Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBOBR:2026:2760 
 
Datum uitspraak:30-04-2026
Datum gepubliceerd:30-04-2026
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:25/3790T en 26/145
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Een agrariër verzet zich tegen de aanscherping van een voorschrift door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel op grond van artikel 3.97 van het Bkl. Deze aanscherping brengt hogere kosten met zich mee. In deze tussenuitspraak beslist de voorzieningenrechter ook op het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. De afweging van het college is onvoldoende. Het college krijgt de kans dit te herstellen nadat de deskundige van de rechtbank een advies heeft uitgebracht.
Trefwoorden:ammoniakemissie
bestemmingsplan
omgevingsvergunning
stallen
stalsysteem
veehouderij
wabo
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 25/3790T en SHE 26/145

tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: [naam]),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel, het college
(gemachtigde: mr. E.C.S.F. Frenken en mr. T.J.H. Verstappen).


Samenvatting
Deze uitspraak gaat over een ambtshalve wijziging van een voorschrift van de omgevingsvergunning van de [naam] op de locatie [adres] te [vestigingsplaats] in een besluit van 11 november 2025. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft hiertegen beroep aangetekend en verzoekt om een voorlopige voorziening. In deze tussenuitspraak beslist de voorzieningenrechter ook op het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en doet een tussenuitspraak in de hoofdzaak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.



Procesverloop
1. Het college heeft met het besluit van 11 november 2025 ambtshalve het voorschrift 3.6.4 dat is verbonden aan de omgevingsvergunning van 11 maart 2021 gewijzigd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dat is geregistreerd onder zaaknummer SHE 25/3790. Daarna heeft eiser de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/145.


1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam] en de gemachtigde alsmede de gemachtigden van het college.




Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.


Bij besluit van 24 december 2020 heeft het college aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, afwijken van het bestemmingsplan, milieu en natuur als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, c, e, en i van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor het wijzigen van een veehouderij aan de [adres] te [vestigingsplaats] en het uitbreiden van deze veehouderij met een vleesvarkensstal. Ten behoeve van deze omgevingsvergunning heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS) een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven op 23 december 2020 voor de activiteit natuur. Stal 6 wordt voorzien van een biologische combiluchtwasser (BWL 2010.02.V6). Stallen 4 en 5 worden eveneens voorzien van een biologische combiluchtwasser (BWL 2009.12.V4). Alle stallen zijn gebouwd en in gebruik genomen.


Tegen deze omgevingsvergunning (inclusief de aanpassingen) is beroep ingesteld door een milieuorganisatie. Het beroep was uitsluitend gericht tegen de vvgb en de op basis daarvan verleende toestemming voor de activiteit natuur (ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht (Bor).


- In de uitspraak van 24 mei 2022 (SHE 21/386) heeft de rechtbank de omgevingsvergunning vernietigd voor zover het college had nagelaten te borgen dat geen sprake is van een toename van ammoniakemissie. De rechtbank heeft, in overleg met partijen, onderstaande voorschriften aan deze vergunning verbonden en bepaald dat deze voorschriften in de plaats treden van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd.

Voorschrift 3.4.4: “In de ziekenboeg mogen maximaal 10 dieren tegelijkertijd aanwezig zijn."

Voorschrift 3.6.1 wordt aangevuld met de volzin: “Het bevoegd gezag kan hierbij aanwijzingen geven over de situering van Ph-sensoren.”

Voorschrift 3.6.3: “Het luchtwassysteem in stallen 4, 5 en 6 moet in gebruik worden gehouden conform de controle en aanwijzingen van het bevoegd gezag. De inrichtinghouder dient de werking van het systeem 1x per week te controleren en in een logboek vast te leggen. Eventuele aanpassingen of reparaties moeten (kort) worden beschreven en ook in het logboek worden vastgelegd.”

