|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:9724 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 24/8074 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Planschade. Afwijzing. Bollencompensatieplicht. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | paarden | | | perceel | | | planschade | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8074
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen
[eisers sub 1] en [eisers sub 2], uit [woonplaats],
eisers
(gemachtigde: mr. R.P.M. Duijndam),
en
het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk
(gemachtigde: mr. B.W. de Groot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag van eisers om tegemoetkoming in planschade. Eisers zijn het niet eens met die afwijzing. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk en het bestreden besluit blijft in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een aanvraag ingediend om tegemoetkoming in planschade. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 16 januari 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit op bezwaar van 27 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
Eisers hebben nadere stukken overgelegd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser [eisers sub 1] met zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam].
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers wonen aan de [adres] in [plaats]. Op 8 april 2022 hebben zij bij het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade. Zij stellen schade te ondervinden in de vorm van waardevermindering van hun perceel door inwerkingtreding van het [bestemmingsplan 1] op 23 juli 2017 (het nieuwe bestemmingsplan).
3.1.
Het college heeft voor de beoordeling van het verzoek de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) ingeschakeld. De SAOZ heeft een vergelijking gemaakt tussen [bestemmingsplan 2] (het oude bestemmingsplan) en het nieuwe bestemmingsplan. Onder het oude bestemmingsplan had het perceel van eisers de bestemming “Agrarisch gebied -A-” en waren de gronden voorts deels aangeduid als “Agrarisch bebouwingsvlak (met uitbreidingsrichting)”.
De SAOZ constateert dat het noordwestelijke gedeelte van het perceel van eisers in het nieuwe bestemmingsplan de bestemming “Wonen” heeft gekregen. Binnen die bestemming is geen bedrijfsbebouwing meer mogelijk, wat volgens de SAOZ een nadeliger situatie oplevert. Daar staat echter tegenover dat deze bestemming ruimte biedt aan twee burgerwoningen, met daaraan ondergeschikt aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, met een bed & breakfast als nevenfunctie met maximaal 4 kamers en 8 bedden. Deze wijziging levert volgens de SAOZ een duidelijk planologisch voordeel op dat het geleden nadeel volledig compenseert, zodat er per saldo voor het noordwestelijk deel van het perceel geen sprake is van planologisch nadeel.
Op de gronden gelegen aan de zuidoostelijke zijde van het perceel van eisers is met het nieuwe bestemmingsplan de bestemming “Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1” komen te rusten. Volgens de SAOZ zijn de gebruiksmogelijkheden van deze onbebouwde agrarische gronden niet vervallen of gewijzigd, omdat deze gronden zowel in de oude als in de nieuwe situatie in essentie een onbebouwde agrarische bestemming hadden. Voor dit deel van het perceel van eisers is volgens de SAOZ dan ook geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie. Dat – zoals eisers stellen – bij een wijziging van de bestemming thans een bollencompensatie moet worden betaald terwijl dat onder het oude bestemmingsplan niet was vereist, is volgens de SAOZ geen omstandigheid die in het kader van een aanvraag om vergoeding van planschade kan worden meegewogen.
De SAOZ constateert ten slotte dat het meest zuidoostelijk gelegen deel van het perceel van eisers in het nieuwe bestemmingsplan de bestemming “Bos” heeft gekregen. Volgens de SAOZ wordt doorgaans aan agrarische gronden een hogere waarde toegekend dan aan bosgronden, zodat voor dit deel van het perceel sprake zou kunnen zijn van een planologisch nadeel. De SAOZ stelt echter vast dat de betrokken gronden op de peildatum al grotendeels begroeid waren met oudere bomen waardoor de Boswet met zijn stelsel van rechten en plichten, zoals de herplantplicht bij kap, op die gronden van toepassing was. Volgens de SAOZ golden daarom ook onder het oude bestemmingsplan al zodanige beperkingen met betrekking tot het agrarisch gebruik van dit deel van het perceel, dat geen sprake is van een planologische verslechtering die heeft geleid tot een waardevermindering.
De SAOZ concludeert in haar advies – voor zover hier van belang – dat de planologische wijziging niet heeft geleid tot planschade die voor vergoeding in aanmerking komt.
3.2.
Het college heeft zich bij het advies van de SAOZ aangesloten en dit advies aan het primaire besluit ten grondslag gelegd. Met het bestreden besluit heeft het college het door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit ongewijzigd in stand gelaten.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. In dit geval is de aanvraag om tegemoetkoming in planschade ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Uit artikel 4.19, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat op de aanvraag daarom het oude recht van toepassing blijft.
