Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:2315 
 
Datum uitspraak:14-04-2026
Datum gepubliceerd:21-04-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:24/4044E en 25/292
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Dit is de einduitspraak op het beroep tegen de gefaseerde omgevingsvergunning voor het wijzigen van een varkenshouderij en de bouw van een nieuwe stal aan de Lagedijk 1a in Beek en Donk. Eiseres is het niet eens met de omgevingsvergunning. In deze einduitspraak oordeelt de rechtbank dat het college de gebreken die zijn geconstateerd in de tussenuitspraak van 10 oktober 2025 (ECLI:NL:RBOBR:2025:6286) heeft hersteld.
Trefwoorden:bedrijfswoning
fijnstof
omgevingsvergunning
varkenshouderij
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 24/4044E en SHE 25/292

einduitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaken tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. R. Scholten),

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek, het college
(gemachtigden: [naam] en [naam]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [vestigingsplaats] (de vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij).


Samenvatting

1. Dit is de einduitspraak op het beroep tegen de gefaseerde omgevingsvergunning voor het wijzigen van een varkenshouderij en de bouw van een nieuwe stal aan de Lagedijk 1a in Beek en Donk. Eiseres is het niet eens met de omgevingsvergunning. In deze einduitspraak oordeelt de rechtbank dat het college de gebreken die zijn geconstateerd in de tussenuitspraak van 10 oktober 2025 (verder: de tussenuitspraak) heeft hersteld. Na een schets van het procesverloop en een samenvatting van de tussenuitspraak bespreekt de rechtbank het herstel van het college en de zienswijzen van eiseres. In de conclusie geeft de rechtbank het eindoordeel en de gevolgen.




Procesverloop

2. Met het besluit van 22 oktober 2024 heeft het college de omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit milieu verleend (het bestreden besluit 1). Met het besluit van 13 december 2024 heeft het college de omgevingsvergunning tweede fase voor de bouwactiviteit verleend (het bestreden besluit 2).


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen zowel het bestreden besluit 1 als het bestreden besluit 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 1 geregistreerd onder zaaknummer SHE 24/4044, en het beroep tegen het bestreden besluit 2 onder zaaknummer SHE 25/292.



2.2.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam] en de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college, [naam] namens vergunninghoudster samen met haar gemachtigde en ing. [naam].



2.4.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in de bestreden besluiten te herstellen.



2.5.
Bij brief van 25 november 2025 heeft het college een nadere motivering gegeven. Partijen hebben hierop gereageerd. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.





Beoordeling door de rechtbank

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.


3.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college terecht de bedrijfswoning beschouwt als een gevoelig object op meer dan 119 meter afstand, zodat hierin geen reden gelegen is om de gevraagde vergunning te weigeren of verdergaande maatregelen te verlangen. Het college heeft de kassen van het bedrijf van eiseres terecht niet aangemerkt als gevoelig object. Het college is echter niet nagegaan of de werkplaats en het kantoor als een zeer regelmatig gebruikte bebouwing kan worden aangemerkt en als gevoelig object als bedoeld in het toetsingskader. Vervolgens heeft het college onvoldoende beoordeeld of de afstand wordt overschreden en of er verdere maatregelen van vergunninghoudster kunnen worden gevergd. Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd. De overige beroepsgronden tegen bestreden besluiten 1 en 2 slagen niet. De rechtbank heeft het college de aanwijzing gegeven om te onderzoeken of de werkplaats en het kantoor als gevoelige objecten kunnen worden aangemerkt en (zo ja) op welke afstand deze objecten liggen. Als bij de objecten de advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden, zal het college moeten nagaan of verdergaande maatregelen ter beperking van de uitstoot van endotoxinen kunnen worden verlangd van vergunninghoudster.

4. Het college heeft aangegeven dat de werkplaats en het kantoor niet zijn aan te merken als gevoelige objecten in de zin van het endotoxinetoetsingskader 1.0. Het college wijst erop dat in dat toetsingskader geen sprake is van een zelfstandige beoordeling van het gebruik van bebouwingen, maar dat de vraag of sprake is van zeer regelmatig gebruikte bebouwingen nadrukkelijk is gekoppeld aan recreatieterreinen. Aangezien het terrein van eiseres niet kan worden gezien als een recreatieterrein was een nadere beoordeling van de werkplaats en het kantoor volgens het college niet aan de orde. Het college ziet ook in de voormalige regeling Beoordeling luchtkwaliteit een reden om geen nadere beoordeling noodzakelijk te achten. Hierin is aangegeven dat uit bijlage III, onder A, sub 2, van de Richtlijn luchtkwaliteit van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie (2008/50/EG) volgt dat op een locatie waar leden van het publiek geen toegang hebben en op bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen, waarop alle relevante bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk gelden, geen beoordeling van de naleving van de grenswaarden plaatsvindt. Het college leest een bevestiging hiervan in artikel 2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).