Voorschrift 3.6.4: “Zes maanden na ingebruikname van de stallen dient de inrichtinghouder de resultaten van een ammoniakverwijderingsrendementsmeting van het luchtwassysteem van stallen 4, 5 en 6 te overleggen. Deze meting dient ieder jaar te worden herhaald.”
De uitspraak is onherroepelijk.


2.1.
Op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingsrecht geldt de omgevingsvergunning van 11 maart 2021 als een vergunning voor de milieubelastende activiteit.

3. Het college heeft besloten het bij de uitspraak van 24 mei 2022 door de rechtbank aan de vergunning verbonden voorschrift 3.6.4 te vervangen door het volgende voorschrift.
1. RENDEMENTSMETING


1.1

Algemeen


1.1.1

De ammoniakconcentratie in zowel in- als uitgaande lucht van de luchtwassers van de stallen 4, 5 en 6 dienen continu gemeten te worden door middel van permanent aanwezige ammoniaksensoren die geplaatst zijn op een representatieve monstername geschikte locatie. De metingen van deze sensoren dienen te worden bijgehouden in een elektronisch logboek en op verzoek van een toezichthouder terstond getoond te worden;


a. indien continumetingen niet mogelijk zijn dient op één van onderstaande wijzen periodiek het ammoniakverwijderingsrendement bemeten te worden:


i. een jaarlijkse ammoniakverwijderingsrendementsmeting van de luchtwassers van de stallen 4, 5 en 6 uitgevoerd door een daartoe
geaccrediteerd
bedrijf conform de NEN- EN-ISO/IEC 17025 of NEN-EN-ISO/IEC 17020. Binnen 3 maanden na het nemen van dit besluit dienen de resultaten van een ammoniakverwijderingsrendementsmeting van de luchtwassystemen overgelegd te worden. In de rapportage van de jaarlijkse


ammoniakverwijderingsrendementsmeting dienen behalve de door de NEN-ISO 15259 voorgeschreven aspecten ook onderstaande aspecten te worden opgenomen:

 Omschrijving stallen/afdelingen, oriëntatie N/Z;
 Het aantal landbouwhuisdieren met gemiddeld gewicht en bezetting tijdens de meting;
 Mestroosteroppervlak/mestbesmeurd oppervlak;
 Het aantal ventilatoren, de capaciteit hiervan en het hiermee gerealiseerde ventilatiedebiet;
 De klimaatinstellingen in de betreffende afdelingen;
 De parameters van het elektronisch monitoringssysteem;
 De weersomstandigheden (windrichting, windsnelheid; buitentemperatuur);
 Een monster van het waswater geanalyseerd door een geaccrediteerd bedrijf. Met hierin bepaald N-totaal, ammonium, nitriet en nitraat in gram per liter;

b. alle ammoniakverwijderingsrendementsmetingen dienen bij een representatieve bedrijfssituatie uitgevoerd te worden;


c. Alle ammoniakverwijderingsrendementsmetingen dienen volgens een actueel meetprotocol/handleiding behorende bij het meetmedium uitgevoerd te worden. Dit meetprotocol/handleiding moet beschikbaar zijn bij een controle van een toezichthouden.


Het college heeft het besluit voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure en heeft een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Eiser heeft op 28 juli 2025 een zienswijze ingediend. Het college heeft deze zienswijze betrokken bij het bestreden besluit.

4. Eiser voert – kort weergegeven – aan dat er geen gronden zijn om het nieuwe voorschrift op te leggen gelet op de inhoud van artikel 8.99 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Volgens hem heeft het college geen juridische mogelijkheden een andere ammoniakrendementsberekening te verlangen binnen het Bkl.. Uit artikel 8.99 van het Bkl volgt dat een voorschrift alleen mag worden gewijzigd als er een betere techniek beschikbaar is. Het bedrijf van eiser voldoet al aan BBT.




