Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:9429 
 
Datum uitspraak:20-04-2026
Datum gepubliceerd:20-04-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL22.10458
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:Einduitspraak na arrest Multan van 29 januari 2026 / artikelen 23, eerste lid, en 46 eerste lid, van richtlijn 2013/32, artikel 5 van richtlijn 2008/115 / artikelen 4, 19, tweede lid, 47 van het Handvest / 8:29 Awb. De rechtbank heeft na het arrest Multan op 12 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft in die uitspraak bepaald dat verweerder -zelf- kennis moet nemen van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de stukken die zien op de wijze waarop Buitenlandse Zaken in Pakistan het onderzoek heeft verricht. De rechtbank heeft tevens bepaald dat eiser door tussenkomst van een ‘special advocate’ kennis moet kunnen nemen van al deze stukken. Verweerder heeft medegedeeld dat hij niet zal voldoen aan de tussenuitspraak, zodat de rechtbank nu een einduitspraak doet. Omdat verweerder niet van de gehele inhoud van het dossier kennis heeft genomen, is de beschermingsbehoefte reeds hierdoor niet grondig genoeg onderzocht en is (het handhaven van) het besluit onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. De rechtbank heeft in de verwijzingsuitspraak gedetailleerd beschreven wat de voor de onderhavige procedure relevante passages van de “Vakbijlage REK-check” zijn en heeft een deel van de inhoud van de “Werkinstructie Ambtsberichten van Buitenlandse Zaken” van juli 2023 weergegeven. Anders dan verweerder veronderstelt, blijkt uit de stukken niet dat overeenkomstig de Vakbijlage en de werkinstructie is gehandeld en blijkt evenmin dat is voldaan aan de REK-check-criteria. De rechtbank stelt na kennisname van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de stukken die zien op de wijze waarop Buitenlandse Zaken in Pakistan het onderzoek heeft verricht vast dat de inhoud van het individuele ambtsbericht niet voldoende wordt gedragen door deze stukken, dat niet inzichtelijk is hoe tot de (diverse deel)conclusies is gekomen, dat de vragen van de aanvrager onvoldoende worden beantwoord en dat de methode van onderzoek onvoldoende zorgvuldig en niet volledig is geweest. Dit betekent dat verweerder het individueel ambtsbericht niet ten grondslag kan leggen aan de afwijzing van de opvolgende aanvraag van eiser. De rechtbank overweegt voorts dat gelet op de wijze waarop het onderzoek in Pakistan heeft plaatsgevonden en zoals dit uit het onderzoeksverslag blijkt, niet kan worden uitgesloten dat het onderzoek op zichzelf, een risico voor eiser bij terugkeer tot gevolg heeft. De rechtbank kan dit thans onvoldoende grondig onderzoeken en kan thans ook niet beoordelen of eiser reeds vanwege deze wijze van onderzoek in aanmerking moet worden gebracht voor internationale bescherming. De rechtbank hecht daarbij nadrukkelijk betekenis aan de omstandigheid dat eiser zijn verdedigingsrechten niet volledig in overeenstemming met het Unierecht heeft kunnen uitoefenen. De beroepsgrond van eiser dat verweerder zijn opvolgende aanvraag niet in overeenstemming met het Unierecht heeft beoordeeld slaagt ook. De rechtbank acht het niet opportuun om nu de andere beroepsgronden te beoordelen. Beroep gegrond & PKV.
Trefwoorden:sn
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.10458

Einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],
geboren op [geboortedatum] 1986 in Pakistan,
eiser,
(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous)

en

de minister van Asiel en Migratie,
voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigden: mr. S. van der Steen-Jhinnoe en mr. K. Boonen).




Procesverloop

Eiser heeft op 31 augustus 2014 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Het besluit waarin dit verzoek als ongegrond is afgewezen staat in rechte vast. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit met een termijn voor vrijwillig vertrek.

Eiser heeft op 21 november 2018 een volgend verzoek om internationale bescherming ingediend.

Het besluit van 6 mei 2019, waarbij dit volgende verzoek niet-ontvankelijk is verklaard, is in hoger beroep vernietigd bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3336).

Verweerder heeft het verzoek van 21 november 2018 bij besluit van 31 mei 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 juncto artikel 30b, eerste lid aanhef en onder g, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit besluit omvat een terugkeerbesluit zonder termijn voor vrijwillig vertrek en een inreisverbod voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 mei 2022 en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

De rechtbank heeft op 23 februari 2023 een beslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb genomen

De rechtbank heeft het beroep ter zitting behandeld op 18 april 2024 en vervolgens op 20 juni 2024 twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (Hof) gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2024:9590).

Op 20 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 31 mei 2022 worden opgeschort totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het Hof heeft op 29 januari 2026 de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord en het arrest Multan gewezen (C-431/24, Multan, ECLI:EU:C:2026:53).

