|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2025:27919 | | | | | Datum uitspraak | : | 25-09-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 23-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | 691261 | | Rechtsgebied | : | Intellectueel-eigendomsrecht | | Indicatie | : | VRO-beschikking | | Trefwoorden | : | san | | | | Uitspraak | beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rekestnummer: C/09/691261/ KG RK 25-1237
Beschikking van 25 september 2025
in de zaak van
MERCK SHARP & DOHME B.V.,
te Haarlem,
verder te noemen: “de eisende partij”,
advocaat: mr. drs. G. Kuipers te Amsterdam,
tegen
de vennootschap naar vreemd recht HALOZYME INC.,
te San Diego, Verenigde Staten van Amerika,
verder te noemen: “de gedaagde partij”.
1Gegevens met betrekking tot het verzoek
Het verzoekschrift is ingekomen op 5 september 2025. Het betreft een verzoek van de eisende partij om verlof te verkrijgen om gedaagde partij in verband met een octrooigeschil inzake EP 2 797 622 te mogen dagvaarden conform het op www.rechtspraak.nl gepubliceerde procesreglement voor versnelde bodemprocedure in octrooizaken herziening 2023 (hierna: het VRO-reglement 2023).
De eisende partij is op 16 september 2025 in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting op het verzoek van 5 september 2025 te geven. De eisende partij heeft dit bij e-mailbericht van 16 september 2025 gedaan. Dit e-mailbericht is aan deze beschikking gehecht. Vervolgens is op 17 september 2025 een beschikking afgegeven, waarbij onder meer is bepaald dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 13 november 2026.
Bij e-mailbericht van 24 september 2025 heeft de eisende partij na aanpassing van haar verhinderdata een (aanvullend) verzoek gedaan voor een eerdere mondelinge behandeling met een aangepast processchema en – voor zover nodig – verzocht om verkorting van de dagvaardingstermijn. De voorzieningenrechter heeft het voorgestelde processchema gewijzigd toegewezen en een eerdere roldatum bepaald waartegen de gedaagde partij dient te worden gedagvaard, zodat de termijn tussen de datum van een eventuele CvAiR en de datum van de AHONP acht weken bedraagt. Gelet hierop wordt het verzoek om verkorting van de dagvaardingstermijn toegewezen onder de hierna vermelde voorwaarden. Met deze beschikking komt de beschikking van 17 september 2025 te vervallen.
2De beslissing
De voorzieningenrechter:
2.1.
Verleent mede gelet op artikel 117 Rv de eisende partij het gevraagde verlof en staat haar toe de gedaagde partij te dagvaarden tegen de terechtzitting van deze rechtbank van
woensdag 3 december 2025,
zulks met inachtneming van het navolgende:
2.2.
De eisende partij zal de dagvaarding uiterlijk doen uitbrengen op
woensdag 1 oktober 2025,
zulks in hoofdzaak volgens het ingezonden concept en onder betekening van de onderhavige beschikking.
Tevens zal de eisende partij uiterlijk op die datum de tekst van die dagvaarding en van deze beschikking per aangetekende post rechtstreeks aan de gedaagde partij dienen toe te zenden, alsmede per e-mailbericht aan de gedaagde partij.
2.3.
Ter zitting van
woensdag 3 december 2025,
zal de eisende partij, zo nodig onder verdere toelichting van de feiten en stellingen waarop een beroep wordt gedaan, alle producties waarop de eisende partij zich wil beroepen, alsmede een begrijpelijke inleiding op de techniek dienen over te leggen conform de artikelen 2.1. en 3.1. van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken (hierna: het Landelijk procesreglement). Daartoe zal, behoudens conform artikel 3.2. van het Landelijk procesreglement, geen verder uitstel worden verleend.
2.4.
Tevens zal de eisende partij deze producties op deze eerst dienende dag in het bezit dienen te hebben gesteld van de gedaagde partij.
2.5.
Vervolgens zal de zaak worden aangehouden tot de (rol)zitting van
woensdag 11 februari 2026,
op welke zitting de gedaagde partij zal moeten concluderen voor antwoord, waartoe geen verder uitstel zal worden verleend, eveneens onder overlegging van alle producties waarop gedaagde partij zich wil beroepen conform artikel 2.1. van het Landelijk procesreglement, terwijl de gedaagde partij deze conclusie met producties tevens op deze dag rechtstreeks in het bezit dient te hebben gesteld van de eisende partij.
2.6.
Indien de gedaagde partij bij antwoord tevens een eis in reconventie heeft ingesteld of (een) hulpverzoek(en) inroept, zal de eisende partij ter (rol)zitting van
woensdag 8 april 2026,
concluderen voor antwoord in reconventie respectievelijk bij akte reageren op het (de) ingeroepen hulpverzoek(en), waartoe geen verder uitstel zal worden verleend. Voor de bij antwoord in reconventie over te leggen producties is hetgeen onder 2.5 met betrekking tot de bij antwoord in conventie over te leggen producties is aangegeven van overeenkomstige toepassing. Aan na antwoord opgeworpen nietigheidsverweren zal de rechtbank voorbij kunnen gaan, indien de gedaagde partij daar gelet op de beginselen van hoor en wederhoor en de goede procesorde onvoldoende op kan reageren.
2.7.
