|
|
|
| ECLI:NL:RBOBR:2026:2762 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Oost-Brabant | | Zaaknummers | : | 24/3238T | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Twee uitspraken over een natuurvergunning met voorschriften om de werking van het aangevraagde emissiearme stalsysteem (een biologische combiluchtwasser) te borgen. De rechtbank is van oordeel dat eisers terecht stellen dat het ondanks de voorschriften in het bestreden besluit niet zeker is dat het vergunde stalsysteem het in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) beloofde ammoniakverwijderings-rendement kan behalen. Daarom is niet zeker dat er geen significante gevolgen zijn voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In meerdere zaken die lopen bij deze rechtbank speelt de vraag of naleving van een doelvoorschrift met betrekking tot de ammoniakemissie betrouwbaar kan worden gemeten en gemonitord. In deze zaken zal de rechtbank een deskundige in te schakelen. Daarna krijgt het college de gelegenheid aan de hand van de bevindingen van die deskundige een nieuw besluit te nemen waarop partijen dan kunnen reageren. meten en gemonitord. In deze zaken zal de rechtbank een deskundige in te schakelen. Daarna krijgt het college de gelegenheid aan de hand van de bevindingen van die deskundige een nieuw besluit te nemen waarop partijen dan kunnen reageren. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | ammoniak | | | ammoniakemissie | | | biologisch | | | emissiearm | | | omgevingsvergunning | | | stallen | | | stalsysteem | | | stikstofdepositie | | | varkenshouderij | | | varkensstallen | | | veehouderij | | | vleesvarkens | | | wabo | | | zeugen | | | | Uitspraak | RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3238T
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen
[eisers]
, beide uit [vestigingsplaats], eisers
(gemachtigde: ir. [naam]),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigde: mr. N. van Leeuwen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
-[naam] uit [vestigingsplaats], gemeente Sint-Michielsgestel, gemachtigde mr. J.J.J. de Rooij.
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de natuurvergunning die aan de derde-partij is verleend voor het wijzigen van haar agrarisch bedrijf. Aan deze natuurvergunning zijn voorschriften verbonden om de werking van het aangevraagde stalsysteem extra te borgen. Eisers zijn het niet eens met deze vergunning. De rechtbank is van oordeel dat eisers terecht stellen dat het ondanks de voorschriften in het bestreden besluit niet zeker is dat het vergunde stalsysteem het in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) beloofde ammoniakverwijderings-rendement kan behalen. Daarom is niet zeker dat er geen significante gevolgen zijn voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In meerdere zaken die lopen bij deze rechtbank speelt de vraag of naleving van een doelvoorschrift met betrekking tot de ammoniakemissie betrouwbaar kan worden gemeten en gemonitord. In deze zaken zal de rechtbank een deskundige in te schakelen en het college in de gelegenheid te stellen aan de hand van de bevindingen van die deskundige een nieuw besluit te nemen waarop partijen dan kunnen reageren.
Procesverloop
1. De derde-partij heeft een aanvraag voor een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) ingediend voor het wijzigen van haar agrarische bedrijven. Het college heeft de gevraagde natuurvergunning verleend met het bestreden besluit van 13 augustus 2024.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig met de zaak SHE 24/3260 op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers en het college en [naam] namens de derde-partij met de gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De derde-partij heeft een gemengde veehouderij gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats], in de gemeente Sint-Michielsgestel. Hier worden 130 stuks vrouwelijk jongvee jonger dan twee jaar en/of fokstieren jonger dan twee jaar gehouden, 762 stuks guste en dragende zeugen, twee dekberen van 7 maanden en ouder, 240 stuks kraamzeugen (inclusief biggen tot spenen), 328 stuks vleesvarkens van 25 kg en meer, opfokberen van 25 kg en meer en jonger dan 7 maanden en/of opfokzeugen van 25 kg en meer en 5.096 stuks gespeende biggen van minder dan 25 kg. Hiervoor is op 6 april 2017 een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel met een verklaring van geen bedenkingen van het college voor wat betreft het handelen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden. Dit is de uitgangssituatie (referentiesituatie).
De derde-partij heeft een natuurvergunning aangevraagd ten behoeve van de bouw van de nieuwe stal 6 en voor het uitbreiden van de bestaande stallen 2, 3 en 4. Daarnaast vinden er meerdere wijzigingen in de dierbezetting plaats. De stallen 2, 3 en 4 zullen worden aangesloten op een emissiearm stalsysteem (OW 2009.12.V1), een gecombineerd luchtwassysteem met een watergordijn en een biologische wasser. In de bijlage bij de Rav wordt ervan uitgegaan dat de ammoniakemissie door dit systeem met 85% wordt gereduceerd.