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting voortgezet op 20 februari 2026. Eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

De rechtbank heeft aansluitend aan de behandeling van het beroep en in overleg met partijen de behandeling van het beroep een week aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om een schriftelijk standpunt in te nemen op een door de rechtbank ter zitting aan de orde gestelde rechtsvraag en procedurele kwestie.

De rechtbank heeft op 12 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2026:5065).

Verweerder heeft op 25 maart 2026 een bericht toegevoegd aan het digitale dossier en daarin vermeld dat verweerder niet zal voldoen aan de tussenuitspraak.

De rechtbank heeft op 31 maart 2026 kennis genomen van de stukken die ten grondslag liggen aan het individuele ambtsbericht en van de stukken die betrekking hebben op de wijze waarop het onderzoek in Pakistan heeft plaatsgevonden.

De rechtbank heeft het onderzoek in de onderhavige procedure gesloten op 1 april 2026.



Overwegingen

1. De rechtbank blijft bij al hetgeen zij in de verwijzingsuitspraak van 20 juni 2024 en de tussenuitspraak van 12 maart 2026 heeft overwogen.

2. Eiser heeft een volgend verzoek om internationale bescherming ingediend. Eiser heeft hieraan, net als aan zijn eerste verzoek, ten grondslag gelegd dat hij een christen is en hij reeds daarom te vrezen heeft voor vervolging in Pakistan. Tevens heeft eiser verklaard dat hij in Pakistan evangeliserende activiteiten heeft verricht en er daarom een Fatwa tegen hem is uitgevaardigd en dat hij ook in Nederland evangeliserende activiteiten ontplooit. Om zijn relaas te staven heeft hij onder meer verklaringen afgelegd en een kopie van de Fatwa overgelegd, met een bij een rechtbank in Pakistan gelegaliseerde kopie van deze Fatwa. Eiser heeft ook andere documenten overgelegd om zijn relaas te staven en zijn vrees bij terugkeer te onderbouwen.

3. Verweerder acht het relaas slechts ten dele geloofwaardig. Dat eiser een christen uit Pakistan is, acht verweerder (net als in de eerste asielprocedure van eiser) wel geloofwaardig. Deze beoordeling heeft in de eerste procedure bij de rechtbank en in hoger beroep stand gehouden. Dat jegens eiser een Fatwa is uitgevaardigd maakt volgens verweerder nog altijd niet aannemelijk dat hij nu wel een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel dat er sprake is van een geringe indicatie dat dit risico moet worden aangenomen. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser in Pakistan evangeliserende werkzaamheden heeft verricht en acht evenmin geloofwaardig dat eiser dit in Nederland doet. Verweerder heeft alle overgelegde documenten onderzocht. Daarbij is geconcludeerd dat er onvoldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal beschikbaar is om uitspraak te doen over de echtheid van de overgelegde legalisatie van de Fatwa. Verweerder heeft voorts om het verzoek om bescherming te kunnen beoordelen het ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa) verzocht om op asielgerelateerde wijze aanvullend onderzoek in te stellen ter beantwoording van enkele vragen. Verweerder heeft het individueel ambtsbericht met de bevindingen van dit onderzoek van BuZa ten grondslag gelegd aan de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het geloofwaardige geachte deel van het relaas niet tot de conclusie leidt dat eiser dient te vrezen voor vervolging of dat eiser na terugkeer een risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

4. Eiser stelt in beroep dat verweerder ten onrechte aanneemt dat hij in Pakistan geen risico op vervolging loopt en wijst daarbij op het landgebonden beleid dat verweerder (ten tijde van het bestreden besluit) voert ten aanzien van christenen in Pakistan. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn relaas onjuist is omdat verweerder een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd voor de beoordeling van volgende verzoeken zoals het Hof dat heeft geduid in zijn uitspraak van 10 juni 2021 in de zaak LH. Eiser stelt ook dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om op de resultaten van het documentenonderzoek te reageren. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat verweerder in strijd met het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel handelt door hem geen volledige inzage te geven in de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht. Eiser wil in dit verband ook weten aan wie zijn gegevens zijn verstrekt en of er een rechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens heeft plaatsgevonden.

5. De rechtbank heeft de onderliggende stukken van het ambtsbericht opgevraagd bij BuZa, waarna BuZa bij verzending daarvan heeft aangegeven dat op deze documenten geheimhouding van toepassing is. Bij besluit van 23 februari 2023 heeft de rechtbank (in een andere samenstelling dan die van de onderhavige procedure) geoordeeld dat de beperkte kennisname van de onderliggende stukken gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank geen toestemming verleend om op basis van de geheim gehouden stukken uitspraak te doen.