4.1.
Met het bestreden besluit worden aan de uitvoeringseisen voor het meten van het ammoniakverwijderingsrendement enkele aspecten toegevoegd waardoor beter wordt gewaarborgd dat de rendementsmeting een juist beeld geeft van de werking van de luchtwassers. Het college acht zich bevoegd om het vergunningvoorschrift te wijzigen gelet op artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Ow en artikel 8.97, eerste lid, van het Bkl. Een voorschrift kan worden gewijzigd op de gronden waarop een vergunning kan worden verleend. Daarom is bij het wijzigen van voorschriften voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit volgens het college het beoordelingskader van artikel 8.9 van het Bkl relevant. Tijdens toezicht is gebleken dat op basis van de in de uitspraak niet nader omschreven rendementsmeting niet met de vereiste zekerheid kan worden gesteld dat de aanwezige luchtwassers juist functioneren.



4.2.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het college heeft de bevoegdheid voor het wijzigen van de voorschriften gebaseerd op artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Ow en artikel 8.97, eerste lid, van het Bkl. Het college merkt terecht op dat artikel 8.99 van het Bkl geen rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Artikel 8.97, eerste lid van het Bkl bevat een uniforme regeling van de bevoegdheid om vergunningvoorschriften te wijzigen of de omgevingsvergunning in te trekken, op basis van de in hoofdstuk 8 genoemde gronden van het Bkl waarop een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit geweigerd had kunnen worden. Eenvoudiger gezegd: je kunt wijzigen als je had kunnen weigeren.
De voorschriften in de uitspraak van 14 mei 2022 zijn toegevoegd aan de voorschriften in de omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting, wat onder de Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is. Artikel 8.9, eerste lid, onder b, van het Bkl biedt de bevoegdheid de omgevingsvergunning te verlenen als emissies in de lucht, het water en de bodem en het ontstaan van afval door de activiteit worden voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, worden beperkt om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken. Het college heeft terecht gesteld dat dit beoordelingskader de bevoegdheid verschaft om voorschriften te wijzigen ter voorkoming of beperking van ammoniakemissies. De voorzieningenrechter voegt er wel aan toe dat het college een voorschrift wijzigt dat mede is gesteld in kader van de activiteit als bedoeld onder artikel 2.1, eerste lid onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa van het Bor, wat onder de Omgevingswet een Natura 2000-activiteit wordt genoemd. Daarom is bij het wijzigen van de voorschriften ook het beoordelingskader van artikel 8:74b van het Bkl van belang voor de verlening (en weigering) van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Ook dat beoordelingskader verschaft de bevoegdheid om voorschriften te wijzigen ten behoeve van de zekerheid dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Conclusie is dat artikel 8.97 van het Bkl in combinatie met de artikelen 8.74b en 8.9 van het Bkl het college de bevoegdheid geven de omgevingsvergunning van 11 maart 2021 te wijzigen. Dus in het midden kan blijven of eiser BBT toepast of dat er andere betere technieken beschikbaar zijn.

5. Verzoeker voert aan dat de wijziging van de omgevingsvergunning niet evenredig is. Hij heeft rendementsmetingen laten uitvoeren door een niet geaccrediteerd bureau waaruit blijkt dat het luchtwassysteem een rendement heeft van meer dan 85% ammoniakreductie. Inschakeling van een geaccrediteerd bureau kost veel geld en is, gelet op de relatief kleine omvang van het bedrijf, niet rendabel. Het is daarnaast onduidelijk waarom de uitgevoerde rendementsmetingen niet toereikend zijn. Bovendien stelt artikel 4.829 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) reeds eisen aan de metingen van een luchtwassysteem.



5.1.
Het college is van mening dat met de uitgevoerde rendementsmeting niet kan worden gewaarborgd dat de aanwezige luchtwassers juist functioneren. In het door de rechtbank opgenomen voorschrift 3.6.4 zijn geen kwaliteitseisen gesteld aan de rendementsmetingen. Het college vindt dit noodzakelijk om te kunnen beoordelen of een meting een juist beeld geeft van de werking van de luchtwassers. Het college heeft daarom aan de uitvoeringseisen voor het meten van het ammoniakverwijderingsrendement enkele aspecten toegevoegd. Het Bal voorziet volgens het college niet in de gestelde maatregel.