In de aangevraagde situatie is sprake van een ammoniakemissie van 2.028 kg per jaar en een stikstofemissie van 398,6 kg per jaar. Er is sprake van een gelijkblijvende emissie van stikstofoxiden en een afname van ammoniakemissie ten opzichte van de referentiesituatie en een gelijkblijvende depositie op de Natura 2000-gebieden die zijn gelegen binnen 25 kilometer afstand van de projectlocatie.
2.1.
Het college gaat er in het bestreden besluit van uit dat gelet op de ammoniakreductie van het voorgeschreven luchtwassysteem voldoende zekerheid bestaat dat er geen significante gevolgen zijn voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het college heeft voorschriften aan het bestreden besluit verbonden om de werking van de systemen die daarvoor moeten zorgen te garanderen. Dit voorschriftenpakket voorziet in structurele controles, metingen, registraties en verplichte meldingen bij het bevoegd gezag. Het college beschouwt deze voorschriften als mitigerende maatregelen. De voorgeschreven maatregelen zijn in lijn met aanbevelingen uit het rapport van Wageningen University & Research (WUR) uit 2021. Het college beoogt hiermee voldoende beschermingsmaatregelen te treffen om de gestelde emissiereductie te borgen.
2.2.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een besluit op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag voor een natuurvergunning is ingediend voor 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wnb van toepassing blijft.
3. Eisers bestrijden dat de middelvoorschriften in het bestreden besluit de werking van het luchtwassysteem voldoende borgen. Het rapport van de WUR uit 2021, waaraan het voorschriftenpakket in belangrijke mate is ontleend, is te beperkt van opzet om de vereiste zekerheid aan te kunnen ontlenen. Het college had deze voordelen niet in de passende beoordeling mogen betrekken. Daardoor ontbreekt de zekerheid dat het aangevraagde project de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Volgens eisers had de vergunning daarom niet mogen worden verleend.
3.1.
Het college stelt zich in het verweerschrift op een ander standpunt dan in het bestreden besluit. Op 4 september 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) uitspraak gedaan over een natuurvergunning voor een varkenshouderij met hetzelfde stalsysteem en een soortgelijk voorschriftenpakket. De Afdeling heeft geoordeeld dat de verwachte voordelen niet vaststaan, zodat het college deze niet in de passende beoordeling had mogen betrekken. Het college wijst ook op de uitspraken van 18 december 2024 en de overwegingen daarin over de additionaliteitstoets. Omdat niet is gebleken dat de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 niet langer actueel is, moet de vergunningaanvraag opnieuw worden beoordeeld in het licht van de hiervoor genoemde rechtspraak, aldus het college.
3.2.
In de uitspraak van 4 september 2024 duidde de Afdeling het voorschriftenpakket als een mitigerende maatregel. Mitigerende maatregelen mogen alleen in de passende beoordeling worden betrokken als de verwachte voordelen ervan vaststaan ten tijde van deze beoordeling. De verwachte voordelen staan niet vast, als het niveau van wetenschappelijke kennis het ten tijde van de passende beoordeling niet mogelijk maakt de voordelen met zekerheid in kaart te brengen. Hierover overweegt de Afdeling in de uitspraak van 4 september 2024 het volgende: “De Afdeling leidt uit het WUR-rapport 2021 af dat er sterke aanwijzingen zijn dat combiluchtwassystemen het beoogde rendement van 85% kunnen halen. Maar het rapport is naar het oordeel van de Afdeling te beperkt van opzet om daaraan de zekerheid te ontlenen dat het beoogde rendement van combiluchtwassers wordt gehaald, als de aanbevelingen uit het rapport worden gevolgd. Bij dat oordeel betrekt de Afdeling dat het onderzoek betrekking heeft op slechts zes combiluchtwassers, waar verschillende maatregelen zijn toegepast. Zo is de pH-regeling die een groot positief effect liet zien maar bij twee combiluchtwassers toegepast. De metingen van de effecten van de getroffen maatregelen hebben bovendien alleen in een beperkte periode plaatsgevonden. (…) De Afdeling is verder van oordeel dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt wat het expert judgement en de resultaten van de rendementsmetingen inhouden.”
3.3.