6. De rechtbank overweegt dat eiser om zijn volgend verzoek en zijn vrees bij terugkeer te onderbouwen een kopie van de Fatwa heeft overgelegd. De Fatwa betreft een oproep van 26 november 2016 aan alle gelovigen om eiser en zijn zus te vermoorden. In deze Fatwa zijn de namen van eiser en zijn zus, alsmede van hun vader, en hun woonplaats in Pakistan vermeld. Tevens is vermeld dat eiser een “cable operator” was en via zijn kanaal “een christelijke missie wilde verspreiden”. De naam van de Mufti die de Fatwa heeft uitgevaardigd is ook vermeld, net als een oproep om kopieën van de Fatwa te sturen naar voorzitters van alle moskeeën en Koranscholen van de woonplaats van eiser. In de memo behorende bij het onderzoeksverslag is vermeld dat ten behoeve van het individuele ambtsbericht onderzoek in Pakistan is verricht en dat aan BuZa onder meer de kopie van de Fatwa, een kopie van een foto van eiser en een kopie van een identiteitskaart van eiser zijn verstrekt.

7. Verweerder heeft BuZa gevraagd om een individueel ambtsbericht op te stellen en daartoe de volgende vragen te onderzoeken:
Questions:
1.

Is a fatwa issued on 26 November 2016 by Mufti [naam Mufti] against [eiser] and his sister? If so, what was the content of the fatwa?


What was the reason to issue the fatwa?


Is Mufti [naam Mufti] a well known and widely respected mufti?


Is this fatwa indeed distributed to all mosques and Islamic schools in [woonplaats eiser]?


What are the consequences of this fatwa for the applicant, if he would return to [woonplaats eiser]?


8. BuZa heeft deze vragen onder meer als volgt beantwoord:

“Uit onderzoek is gebleken dat de fatwa van 26 november 2016 is uitgegeven door Mufti [naam Mufti]. Uit onderzoek is gebleken dat er redenen zijn om te betwijfelen of Mufti [naam Mufti] het gezag heeft een dergelijke fatwa op te stellen. Tevens is gebleken uit onderzoek dat de legalisatie op de kopie van de fatwa vervalst zou kunnen zijn. Uit onderzoek naar de inhoud van de fatwa is gebleken dat het niet gebruikelijk is om in dit geval een dergelijke fatwa op te stellen/uit te vaardigen:


(…)


Uit onderzoek is gebleken dat de bekendheid en invloed van Mufti [naam Munfti] niet verder reikt dan enkele wijken in [woonplaats eiser], Pakistan.


(…)


Uit een vertrouwelijke bron is gebleken dat op basis van de beschikbare informatie er geen redenen zijn waarom de [eiser], aan de hand van dit fatwa, negatieve consequenties zou ondervinden bij terugkeer naar [woonplaats eiser].”


9. De rechtbank overweegt verder dat uit het arrest van 22 september 2022 in de zaak GM volgt dat eiser, hoewel hij gelet op de beslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb, die de rechtbank op 23 februari 2023 heeft genomen, niet in persoon of middels zijn gemachtigde kennis mag nemen van de ongelakte onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht, in de onderhavige procedure zijn verdedigingsrechten moet kunnen uitoefenen. Tevens volgt uit de Hofjurisprudentie dat de rechtbank die beslist op het beroep tegen een afwijzend besluit in een asielprocedure en deze beslissing de rechtmatigheidsbeoordeling van het terugkeerbesluit omvat, toegang moet hebben tot het gehele dossier en dat dit niet afhankelijk kan zijn van toestemming van partijen. Het Hof heeft in punt 80 van zijn arrest van 22 september 2022 tevens verduidelijkt dat de beslissingsautoriteit over alle relevante informatie moet beschikken en op basis van die informatie zelf de feiten en omstandigheden moet beoordelen, teneinde de strekking van haar besluit te bepalen en een volledige motivering ervoor te geven. Verweerder is dus verplicht om -ook zelf- kennis te nemen van alle relevante stukken om zo de beschermingsbehoefte en het refoulementrisico grondig te kunnen onderzoek en beoordelen.

10. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 12 maart 2026 overwogen dat uit het arrest Multan van 29 januari 2026 volgt dat de informatie over de wijze waarop BuZa onderzoek heeft gedaan in Pakistan om de vragen van verweerder zoals weergegeven in rechtsoverweging 6 te onderzoeken, onderdeel uitmaakt van het dossier van deze procedure. De rechtbank heeft daarom bepaald dat verweerder kennis moet nemen van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de informatie over de wijze waarop BuZa het onderzoek in Pakistan heeft verricht. De rechtbank heeft tevens bepaald dat eiser zijn verdedigingsrechten moet kunnen uitoefenen en door tussenkomst van een speciaal gemachtigde alsnog inzage in deze stukken moet krijgen.