4.1.
De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het advies van de SAOZ
5. Eisers twijfelen aan de onafhankelijkheid van de SAOZ en vinden dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat hieraan ernstige gebreken kleven. De aanvraag om tegemoetkoming in planschade dateert van 8 april 2022 en de SAOZ heeft pas op 31 augustus 2022 de situatie ter plaatse opgenomen. Het heeft vervolgens tot 17 augustus 2023 geduurd voordat een conceptadvies werd afgegeven. Eisers achten dat zeer onzorgvuldig en onbehoorlijk. Verder is het advies van de SAOZ volgens eisers gebrekkig, omdat de SAOZ zich beperkt tot de bouwmogelijkheden in de oude en nieuwe situatie, terwijl eisers geen bouwplannen hebben maar een deel van de gronden willen gebruiken als agrarisch natuurgebied. Daarnaast heeft de SAOZ onvoldoende rekening gehouden met bijkomende benadelende aspecten, waaronder in het bijzonder de ongeschiktheid van de gronden voor bollenteelt en de in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen bollengrondcompensatieplicht.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om thans anders te oordelen. Het college mag in beginsel op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
5.2.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het advies van de SAOZ onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dat het een aanzienlijke tijd heeft geduurd voordat de SAOZ een (concept)advies heeft uitgebracht is voor eisers vervelend, maar betekent op zichzelf nog niet dat de totstandkoming ervan onzorgvuldig is geweest. Anders dan eisers stellen, heeft de SAOZ zich bovendien in de planvergelijking niet beperkt tot de bouwmogelijkheden op het perceel, maar zijn daarin ook de gebruiksmogelijkheden onder het oude en nieuwe bestemmingsplan beoordeeld. Daarnaast is de SAOZ ingegaan op de stellingen van eisers over de ongeschiktheid van de gronden voor bollenteelt en de in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen bollencompensatieplicht. Dat eisers het niet eens zijn met de conclusies van de SAOZ betekent niet dat het advies onzorgvuldig tot stand gekomen is. Eisers hebben ook geen contra-expertise overgelegd die tot een ander oordeel zou kunnen leiden. Het betoog van eisers slaagt niet.
Is sprake van planologisch nadeel?
6. Eisers bestrijden het standpunt van het college dat zij geen planschade hebben geleden. Zij betogen dat een deel van hun perceel ten onrechte de bestemming “Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1” heeft gekregen. Dit deel van het perceel bestaat volgens eisers uit kleigrond in plaats van zandgrond, en is daarom niet geschikt en ook niet geschikt te maken voor bollenteelt. Dit betekent volgens eisers dat deze gronden niet benut kunnen worden overeenkomstig de nieuwe bestemming, waardoor deze onverkoopbaar en niet te verpachten zijn. Daarnaast is de bollencompensatieplicht die in het nieuwe bestemmingsplan is opgenomen volgens eisers een bron van schade. Op genoemde gronden willen eisers een agrarisch natuurgebied ontwikkelen met onder meer een voedselbos ten behoeve van agro-toerisme. Daarvoor is – net als onder het oude bestemmingsplan – een wijziging van de bestemming of een afwijking van het bestemmingsplan nodig. Volgens eisers dienen zij hiervoor, anders dan onder het oude bestemmingsplan, nu een aanzienlijk bedrag aan bollencompensatie te voldoen. Eisers betogen dat daarmee geen sprake is van een consoliderend bestemmingsplan, maar van een verzwaring van de bestemming die tot waardevermindering van hun perceel heeft geleid. De foutieve bestemmingswijziging en de daaraan gekoppelde bollencompensatieplicht zorgen er volgens eisers voor dat het voor hen onmogelijk en onbetaalbaar is geworden om deze gronden op de door hen gewenste wijze te gebruiken.
7. Het college heeft zich, onder verwijzing naar het advies van SAOZ, op het standpunt gesteld dat de nieuwe bestemming “Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1” geen planologisch nadeel voor eisers oplevert. Daarnaast is de in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen bollencompensatieplicht volgens het college geen oorzaak van planschade die voor vergoeding in aanmerking komt. Het gaat hierbij volgens het college niet om schade die door een wijziging van het bestemmingsplan is ontstaan.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade wordt onderzocht of de aanvrager als gevolg van de wijziging van het planologische regime, die door de aanvrager als oorzaak van de schade is gesteld, in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt voor de desbetreffende gronden een vergelijking gemaakt tussen deze wijziging en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat op grond van het oude en nieuwe planologische regime is toegestaan, ongeacht of, en zo ja in hoeverre, deze planologische mogelijkheden zijn benut.