In het bestreden besluit is een aantal middelvoorschriften opgenomen. Relevant zijn volgens de rechtbank in ieder geval de volgende voorschriften:
2. De ammoniakconcentratie in zowel in- als uitgaande lucht van de luchtwasser dient continu gemeten te worden door middel van permanent aanwezige ammoniaksensoren die geplaatst zijn op een representatieve plaats. De metingen van deze sensoren dienen te worden bijgehouden in een elektronisch logboek en op verzoek van een toezichthouder terstond getoond te worden;
a. indien continumetingen niet mogelijk zijn dient zes maanden na ingebruikname van de luchtwasinstallatie handmatig het verwijderingsrendement gemeten te worden. De resultaten van deze ammoniakverwijderingsrendementsmeting van het luchtwassysteem dienen overgelegd te worden. Deze meting dient ieder jaar te worden herhaald;
b. indien het ammoniakverwijderingsrendement afwijkt van het toegestane rendement dient deze zodanig te worden gecorrigeerd dat deze weer binnen het toegestane rendement valt;
c. alle ammoniakverwijderingsrendementsmetingen dienen bij een representatieve bedrijfssituatie gedaan te worden;
d. alle ammoniakverwijderingsrendementsmetingen dienen volgens een actueel meetprotocol uitgevoerd te worden;
3. er dient een pH-regeling geïnstalleerd te worden:
a. de sensoren dienen in een aftakking van de aanvoerleiding naar de circulatiepomp
van het waswater te worden geplaatst. Deze leiding dient voorzien te zijn van een
afsluitkraan;
b. de te installeren pH-regelaar dient zowel zuur als een base toe te kunnen voegen aan
het luchtwassysteem;
c. indien de gemeten pH-waarden buiten het toegestane bereik vallen dienen deze
zodanig te worden gecorrigeerd dat deze weer binnen het toegestane bereik vallen;.
9. de nieuw te installeren luchtwassystemen mogen pas in gebruik worden genomen nadat het centraal afzuigkanaal, de koppeling van de luchtwasser aan dit kanaal en de uitvoering/dimensionering van de luchtwasser is gereed gemeld via de Milieu Klachten
Centrale van de ODBN.
Verder zijn diverse opleidings-, monitorings- en meldingsplichten opgenomen.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit de keuze wordt geboden tussen een volcontinue ammoniakmeting of een rendementsmeting na zes maanden gevolgd door een jaarlijkse rendementsmeting. Naar het oordeel van de rechtbank kan slechts een keuze worden geboden als de verwachte voordelen van beide opties met zekerheid vaststaan ten tijde van de beoordeling. De voordelen van de opties van de ammoniaksensoren staan echter, gelet op de redactie van voorschrift 2, niet voldoende vast.
3.5.
Het effect van deze voorschriften is gebaseerd op het WUR-rapport 2021. Hoewel de rechtbank het niet onaannemelijk acht dat het luchtwassysteem het beloofde rendement zal kunnen halen, kan de vereiste zekerheid dat dit zal gebeuren, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024, niet worden ontleend aan uitsluitend het WUR-rapport uit 2021. Ofschoon het beloofde rendement en de bijbehorende emissiefactor sinds een aantal jaren in de Rav is opgenomen en er een groot aantal varkenshouderijen is uitgerust met dit stalsysteem, kan pas aan de hand van de uitkomsten van onderzoek in de praktijk met zekerheid worden gesteld of met dit systeem het in de Rav beloofde rendement wordt behaald. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Rav-factor is vastgesteld op basis van onderzoek in enkele proefstallen, maar dat het systeem in de praktijk op verschillende manieren door verschillende leveranciers is uitgevoerd.
3.6.
Gelet op het feit dat de referentiesituatie een veehouderij met een andere veebezetting en stalsystemen betrof, kan op dit moment niet met zekerheid worden vastgesteld dat de aangevraagde veebezetting ondanks het toegepaste stalsysteem en ondanks de mitigerende maatregelen die als middelvoorschriften aan het bestreden besluit zijn verbonden, zal resulteren in een lagere stikstofdepositie dan de depositie in de referentiesituatie.
Conclusie en gevolgen
4. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.7 van de Wnb en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bestreden besluit komt daarom in aanmerking voor vernietiging en het college zal een nieuw besluit moeten nemen.
4.1.