11. Verweerder heeft in zijn brief van 25 maart 2026 het navolgende meegedeeld:

“(…)
Met deze brief reageert de Minister van Asiel en Migratie, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, op de tussenuitspraak van uw rechtbank van 12 maart 2026 en op uw brief van diezelfde datum aan de Directie DAF, afdeling ambtsberichten.(…)
Zoals uiteengezet in de brief van 27 februari 2026 is de minister van oordeel dat de rechten van de verdediging in de onderhavige zaak niet vergen dat toegang wordt gegeven tot de door de geheimhoudingskamer van uw rechtbank als vertrouwelijk aangemerkte stukken. Evenmin wordt ingestemd met overlegging van de ongelakte stukken aan de door uw rechtbank aangewezen advocaat.

De minister gaat ervan uit dat nu geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid die uw rechtbank heeft geboden, uw rechtbank gelet op artikel 8:31 van de Awb daaruit de gevolgtrekkingen zal maken die haar geraden voorkomen.

De minister verzoekt uw rechtbank gelet op het vorenstaande om (eind)uitspraak te doen op het beroep.

Daarbij verzoekt de minister uw rechtbank om in de einduitspraak op twee kwesties terug te komen op de tussenuitspraak, nu deze berusten op een evident onjuiste waardering van de feiten.

Allereerst stelt uw rechtbank in rechtsoverweging 28 dat de REK-check geen verband houdt met de beoordeling van het refoulementsrisico. Dit berust op een misvatting. Zoals blijkt uit de Vakbijlage REK-check, wordt in het kader van de REK-check ook aandacht besteed aan de wijze waarop het onderzoek is verricht en de daarmee verbonden risico’s voor de vreemdeling.

Voorts stelt uw rechtbank in rechtsoverweging 28 dat nog geen informatie door de Minister van Buitenlandse Zaken bekend is gemaakt over de wijze waarop het onderzoek in Pakistan heeft plaatsgevonden. Ook dit berust op een misvatting. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft uw rechtbank op 23 januari 2023 de betreffende onderliggende ongelakte documenten verstrekt. Daaronder bevindt zich ook het onderzoeksverslag, dat een compleet beeld schetst van de precieze wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden. Bijgevolg is de “informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen” in de zin van artikel 23, lid 1, van richtlijn 2013/32 en zoals uitgelegd in het arrest Multan van 26 januari 2026 (C-431/24) reeds aan uw rechtbank overgelegd.
(…)”.

12. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.

13. Verweerder heeft, ondanks de opdracht daartoe in de tussenuitspraak, -kennelijk- geen kennis genomen van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en van de informatie over de wijze waarop BuZa het onderzoek in Pakistan heeft verricht. Eiser heeft om internationale bescherming verzocht en doordat verweerder niet van het gehele dossier kennis heeft genomen, is de beschermingsbehoefte reeds hierdoor niet grondig genoeg onderzocht en is (het handhaven van) het besluit onzorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. De rechtbank zal reeds daarom het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen om opnieuw op de opvolgende aanvraag van eiser te beslissen.

14. De rechtbank heeft gelet op het arrest Multan in de onderhavige procedure op 31 maart 2026 kennisgenomen van de stukken die door BuZa met een beroep op de 8:29 Awb-procedure zijn overgelegd. De rechtbank kan de inhoud van deze stukken niet integraal weergeven in de onderhavige uitspraak gelet op de eerdergenoemde beslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb, die de rechtbank op 23 februari 2023 heeft genomen. De rechtbank volstaat daarom met de navolgende overwegingen over deze stukken.

15. De rechtbank stelt allereerst vast dat het door BuZa overgelegde onderzoeksverslag -anders dan verweerder stelt- geen ‘compleet beeld schetst van de precieze wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden’, maar slechts een summiere weergave bevat van enkele activiteiten die de vertrouwenspersoon ter plaatse heeft verricht. De stelling van verweerder, zonder overigens kennis te hebben genomen van dit onderzoeksverslag, dat “informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen” in de zin van artikel 23, lid 1, van richtlijn 2013/32, reeds is overgelegd, is dan ook niet (helemaal) juist.