Het uitgangspunt is dat nadere producties steeds in een zo vroeg mogelijk stadium rechtstreeks aan de (raadslieden van de) wederpartij en in enkelvoud aan de rechtbank via de rol dienen te worden ingezonden. Nadere producties kunnen, in afwijking van artikel 87 lid 6 Rv, uiterlijk worden ingediend ter (rol)zitting van
woensdag 3 juni 2026,
bij akte houdende overlegging nadere producties (AHONP) met daarin een korte toelichting waarin uitsluitend (i) de relevante passages in de producties worden aangewezen (voor zover dat niet al in de desbetreffende productie(s) zelf is gebeurd), en (ii) summier wordt aangeduid in verband waarmee de producties worden overgelegd. Deze toelichting dient niet het karakter van een conclusie te hebben.
2.8.
Na de onder 2.7 vermelde (rol)zitting kunnen uitsluitend nog producties worden overgelegd in reactie op de door de andere partij overgelegde nadere producties (AHONP). Deze producties moeten bij akte houdende overlegging reactieve producties (AHORP) worden ingediend, in enkelvoud en uiterlijk ter (rol)zitting van
woensdag 1 juli 2026,
eveneens voorzien van (uitsluitend) een beknopte toelichting als hiervoor bedoeld. Voor zover de AHORP meer inhoudt dan een reactie op de nadere producties, gaat de rechtbank daaraan in beginsel voorbij.
2.9.
Op incidenten, waaronder mede begrepen op artikel 223 Rv en de artikelen 194, 195 en 195a in verbinding met 1019a Rv gebaseerde vorderingen, wordt in beginsel tegelijk met het eindvonnis in de hoofdzaak beslist. Antwoord in een incident dient te worden genomen bij de eerste schriftelijke mogelijkheid nadat door de wederpartij het incident is opgeworpen (bij conclusie van antwoord indien de incidentele vordering is ingesteld bij dagvaarding en bij conclusie van antwoord in reconventie of akte als bedoeld in artikel 5.2 van het VRO-regelement 2023 indien de incidentele vordering is ingesteld bij conclusie van antwoord met respectievelijk zonder eis in reconventie). Als de partij die een incident opwerpt meent dat een uitzondering op deze hoofdregel is gerechtvaardigd en een tussentijdse beslissing is vereist, dient die wens met redenen omkleed kenbaar te worden gemaakt per e-mailbericht aan de rechtbank (bodemzaken.ie.dhg@rechtspraak.nl) – en dus niet (enkel) via de rol of in het betreffende processtuk – en aan de wederpartij (conform artikel 9 VRO-reglement 2023). De wederpartij kan op die wens commentaar leveren, eveneens per e-mailbericht, binnen 3 werkdagen. De termijn voor antwoord in het incident kan in dat geval op straffe van akte niet dienen in het incident conform artikel 2.5 van het Landelijk procesreglement worden gesteld op 2 weken. Uitsluitend wanneer de gedaagde partij een bevoegdheidsincident opwerpt op de dag dat hij in de procedure verschijnt en per e-mailbericht aan de rechtbank en aan de eisende partij van uiterlijk dezelfde datum vraagt om daarop voorafgaand aan de conclusie van antwoord bepaalde datum te beslissen (zie artikel 9.1 VRO-reglement 2023), is het uitgangspunt dat de rechtbank zo mogelijk binnen 2 weken na de laatste proceshandeling in het incident vonnis zal wijzen. Het opwerpen van een incident ontslaat een partij niet van de verplichting ten gronde te antwoorden (in conventie of reconventie) op de voor dat antwoord bepaalde termijn, op straffe van akte niet dienen.
2.10.
De mondelinge behandeling van de zaak zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie te Den Haag aan de Prins Clauslaan 60 op
vrijdag 31 juli 2026 om 10:00 uur.
2.11.
De eisende partij heeft toestemming verzocht om een dagvaarding uit te brengen met een maximum van 23.000 woorden in plaats van het in beginsel geldende maximum van 18.000 woorden, vanwege (1) de aard en omvang van het belang van de zaak en (2) het proactieve verweer tegen een dreigende reconventionele inbreukvordering in Nederland. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek als volgt toe. Deze beschikking is verleend onder de van artikel 2.5 onder a van het VRO-reglement 2023 afwijkende bepaling dat de dagvaarding maximaal 23.000 woorden mag beslaan, waarbij het aantal woorden dat de dagvaarding meer bestrijkt dan 21.000 woorden afgaat van het maximaal aantal toegestane woorden van een eventuele conclusie van antwoord in reconventie in het geval van een reconventionele inbreukvordering. De conclusie van antwoord in conventie mag in afwijking van artikel 4.3 van het VRO-reglement maximaal 21.000 woorden beslaan.
2.12.
Voor het overige geldt hetgeen is bepaald in het VRO-reglement 2023, waaronder in het bijzonder de voor de processtukken in acht te nemen maximale aantallen woorden, voor zover hiervan onder 2.11 niet is afgeweken, de wijze van indiening van stukken en de schriftelijke uitwisseling van pleitnota’s voorafgaand aan de mondelinge behandeling. VRO-zaken zijn vooralsnog uitgezonderd van de pilot digitaal procederen die loopt bij de rechtbank Den Haag.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025.
Zodra de dagvaarding is uitgebracht zal aan de zaak een eigen (van het zaak-/rekestnummer van deze verzoekschriftprocedure afwijkend) zaaknummer worden toegekend, die vanaf dan (in plaats van het nummer van de verzoekschriftprocedure) dient te worden vermeld op de processtukken van en correspondentie over de dagvaardingszaak. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|