5.2.
Artikel 4.829 van het Bal regelt dat een luchtwassysteem moet beschikken over een elektronisch monitoringssysteem waarmee een aantal parameters moet worden geregistreerd, die relevant zijn voor het deugdelijk functioneren van het luchtwassysteem. Het college stelt terecht dat dit artikel niet voorziet in een rendementsmeting.



5.3.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college aanleiding kunnen zien om kwaliteitseisen te verbinden aan de rendementsmetingen om beter toezicht worden gehouden op de naleving van de voorschriften. Het college heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom rendementsmetingen door een daartoe geaccrediteerd bureau moeten worden verricht en wat de toegevoegde waarde is van deze eis. De voorzieningenrechter moet gissen of het uitvoeren van rendementsmetingen zodanig ingewikkeld is dat alleen gespecialiseerde, daartoe geaccrediteerde bureaus deze metingen kunnen uitvoeren en of een dergelijke eis in de branche gebruikelijk is. Het college heeft daarnaast verplicht om de metingen uit te voeren volgens NEN- EN-ISO/IEC 17025 of NEN-EN-ISO/IEC 17020 normen. Het college heeft gesteld, maar niet onderbouwd, waarom de uitgevoerde rendementsmetingen niet volstaan om de noodzakelijke zekerheid over de werking van de luchtwasser te verkrijgen. Het is niet duidelijk of de uitgevoerde rendementsmetingen voldoen aan de gestelde NEN en ISO normen en wat de toegevoegde waarde is van de extra kwaliteitseisen (als die er zijn) op basis van deze normen.



5.4.
Omdat de toegevoegde waarde van beide eisen niet duidelijk is, heeft het college niet onderbouwd dat het opleggen van beide eisen noodzakelijk is. Verzoeker heeft onweersproken gesteld dat de kosten van metingen die voldoen aan beide eisen onevenredig hoog zijn. Het college heeft daarom onvoldoende onderbouwd dat het gewijzigde voorschrift 3.6.4 niet onevenredig belastend is voor eiser.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt in aanmerking voor vernietiging.


6.1.
Er lopen meerdere zaken bij de rechtbank over biologische luchtwassers bij varkenshouderijen en natuurvergunningen. In de tussenuitspraken van heden in de zaken SHE 24/3238 en SHE 24/3260 heeft de rechtbank aanleiding gezien om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) in te schakelen, mede naar aanleiding van de onzekerheid over de prestaties van dergelijke luchtwassers. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de StAB ook in deze zaak in te schakelen en de volgende vragen te laten beantwoorden:


Beschrijf de op het bedrijf toegepaste meet- of monitoringsystemen voor de controle van beide luchtwassers (BWL 2009.12 en BWL 2010.02).


Beschrijf de verschillen tussen de uitgevoerde rendementsmetingen en de rendementsmetingen als voorgeschreven in het bestreden besluit (met name de betrouwbaarheid van beide metingen en de hieraan verbonden kosten).





6.2.
Nadat de StAB advies heeft uitgebracht, krijgt het college de gelegenheid een herstelbesluit te nemen met inachtneming van hetgeen de voorzieningenrechter in deze uitspraak heeft overwogen en hierbij verder de adviezen van de StAB in de hierboven genoemde zaken te betrekken alsmede de resultaten van onderzoeken na 4 september 2024, de datum waarop de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State een uitspraak heeft gedaan over de betrouwbaarheid van het toegepaste stalsysteem. De voorzieningenrechter zal bepalen dat, als het college een herstelbesluit neemt, het college geen toepassing hoeft te geven aan afdeling 3.4 van de Awb (er hoeft dus geen ontwerpbesluit ter inzage te worden gelegd). De voorzieningenrechter zal het college voor het herstelbesluit twaalf weken de tijd geven na het definitieve advies van de StAB. De voorzieningenrechter verzoekt het college binnen twee weken na het definitieve advies van de StAB aan te geven of hij gebruik wil maken van de mogelijkheid om de gebreken te herstellen. Als het college een herstelbesluit heeft genomen, krijgen alle partijen de gelegenheid om daarop te reageren. Daarna doet de voorzieningenrechter (in beginsel zonder tweede zitting) uitspraak in de drie zaken afzonderlijk.