16. De rechtbank heeft in de verwijzingsuitspraak gedetailleerd beschreven wat de voor de onderhavige procedure relevante passages van de “Vakbijlage REK-check” zijn en heeft een deel van de inhoud van de “Werkinstructie Ambtsberichten van Buitenlandse Zaken” van juli 2023 weergegeven. Anders dan verweerder veronderstelt, blijkt uit de stukken niet dat overeenkomstig de Vakbijlage en de werkinstructie is gehandeld en blijkt evenmin dat is voldaan aan de REK-check-criteria. De rechtbank stelt vast dat uit het summiere onderzoeksverslag namelijk niet blijkt op welke wijze ervoor is gezorgd dat het onderzoek qua inhoud en procedure zorgvuldig en inhoudelijk inzichtelijk tot stand is gekomen. Weliswaar is wel gebruik gemaakt van het sjabloon ‘asielgerelateerd onderzoek’, maar op zichzelf biedt dit nog niet voldoende waarborgen. In ‘paragraaf 4.1 ‘randvoorwaarden’ in de werkinstructie is bepaald dat onderzoek naar informatie die van belang is voor de beoordeling van een asielverzoek geen nadelige gevolgen mag hebben voor de veiligheid van de asielzoeker bij eventuele terugzending en dat ook de familie, vrienden en bekenden van de asielzoeker die is achtergebleven in het herkomstland, niet in gevaar mag worden gebracht. Gelet op de inhoud van het onderzoeksverslag acht de rechtbank het zonder meer noodzakelijk dat daaruit duidelijk naar voren had moeten komen welke voorzorgsmaatregelen genomen zijn om te voorkomen dat de link met Nederland en/of asiel in relatie tot eiser bekend wordt. De rechtbank stelt vast dat deze toelichting ontbreekt.

17. In de Vakbijlage REK-check is het navolgende weergeven over REK-checkcriteria:

“(…)
Uitgangspunt is dat in een asielzaak de identiteit van betrokkene niet in een relatie tot (een asielverzoek in) Nederland bij de (gestelde) vervolgende autoriteiten (in het land van herkomst) bekend mag worden gemaakt. Een asielzoeker mag nimmer gevaar lopen ten gevolg van een onderzoek. In principe dient daarom gebruik te worden gemaakt van een vertrouwenspersoon die niet aangeeft het onderzoek te verrichten in opdracht van de Nederlandse overheid. De onderzoeken betreffen immers personen over wie nog niet is vastgesteld of ze vluchteling zijn.
TOELT kijkt bij de beoordeling van een individueel ambtsbericht naar de volgende punten:
-Onderbouwing. Wordt het ambtsbericht voldoende inhoudelijk onderbouwd door de onderliggende stukken? Is de inhoud van het ambtsbericht volledig terug te vinden in de onderliggende stukken? Hoe stelliger de verwoording in het ambtsbericht, hoe beter gemotiveerd de informatie in de onderliggende stukken moet zijn.
-Inzichtelijkheid en consistentie. Is het ambtsbericht voldoende inzichtelijk, niet intern tegenstrijdig, niet tegenstrijdig met een vorig ambtsbericht in dezelfde zaak, en zo ja wordt uitgelegd waarom, en niet voor meerdere uitleg vatbaar?
-Volledigheid. Worden de vragen van de aanvrager van het ambtsbericht voldoende beantwoord en/of worden alle vragen beantwoord, en indien dat niet zo is wordt aangegeven waarom niet?
-Zorgvuldigheid. Is de methode van onderzoek zorgvuldig geweest? Hoe is de informatie verzameld, welke bron(nen) is (zijn) geraadpleegd en hoe is (zijn) deze benaderd?
(…).”

18. De rechtbank stelt na de kennisname van de onderliggende stukken vast dat de inhoud van het individuele ambtsbericht niet voldoende wordt gedragen door deze stukken, dat niet inzichtelijk is hoe tot de (diverse deel)conclusies is gekomen, dat de vragen van de aanvrager onvoldoende worden beantwoord en dat de methode van onderzoek onvoldoende zorgvuldig en niet volledig is geweest. Dit betekent dat verweerder het individueel ambtsbericht niet ten grondslag kan leggen aan de afwijzing van de opvolgende aanvraag van eiser.