7.2.
Voor zover eisers betogen dat aan het zuidwestelijke deel van hun perceel ten onrechte de bestemming “Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1” is toegekend, leidt dit betoog niet tot het daarmee beoogde resultaat. De vraag of aan deze gronden in het nieuwe bestemmingsplan de juiste bestemming is toegekend, kan niet aan de orde komen in deze planschadeprocedure. Eisers hadden het toekennen van deze bestemming aan hun gronden desgewenst ter discussie kunnen stellen in een beroepsprocedure tegen de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan. Nu dit nieuwe bestemmingsplan onherroepelijk is, moet van de rechtmatigheid daarvan worden uitgegaan. In de planvergelijking is het college daarom terecht van de bestemming “Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1” uitgegaan.
7.3.
Over de gebruiksmogelijkheden van de onbebouwde agrarische gronden heeft de SAOZ geconcludeerd dat die onder het oude en nieuwe bestemmingsplan in essentie vergelijkbaar zijn. In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college zich niet bij deze conclusie heeft mogen aansluiten.
De omstandigheid dat bollencompensatie moet worden afgedragen bij wijziging van de bestemming “Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1”, heeft de SAOZ terecht buiten beschouwing gelaten bij de gemaakte planvergelijking. De bollencompensatieplicht levert als zodanig geen beperking van de gebruiksmogelijkheden van de onbebouwde agrarische gronden van eisers op. Deze bollencompensatie komt immers pas in beeld als eisers hun perceel in afwijking van de hierop rustende bestemming zouden willen gebruiken. De bollencompensatieplicht is een voorwaarde die in het nieuwe bestemmingsplan is gekoppeld aan de bevoegdheid van het college om de bestemming “Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1” te wijzigen. Deze wijzigingsbevoegdheid kan op grond van artikel 43.5 van het nieuwe bestemmingsplan pas worden benut nadat een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de bollencompensatie conform de compensatieregeling bollenteeltgebied zoals opgenomen in de provinciale verordening. Dat – zoals eisers stellen – onder het oude bestemmingsplan ruimere wijzigingsmogelijkheden bestonden omdat bij een wijziging van het bestemmingsplan toen nog geen bollencompensatieplicht gold, is geen omstandigheid waarmee rekening gehouden moest worden in de planvergelijking. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling dient een in het bestemmingsplan opgenomen, niet gebruikte wijzigingsbevoegdheid, bij de maximale invulling van dat bestemmingsplan namelijk buiten beschouwing te worden gelaten. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank eens te meer in de situatie waarin een wijzigingsbevoegdheid uit het oude bestemmingsplan in het nieuwe bestemmingsplan niet geheel is vervallen, maar aan nadere voorwaarden is verbonden.
Het betoog van eisers slaagt niet.
7.4.
Gelet op het voorgaande heeft het college zich met verwijzing naar het advies van de SAOZ op het standpunt mogen stellen dat eisers geen planologisch nadeel hebben geleden door de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan. Het college heeft de aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in planschade reeds hierom terecht afgewezen. Wat eisers voor het overige hebben aangevoerd behoeft daarom geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen proceskosten voor de behandeling van het beroep.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving
Wet ruimtelijke ordening
Artikel 6.1
1. Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
2. Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:
a. een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid;
(…).
[bestemmingsplan 1]
Artikel 3.1.
De voor “Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. de uitoefening van een bollenteeltbedrijf zoals genoemd in artikel 1 lid 1.11 onder b;
(…).
Artikel 43.5
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen van gronden ter plaatse van de bestemmingen als bedoeld in artikel 3 tot en met 11, ten behoeve weiden met blaarkoppen en/of paarden, kruidenvelden, wandelpaden en natuur, ten behoeve van de versterking van een heterogeen landschap, met dien verstande dat:
a. (…);
b. (…);
c. (…);
d. een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de bollencompensatie conform de compensatieregeling bollenteeltgebied zoals opgenomen in de provinciale verordening.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3302, onder 7.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6322.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:3690), onder 10.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|