de publicatie van het Nederlands Instituut voor Publieke Veiligheid van 11 december 2024.
20. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Uit het bestreden besluit volgt dat de externe veiligheid, zoals de op- en overslag van gevaarlijke stoffen, is betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Daarbij is acht geslagen op de hoeveelheid CO² die in de aangevraagde installatie wordt verwerkt en hoe die milieuactiviteit zich verhoudt tot de richtlijn opgenomen in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 9:2021 versie 1.0 (augustus 2021) ‘Cryogene gassen: opslag van 0.150 m³ - 100 m³’. Geconcludeerd is dat deze CO²-opslag valt onder die richtlijn. De vergunninghouder heeft aan het college meegedeeld dat de installatie hieraan zal voldoen. De rechtbank acht verder van belang dat aan de vergunning voorschrift 2.1.1 is verbonden, dat erop is gericht dat de CO²-opslag voldoet aan diverse maatregelen uit de richtlijn. Eiseres heeft deze beoordeling niet inhoudelijk bestreden. De enkele verwijzing naar een publicatie leidt niet tot een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 8:69aDe bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.11. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
e
1° het oprichten,
2° het veranderen of veranderen van de werking of
3° het in werking hebben
van een inrichting of mijnbouwwerk.
Artikel 2.121. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Bestemmingsplan “Bûtengebiet en doarpen” (het bestemmingsplan)
Artikel 3 Agrarisch
[…]
3.4
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de plaatsing van een mestvergistingsinstallatie of een daarmee gelijk te stellen bouwwerk;
het gebruik van de gronden en bouwwerken voor niet-agrarische bedrijvigheid en detailhandel, anders dan ter plaatse van een specifieke aanduiding of waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend;
het opslaan van mest en/of andere landbouwproducten buiten de bedrijfskavel, met uitzondering van tijdelijke opslag van akkerbouwproducten, alsmede tijdelijke opslag van mest, onder voorwaarde dat de mestopslag niet langer dan zes maanden duurt en de mestopslag niet gedurende twee opeenvolgende jaren op dezelfde locatie plaats heeft;
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van niet-grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf”;
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de aquacultuur;
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan het plaatsen van kampeermiddelen en tenzij ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning";
het gebruik van gronden ten behoeve van standplaatsen voor kampeermiddelen anders dan een kleinschalig kampeerterrein per agrarisch bedrijf, mits:
1. er niet meer dan 15 standplaatsen voor kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, worden ingericht;
2. het kamperen plaatsvindt binnen de periode van 1 april tot 1 oktober;
het gebruik van gronden ten behoeve van exploratie en exploitatie van diepe grondstoffen, met uitzondering van seismologisch onderzoek;
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en/of de aanleg van wegen en paden anders dan ten behoeve van het agrarisch gebruik (buiten het bouwvlak) of de noodzakelijke bereikbaarheid van bebouwde percelen;
het splitsen van een bedrijfswoning zodanig dat er meer dan één woning ontstaat;
het gebruik van gedeelten van een bedrijfswoning, inclusief bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning, voor aan-huis-verbonden beroepen en/of bedrijven, indien:
1. het beroep of bedrijf niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de bedrijfswoning, waarbij één andere arbeidskracht ter plekke werkzaam mag zijn;
2. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte in de bedrijfswoning meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van de bedrijfswoning;
3. de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte meer dan 50 m² bedraagt;
4. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt;
5. detailhandel plaatsvindt anders dan productiegebonden detailhandel;
het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning voor bewoning;
het gebruik van gronden ten behoeve van het aanplanten van bomen en struikgewas buiten de bebouwde erven, de sierteelt, fruitteelt, bosbouw, boomteelt, houtteelt of overige opgaande teeltvormen, niet zijnde boomgaarden op erven bij woonhuizen en boerderijen;
het gebruik van gronden voor de aanleg van een paardrijbak, tenzij ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - paardrijbak".
Artikel 30 Waarde - Archeologie
30.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
o het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden.
30.2
Bouwregels
30.2.1
Omgevingsvergunning voor het bouwen
Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 0,30 m onder het maaiveld plaatsvinden moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, zijn aangetoond dat:
geen archeologische waarden aanwezig zijn; dan wel
dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel
dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten kunnen worden verstoord.
30.2.2
Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
Indien blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg.
30.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
30.3.1
Vergunningplichtige werken en werkzaamheden
Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist:
het aanbrengen van diepwortelende beplanting of bomen over een groter oppervlak dan 50 m²;
het rooien of vellen van houtopstanden over een groter oppervlak dan 50 m²;
de aanleg van verhardingen met een groter oppervlak dan 50 m² en op een grotere diepte dan 0,30 m;
het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden met een groter oppervlak dan 50 m² en op een grotere diepte dan 0,30 m;
het graven, verbreden of dempen van sloten alsmede het aanleggen en intensiveren van drainage over of met een groter oppervlak dan 50 m² en op een grotere diepte dan 0,30 m;
het in de grond brengen van voorwerpen over een groter oppervlak dan 50 m² op een grotere diepte dan 0,30 m;
het verrichten van graafwerkzaamheden over een groter oppervlak dan 50 m² en dieper dan 0,30 m;
et aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur over een groter oppervlak dan 50 m² en op een grotere diepte dan 0,30 m.
30.3.2
Uitzondering
Het bepaalde in 30.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, waaronder begrepen het vervangen van drainagewerken;
reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie.
30.3.3
Toetsingscriteria
De in 30.3.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend, mits:
is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel;
is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, dan wel;
is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord.
30.3.4
Voorwaarden omgevingsvergunning
Indien blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden kunnen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg.
30.4
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Waarde -Archeologie' geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, indien op basis van archeologisch onderzoek door een archeologisch deskundige is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
Bestemmingsplan “Partiële herziening – Archeologie” (de partiële herziening) Artikel 5 Waarde - Archeologie 2
5.1
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
5.2
Bouwregels
5.2.1
Omgevingsvergunning voor het bouwen
Voor bouwwerken waarvoor bodemingrepen nodig zijn met een oppervlakte groter dan 50 m2 en die de bodem dieper dan 0,30 m beneden maaiveld verstoren moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overlegd waarin:
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en:
in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
Bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3112, en 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559.
Vergelijk de uitspraken van de ABRvS van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2909, en van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4651. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|