19. De rechtbank overweegt voorts dat uit de wijze van onderzoek, zoals deze uit het onderzoeksverslag blijkt, volgt dat niet is gewaarborgd dat de identiteit van betrokkene niet bij de actor van dreiging met geweld in het land van herkomst waarvoor eiser stelt te vrezen bekend is geraakt. Gelet op de wijze waarop het onderzoek in Pakistan heeft plaatsgevonden en zoals dit uit het onderzoeksverslag blijkt, kan niet kan worden uitgesloten dat het onderzoek naar informatie die van belang is voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming op zichzelf, een risico voor eiser bij terugkeer tot gevolg heeft. In de kopie van de Fatwa die aan BuZa is verstrekt, zijn ook de namen van de zus en de vader van eiser vermeld. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiser in het eerste gehoor dat op 17 december 2014 in zijn eerste asielprocedure heeft plaatsgevonden heeft verklaard dat zijn beide ouders christenen zijn en hij in een christelijke familie is geboren. Eiser heeft onder meer in het nader gehoor van 19 december 2014 verklaard dat ook zijn ouders werden bedreigd, waarbij bedreigingen zijn geuit dat zijn zus zou worden uitgeleverd en eiser zou worden gevonden. In de correcties en aanvullingen op dat gehoor is tevens vermeld dat de zus betrokken is bij het asielrelaas zoals eiser dat naar voren heeft gebracht. In het gehoor opvolgende aanvraag dat op 2 mei 2019 heeft plaatsgevonden, heeft eiser verklaard dat zijn zus in de Fatwa is genoemd omdat zij bevriend was met zijn vriendin en dat eiser en zijn zus gevaar lopen om te worden vermoord omdat een Fatwa een oproep is om hen te vermoorden. Eiser heeft in aanvulling daarop verklaard dat als de politie hen zou vinden, zij in de gevangenis zouden komen en eiser heeft dit verduidelijkt met een voorbeeld van iemand die in de gevangenis is geplaatst omdat zij iets zou hebben gezegd over de Islam. In dit gehoor opvolgende aanvraag is eiser gevraagd waar zijn zus op dat moment is. Eiser heeft op 2 mei 2019 verklaard dat hij haar vijf maanden geleden voor het laatst heeft gesproken, zij in Karachi verblijft, steeds van telefoonnummer wisselt en op dat moment nog zodanig problemen ondervond dat zij niet het graf van hun inmiddels overleden ouders kan bezoeken. Uit de stukken die verweerder heeft overgelegd blijkt niet of verweerder zich rekenschap heeft gegeven van de gevolgen die het onderzoek mogelijk zou kunnen hebben, bijvoorbeeld door na te gegaan of de zus van eiser ten tijde van het onderzoek door BuZa in Pakistan in de woonplaats die in de (kopie van de) Fatwa is vermeld verbleef. Nu verweerder, zoals eiser niet ten onrechte heeft aangevoerd, BuZa heeft verzocht een individueel ambtsbericht uit te brengen zonder eiser om toestemming te vragen en zonder eiser te informeren dat nader onderzoek in Pakistan zou plaatsvinden, is eiser ook zelf niet in de gelegenheid geweest om te verzoeken om hiervan af te zien vanwege mogelijke gevolgen voor zijn zus en/of voor hem. De rechtbank concludeert dat gelet op al deze omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat is voldaan aan de eerdergenoemde randvoorwaarde in de werkinstructie, in het bijzonder de voorwaarde dat onderzoek naar informatie die van belang is voor de beoordeling van een asielverzoek geen nadelige gevolgen mag hebben voor de veiligheid van de asielzoeker bij eventuele terugzending en dat ook de familie, vrienden en bekenden van de asielzoeker die is achtergebleven in het herkomstland, niet in gevaar mag worden gebracht.

20. De rechtbank kan op dit moment niet voldoende grondig onderzoeken of de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden in Pakistan meebrengt dat eiser een zodanig risico bij terugkeer loopt dat hij reeds daarom in aanmerking moet worden gebracht voor internationale bescherming. Zij hecht daarbij nadrukkelijk betekenis aan de omstandigheid dat eiser zijn verdedigingsrechten niet volledig in lijn met de genoemde arresten van het Hof heeft kunnen uitoefenen. Gelet op de omstandigheid dat het onderzoek in zijn land van herkomst heeft plaatsgevonden, is bij uitstek zijn standpunt over de mogelijke gevaarzetting door dit onderzoek relevant voor deze door de rechtbank te verrichten risicobeoordeling. Verweerder dient hierover op zijn beurt –na kennisname van de stukken zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft bepaald- een nader standpunt in te nemen in zijn nieuw te nemen besluit. Eiser heeft tevens inhoudelijke beroepsgronden aangevoerd die zien op de inhoud van het individueel ambtsbericht zoals dat aan hem is verstrekt. De rechtbank acht het niet opportuun om deze gronden te beoordelen alvorens eiser zijn verdedigingsrechten volledig heeft kunnen uitoefenen en alsnog met tussenkomst van een ‘special advocate’ van de onderliggende stukken en het gehele dossier kennis heeft kunnen nemen.

21. De rechtbank is verder van oordeel dat de beroepsgrond van eiser dat verweerder zijn opvolgende aanvraag niet in overeenstemming met het Unierecht heeft beoordeeld, slaagt. Het Hof heeft immers in het arrest van 10 juni 2021 in de zaak L.H. tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (C‑921/19, ECLI:EU:C:2021:478) het navolgende voor recht verklaard:

“(…)
1) Artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale wetgeving volgens welke elk document dat door een persoon die om internationale bescherming verzoekt ter staving van een volgend verzoek is overgelegd, automatisch wordt beschouwd als een document dat geen „nieuw element of nieuwe bevinding” in de zin van deze bepaling is, wanneer de authenticiteit van dit document niet kan worden vastgesteld of de bron van een dergelijk document niet objectief verifieerbaar is.