4.1.
Eiseres is van mening dat het college de aanwijzingen in de tussenuitspraak niet heeft gevolgd. Het college had aan de hand van de gemiddelde verblijfsduur moeten kijken of de werkplaats en het kantoor al dan niet hadden moeten worden aangemerkt als gevoelig object.



4.2.
Vergunninghoudster is het eens met de motivering van het college, en voegt daar aan toe dat hoe dan ook de situatie verbetert.



4.3.
De rechtbank oordeelt hierover het volgende. In het Endotoxinetoetsingskader 1.0 wordt bij de endotoxinebeoordeling in principe aangesloten bij de systematiek zoals die geldt voor de beoordeling van fijn stof. Deze systematiek is voor endotoxinen niet wettelijk vastgelegd. In specifieke omstandigheden kunnen er redenen zijn om van deze systematiek af te wijken. Het college merkt naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat er geen verplichting is om de luchtkwaliteit te beoordelen in de werkplaats en het kantoor van eiseres. Beide plaatsen zijn uitgezonderd in bijlage III, onder A, sub 2, van de richtlijn (2008/50/EG). Het college kon daarom naar het oordeel van de rechtbank volstaan met de verwijzing naar bijlage III, onder A, sub 2, van de richtlijn. De rechtbank leidt uit deze verwijzing af dat het college de werkplaats en het kantoor ziet als een reguliere arbeidsplaats die niet als gevoelig object in de zin van de richtlijn wordt beschouwd (hetgeen eiseres ook niet heeft aangevoerd) en dat er dus ook geen aanleiding is om te veronderstellen dat bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven van de algemene beoordelingssystematiek af te wijken. De rechtbank ziet, anders dan eiseres, niet in dat het college met deze aanvullende motivering niet de aanwijzingen uit de tussenuitspraak heeft gevolgd. Eiseres vindt dat het college de gemiddelde verblijfsduur in de werkplaats en het kantoor had moeten beoordelen. Die aanwijzing heeft de rechtbank in de tussenuitspraak echter niet gegeven. Indien eiseres de verblijfsduur in dit geval van belang acht, had eiseres die verblijfsduur ook zelf kunnen duiden. Het kantoor en de werkplaats behoren immers tot het bedrijf van eiseres. Eiseres heeft dat echter niet gedaan, en evenmin heeft zij onderbouwd waarom er wel specifieke omstandigheden zijn om van de algemene beoordelingssystematiek af te wijken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het college een beoordelingsruimte heeft bij de beoordeling van de gevolgen van endotoxinenuitstoot en dus ook bij de toepassing van het hiertoe geformuleerde beleidskader.

5. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college met de aanvullende motivering het gebrek heeft hersteld. De rechtbank zal, gelet op de tussenuitspraak, het beroep in de zaak SHE 24/4044 gegrond verklaren en het bestreden besluit 1 vernietigen. De rechtbank zal vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten. Dat betekent dat vergunninghoudster gebruik kan maken van de omgevingsvergunning. In de tussenuitspraak is reeds geoordeeld dat het beroep in de zaak SHE 25/292 ongegrond wordt verklaard.

6. Omdat het beroep in de zaak SHE 24/4044 gegrond wordt verklaard, moet het college het door eiseres in deze zaak betaalde griffierecht vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, en 0,5 punt voor de reactie op de aanvullende motivering met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1). In de zaak SHE 25/292 is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.





Beslissing

De rechtbank:



verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond;


vernietigt bestreden besluit 1;


laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand;


verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,00 aan eiseres moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,00 aan proceskosten aan eiseres.






Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Kleijn Hesselink en mr. J.J.H. van Kempen, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.













griffier



voorzitter






Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:RBOBR:2025:6286
Link naar deze uitspraak