6.3.
Gelet op deze tussenuitspraak treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening in de vorm van het schorsen van het bestreden besluit tot de einduitspraak.



6.4.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat over de proceskosten (en het griffierecht) nu nog geen beslissing wordt genomen.






Beslissing

De voorzieningenrechter:


schorst het bestreden besluit tot de einduitspraak;


verzoekt het college binnen twee weken na het uit te brengen advies van de StAB aan te geven of het gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek te herstellen;


stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na het uit te brengen advies van de StAB het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;


bepaalt dat bij het nemen van een herstelbesluit afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing blijft;


houdt iedere verdere beslissing aan.






Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:


Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.





Bijlage met relevante regelgeving



Artikel 5.40, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow)
(bevoegdheid tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning en intrekking omgevingsvergunning)
1 Het bevoegd gezag kan de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen:

a. in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,

b. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: als het gaat om het wegnemen of beperken van gevaar, bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is,
c. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.
2 In andere gevallen dan bedoeld in artikel 18.10 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning intrekken:
a. in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,
b. als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning,
c. op verzoek van de vergunninghouder,
d. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is,
e. voor een milieubelastende activiteit of een wateractiviteit waarvoor met toepassing van artikel 16.7, eerste lid, aanhef en onder b, gecoördineerd omgevingsvergunningen zijn verleend: als de omgevingsvergunning voor de samenhangende wateractiviteit respectievelijk de milieubelastende activiteit is ingetrokken,
f. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.



Artikel 8.9 van het Bkl
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
a. milieuverontreiniging door de activiteit wordt geïntegreerd voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, beperkt;
b. emissies in de lucht, het water en de bodem en het ontstaan van afval door de activiteit worden voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, beperkt om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken;
c. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;
d. de voor de activiteit in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast;
e. er wordt geen significante milieuverontreiniging veroorzaakt;
f. energie wordt doelmatig gebruikt;
g. de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen van ongevallen te beperken; en
h. bij de definitieve beëindiging van de activiteit worden de nodige maatregelen getroffen om elk risico van milieuverontreiniging door de activiteit voor het terrein waarop de activiteit werd verricht, te voorkomen of te beperken, als dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor toekomstig gebruik.
2 Op de beoordeling van de aanvraag zijn de artikelen 10.14, eerste en tweede lid, en 10.29a van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.
3 Bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit voldoet aan het criterium, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder e, wordt bij het bepalen of sprake is van significante milieuverontreiniging in ieder geval rekening gehouden met het omgevingsplan, omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening.
4 Bij de beoordeling of de milieubelastende activiteit voldoet aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, wordt ook rekening gehouden met de informatiedocumenten, bedoeld in bijlage XVIII, onder B.



Artikel 8.74b van het Bkl
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Natura 2000-activiteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de wet, de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten



Artikel 8.97 van het Bkl
(algemene gronden – bevoegdheid tot wijziging voorschriften en intrekking omgevingsvergunning)
1. Het bevoegd gezag kan de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen of een omgevingsvergunning intrekken op de in dit hoofdstuk aangegeven gronden waarop de omgevingsvergunning voor die activiteit had kunnen worden geweigerd.
2 Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.
3 Het bevoegd gezag geeft alleen toepassing aan de intrekkingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, als niet kan worden volstaan met wijziging van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.



ECLI:NL:RVS:2024:3356
Link naar deze uitspraak