2) Artikel 40 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/95, moet aldus worden uitgelegd dat, ten eerste, de beoordeling van de bewijzen die worden overgelegd ter staving van een verzoek om internationale bescherming niet verschillend mag zijn naargelang het gaat om een eerste verzoek of een volgend verzoek en, ten tweede, een lidstaat gehouden is samen te werken met een verzoeker bij de beoordeling van de relevante elementen van diens volgende verzoek als de verzoeker ter staving van dat verzoek documenten overlegt waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld”.

22. De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest LH heeft verduidelijkt dat documenten die een opvolgende aanvraag staven maar waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld of waarvan de bron niet objectief verifieerbaar is, niet zonder deze documenten te beoordelen terzijde mogen worden gelegd. Het Hof heeft tevens uitgelegd dat -kort gezegd- de beoordeling van bewijsmiddelen en de samenwerkingsplicht van verweerder in opvolgende procedures niet minder of anders kan zijn dan in een eerste asielprocedure. Het Hof heeft in haar arrest van 13 juni 2024 in de zaak SN en LN deze uitlegging herhaald en verder verduidelijkt en onder meer voor recht verklaard dat de autoriteit die uitspraak doet over de gegrondheid van een volgend verzoek om internationale bescherming, gehouden is de ter staving van dat verzoek aangevoerde feitelijke elementen te onderzoeken, ook wanneer deze feiten reeds zijn beoordeeld door de autoriteit die een eerste verzoek om internationale bescherming definitief heeft afgewezen.

23. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, Vw juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw en heeft de opvolgende aanvraag dus inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank overweegt dat indien een opvolgende aanvraag inhoudelijk wordt beoordeeld, dit meebrengt dat verweerder alle overgelegde documenten en overige bewijsmiddelen integraal en in onderlinge samenhang moet beoordelen om de beschermingsbehoefte te onderzoeken. Dat een eerder besluit is gecontroleerd door de rechter en in rechte vaststaat betekent – anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft aangenomen - dus niet dat de onderliggende feiten en omstandigheden ook vaststaan. Indien alle bewijsmiddelen moeten worden beoordeeld op de wijze die het Hof uiteen heeft gezet in de arresten LH en SN en LN, kan dit een ander licht werpen op eerder aangenomen feiten en omstandigheden. De zogenoemde schotten tussen de procedures vallen dan ook weg en verweerder zal alle bewijsmiddelen moeten beoordelen als ware deze overgelegd in één procedure. Verweerder heeft in zijn besluit onder meer het navolgende vermeld:

“(…)
Daar komt bij dat, zoals reeds verwoord in het voornemen, de problemen op het werk van betrokkene in de vorige procedure ongeloofwaardig zijn geacht, hetgeen in rechte vast staat. Aangezien betrokkene voortborduurt op deze ongeloofwaardig geachte problemen, kan de fatwa niet tot een ander oordeel leiden. Verder is de opsteller van de fatwa Mufti Fareed geen objectieve en verifieerbare bron en zijn er redenen om te twijfelen of Mufti Fareed wel het gezag heeft een dergelijke Fatwa op te stellen. Daarnaast is gebleken dat de bekendheid en invloed van Mufti Fareed niet verder reikt dan enkele wijken in Rawalpindi, Pakistan. De stelling van betrokkene dat hij op grond van de door Mufti Fareed uitgesproken fatwa te vrezen heeft in Pakistan, kan daarom niet worden gevolgd.

Voorts wijst betrokkene naar de bevestiging van legalisatie en het krantenartikel welke opgestuurd zijn naar Bureau Documenten. (…) Hiertoe wordt overwogen dat Bureau Documenten geconcludeerd heeft dat er voor beide documenten onvoldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal beschikbaar is. Voor wat betreft de echtheid, opmaak, afgifte en inhoud kan voor beide documenten geen uitspraak gedaan worden. Nu betrokkene met zijn verklaringen over de fatwa en de gestelde problemen nog altijd niet weet te overtuigen, kunnen de overgelegde documenten niet tot een ander oordeel leiden dan reeds verwoord in het voornemen. (…)
(…)”.