Tijdens de zitting zijn verschillende oplossingen besproken. Eisers erkennen dat de derde-partij geen piekbelaster is. Zij zien een oplossing in meer onderzoek naar de werking van de stalsystemen. Het college is bezig met onderzoek naar de werking van de stalsystemen, maar dat onderzoek is nog niet afgerond. Het college heeft desgevraagd aangegeven dat een oplossing zou kunnen zijn om een doelvoorschrift te verbinden aan de vergunning met een ammoniakemissiegrenswaarde per jaar. Het college plaatst hierbij wel de kanttekening dat de controle van dit doelvoorschrift niet eenvoudig is. Het college weet niet of er al betrouwbare systemen op de markt zijn voor een volcontinu (doorlopende) meting van ammoniak. De derde-partij staat positief tegenover een doelvoorschrift, maar probeert al zes jaren zijn nieuwe bedrijf te realiseren en wil weten of hij zijn huidige bedrijf kan gaan vernieuwen.
4.2.
De uitspraak van de Afdeling is ruim anderhalf jaar geleden gedaan en gebaseerd op het WUR-rapport 2021. In de uitspraak heeft de Afdeling ook overwogen dat het expert judgement en rendementsmetingen in het kader van handhaving en toezicht niet zijn onderbouwd met stukken. Na 2021 zijn er al wel andere onderzoeken uitgevoerd, waaronder het rapport 1545 “Goed benutten van biologische combi luchtwassers: Onderzoek naar maatregelen aan biologische combi-luchtwassers om het verwijderingsrendement voor ammoniak en geur te verbeteren” van de WUR uit maart 2025. In de discussie ter zitting en het tijdsverloop na de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 ziet de rechtbank aanleiding om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) in te schakelen en de volgende vragen te laten beantwoorden:
Welke meet- of monitoringsystemen zijn of komen binnen afzienbare termijn beschikbaar voor de controle van een doelvoorschrift (een ammoniakemissiegrenswaarde) ten behoeve van varkensstallen met een meervoudig biologisch luchtwassysteem met watergordijn (LW 4.1, OW 2009.12.V1)? Hierbij wordt de StAB verzocht aan te geven wat de betrouwbaarheid is van de verschillende systemen en wat de hieraan verbonden kosten zijn.
Welke pH-meet- en monitoringssystemen voor varkensstallen met een meervoudig biologisch luchtwassysteem met watergordijn (LW 4.1, OW 2009.12.V1) zijn of komen binnen afzienbare termijn beschikbaar?
Welke andere factoren zijn van invloed op het ammoniakverwijderingsrendement van een meervoudig biologisch luchtwassysteem met watergordijn (LW 4.1, OW 2009.12.V1)?
In hoeverre kan de werking van het systeem worden geverifieerd door een opname door het bevoegd gezag voorafgaand aan ingebruikname?
4.3.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de StAB heden ook wordt ingeschakeld in de zaken SHE 25/1537, SHE 24/3260 en SHE 26/145. In de laatstgenoemde zaak is al een biologisch luchtwassysteem met watergordijn (LW 4.1, OW 2009.12.V1) geïnstalleerd dat volgens metingen een verwijderingsrendement van 90% of meer behaalt. In deze zaak staat de betrouwbaarheid van de metingen (door een niet geaccrediteerd bureau en niet uitgevoerd conform de NEN) centraal. Deze zaak wordt gezamenlijk behandeld met de zaak SHE 24/3260 en de zaak SHE 24/3238.
4.4.
Nadat de StAB advies heeft uitgebracht, biedt de rechtbank het college de gelegenheid een (herstelbesluit) te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen en hierbij verder de adviezen van de StAB in de hierboven genoemde zaken te betrekken, alsmede de resultaten van onderzoeken na 4 september 2024. De rechtbank zal bepalen dat, als het college een herstelbesluit neemt, het college geen toepassing hoeft te geven aan afdeling 3.4 van de Awb (er hoeft dus geen ontwerpbesluit ter inzage te worden gelegd). De rechtbank zal het college voor het herstelbesluit twaalf weken de tijd geven na het definitieve advies van de StAB. De rechtbank verzoekt het college binnen twee weken na het definitieve advies van de StAB aan te geven of het gebruik wil maken van de mogelijkheid om de gebreken te herstellen. Als het college een herstelbesluit heeft genomen, krijgen alle partijen de gelegenheid om daarop te reageren. Daarna doet de rechtbank (in beginsel zonder tweede zitting) uitspraak in de drie zaken afzonderlijk.
4.5.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
4.6.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten (en het griffierecht) nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
verzoekt het college binnen twee weken na het uit te brengen advies van de StAB aan te geven of het gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek te herstellen;
stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na het uit te brengen advies van de StAB het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
bepaalt dat bij het nemen van een herstelbesluit afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing blijft;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
ECLI:NL:RVS:2024:3356
ECLI:NL:RVS:2024:4909 en ECLI:NL:RVS:2024:4923 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|