|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:460 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-04-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 25/1148 ZW | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Weigering ZW-uitkering. Appellante heeft zich vanuit de WW met terugwerkende kracht ziekgemeld. Zorgvuldige medische onderbouwing. Appellante werd onveranderd geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies per datum nieuwe ziekmelding. De Raad oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. | | Trefwoorden | : | tuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1148 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 22 mei 2025, 24/4439 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 april 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering. Volgens appellante was zij door haar (medische) beperkingen niet in staat om haar eigen werk te verrichten zodat zij recht heeft op een ZW-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv appellante terecht geen ZW-uitkering heeft toegekend.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. K. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als horecamedewerkster voor gemiddeld 37,93 uur per week. Zij heeft met ingang van 21 februari 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. In het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) hebben een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De belastbaarheid van appellante is neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 april 2023. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar laatste werk maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 12 april 2023 de ZW-uitkering van appellante per 13 mei 2023 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld.
1.2.
Het Uwv heeft appellante per 13 mei 2023 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellante heeft zich op 11 januari 2024 opnieuw ziekgemeld per 13 mei 2023 met fysieke en psychische klachten. In verband hiermee heeft zij op 14 maart 2024 het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellante per 13 mei 2023 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies, productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053), productiemedewerker machinaal inpakken (SBC-code 111175), textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBCcode 111160), medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030), bezorger pakketten e.d. (auto) (SBC-code 111230), medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 11010). Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 18 maart 2024 geweigerd appellante per 13 mei 2023 een uitkering op grond van de ZW aan appellante toe te kennen.
1.3.
Bij besluit van 13 december 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische beoordeling van de primaire arts bevestigd, inhoudende dat appellante per 13 mei 2023 onveranderd geschikt is voor de functies die geduid zijn in het kader van de EZWb.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat (alleen) de vraag voorligt of appellante per 13 mei 2023 geschikt is voor ‘zijn arbeid’. Een beoordeling per 9 januari 2024 of de periode tussen 13 mei 2023 en 9 januari 2024, zoals appellante heeft betoogd, is niet aan de orde. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek door de (verzekerings)artsen volledig en zorgvuldig geweest. Het is de rechtbank niet gebleken dat er relevante aspecten van de gezondheidstoestand van appellante zijn gemist of dat de wijze van onderzoek ontoereikend is geweest. Uit wat appellante heeft aangevoerd volgt niet dat het onderzoek gebreken vertoont. Naar het oordeel van de rechtbank is bij het onderzoek terecht de datum in geding van 13 mei 2023 beoordeeld. De (verzekerings)artsen hebben daarbij inzichtelijk de beschikbare medische informatie betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van het medische standpunt van de (verzekerings)artsen. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht, dat in de medische rapporten van de (verzekerings)artsen gemotiveerd is beschreven dat appellante op de datum in geding dezelfde klachten ervaart als ten tijde van de EZWb en waarvoor in de FML van 11 april 2023 beperkingen zijn aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit de brief van 8 februari 2024 van Mindfit niet blijkt van de diagnoses van een heel zware burn-out en een depressie en dat, gelet op de informatie van Mindfit, in de FML van 11 april 2023 navolgbare beperkingen zijn aangenomen. Daarnaast is toegelicht dat appellante sinds vele jaren bekend is met aspecifieke rugklachten, maar dat hierbij geen afwijkingen zijn geobjectiveerd. De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de conclusie dat geen sprake is van feiten of omstandigheden die een nieuw licht werpen op de medische toestand en belastbaarheid van appellante op 13 mei 2023 en dat zij onveranderd geschikt is voor de functies van productiemedewerker industrie, wikkelaar en productiemedewerker machinaal inpakken.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft haar standpunt herhaald dat in het kader van de onderhavige ZW-beoordeling ook haar medische situatie in de periode van 13 mei 2023 tot 14 maart 2024 van belang is en die had moeten worden beoordeeld. Het is juist dat appellante zich per 13 mei 2023 heeft ziekgemeld, maar zij heeft die ziekmelding gedaan op 9 januari 2024 en het spreekuur van de primaire arts heeft pas op 14 maart 2024 plaatsgevonden. Volgens appellante had dit gegeven voor de primaire Uwv-arts reden moeten zijn om haar medische situatie op dat moment te beoordelen en moest die beoordeling dus zien over de gehele periode tussen 13 mei 2023 en 14 maart 2024. Appellante heeft in dat verband verwezen naar een uitspraak van de Raad van 22 september 2021. Appellante heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat er in deze periode sprake is geweest van een verslechtering in haar medische situatie op mentaal en fysiek vlak en de verzekeringsartsen haar mentale klachten en de daaruit voortvloeide beperkingen hebben onderschat.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
5.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een EZWb heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van een ZW-uitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én
2) op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de EZWb geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
5.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de (verzekerings)arts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de EZWb op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de EZWb geselecteerde functies.
5.4.
De grond dat bij de onderhavige beoordeling ook de medische situatie van appellante in de periode van 13 mei 2023 tot 14 maart 2024 van belang is, slaagt niet. Het Uwv heeft terecht het recht op een ZW-uitkering per 13 mei 2023 vastgesteld, omdat appellante zich per die datum heeft ziekgemeld. De rapporten van de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben dan ook terecht betrekking op die datum. Het beroep op de uitspraak van de Raad van 22 september 2021 slaagt niet. In het geval dat in die uitspraak aan de orde was, was sprake van een ziekmelding per 20 maart 2016 en was betrokkene per 31 mei 2016 door de verzekeringsarts arbeidsongeschikt geacht voor haar eigen werk. De vraag die in die zaak in hoger beroep voorlag was of het recht op uitkering op grond van de ZW over de periode van 20 maart 2016 tot 31 mei 2016, gelet op de beschikbare medische informatie, kon worden vastgesteld. De onderhavige zaak is daarmee niet vergelijkbaar.
5.5.
De overige gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven.
Conclusie en gevolgen
5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) G.T. Hunsel
CRvB 22 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2378.
CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|