24. Eiser voert dan ook terecht aan dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het toetsingskader voor volgende verzoeken zoals dit uit de bovengenoemde arresten van het Hof volgt. Verweerder heeft weliswaar van elk document “iets gevonden”, maar een integrale beoordeling van alle documenten en bewijsmiddelen in onderlinge samenhang heeft niet plaatsgevonden. Daargelaten dat het individueel ambtsbericht niet ten grondslag kan worden gelegd aan het bestreden besluit, zal verweerder deze integrale beoordeling van alle door eiser vanaf de eerste aanvraag aangedragen bewijsmiddelen dus alsnog moeten doen om de opvolgende asielaanvraag van eiser zorgvuldig en grondig te onderzoeken en zijn besluit op deze aanvraag aanvullend te motiveren. De rechtbank geeft verweerder daarbij nog mee dat eiser zich gezien de aangehaalde Hof-jurisprudentie eveneens terecht op het standpunt heeft gesteld dat verweerder, gelet op de onderzoeksbevindingen van Bureau Documenten, nader moet beoordelen of de documenten de verklaringen van eiser kunnen ondersteunen.
24. De rechtbank acht het verder niet opportuun om thans te beoordelen of eiser reeds op grond van het landgebonden beleid in aanmerking moe(s)t worden gebracht voor internationale bescherming. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat jegens eiser een Fatwa is uitgebracht. De rechtbank stelt in deze procedure vast dat verweerder het individueel ambtsbericht niet ten grondslag kan leggen aan zijn besluit en evenmin aan zijn standpunt dat eiser ook niet hoeft te vrezen bij terugkeer vanwege de Fatwa. Verweerder zal dit in zijn nieuw te nemen besluit opnieuw moeten beoordelen. Indien verweerder dan niet tot de conclusie komt dat aan eiser reeds vanwege de Fatwa of vanwege de wijze waarop BuZa het onderzoek in Pakistan heeft verricht internationale bescherming moet worden verleend, komt de vraag aan de orde of eiser aanspraken kan ontlenen aan het landgebonden beleid. Dit geldt ook voor de overige beroepsgronden die zien op de (geloofwaardigheids-)beoordeling van het asielrelaas.

26. Voor zover eiser in de onderhavige procedure aanvoert dat hij in verband met het individueel ambtsbericht op grond van de AVG het recht heeft om te weten op welke wijze zijn persoonsgegevens zijn verwerkt, met wie zijn persoonsgegevens zijn gedeeld en wat de juridische grondslag van de verwerking is geweest, verwijst de rechtbank naar de uitspraak de rechtbank Noord-Nederland van 28 maart 2024 waarin het beroep dat eiser in dat kader heeft ingediend gegrond is verklaard.

27. De rechtbank komt in de onderhavige procedure niet toe aan de beoordeling van de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en inreisverbod omdat verweerder opnieuw moet beoordelen of aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder in zijn nieuw te nemen besluit een actuele beoordeling zal moeten maken van het refoulementrisico, waarbij het aangewezen kan zijn om eiser opnieuw te horen over de gestelde evangeliserende activiteiten en over het zo mogelijk nieuw te nemen terugkeerbesluit. Indien verweerder na een hernieuwde beoordeling die hij moet verrichten met hetgeen in de uitspraken in de onderhavige procedure is overwogen, tot de conclusie komt dat eiser niet in aanmerking komt voor internationale bescherming, zal verweerder ook actueel moeten beoordelen of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen aan de vaststelling van het terugkeerbesluit in de weg staan.

28. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en zal daarom een proceskostenveroordeling uitspreken. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage bij dit Besluit.
De rechtbank stelt de proceskosten als volgt vast:

Instellen beroep 1 punt
Zitting rechtbank 18 april 2024 1 punt
Schriftelijke reactie na zitting 0,5 punt
Schriftelijke opmerkingen Hof 2 punten
Zitting rechtbank 20 februari 2026 1 punt
Schriftelijke reactie na zitting 0,5

De rechtbank kent aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe zoals bedoeld in Bijlage onder C1. omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”.

De waarde per punt is gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht Bijlage B1.2. € 934,-. Dit betekent dat de rechtbank een bedrag van € 8.406,- (6 punten x 1,5 x 934,-) zal toekennen voor bovengenoemde verrichte proceshandelingen.




Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het besluit van 31 mei 2022 en draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 8.406,-.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.M.J. Clermonts, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 april 2026.




Rechtsmiddel

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.


NL22.10458, niet gepubliceerd.


ECLI:NL:RBLIM:2024:3570, niet gepubliceerd.


Arrest van het Hof van 10 juni 2021, in de zaak C-921/19, LH tegen de Staatssecretaris van Justitie, ECLI:EU:C:2021:478.


NL22.10458, niet gepubliceerd.


De Afdeling heeft in haar eerder genoemde uitspraak van 2 oktober 2019 geoordeeld dat eiser niet geacht wordt de originele Fatwa te kunnen overleggen gelet op de aard van een Fatwa, ECLI:NL:RVS:2019:3336.


Arrest van het Hof van 22 september 2022 in de zaak GM tegen Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság, Alkotmányvédelmi Hivatal, Terrorelhárítási Központ, C-159/21, ECLI:EU:C:2022:708.


NL22.10458, niet gepubliceerd.


Arrest van het Hof in de zaak Multan, C-431/24, ECLI:EU:C:2026:53.


NL22.10458, niet gepubliceerd.


C‑563/22, ECLI:EU:C:2024:494.


ECLI:NL:RBNNE:2024:1214.
Link naar deze uitspraak