Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:3346 
 
Datum uitspraak:28-04-2026
Datum gepubliceerd:01-05-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 25/3573
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingsvergunning voor het aanleggen van halfverharding. Het college mocht landschappelijke waarde ‘rust’ uitleggen als passend in de omgeving. Het college heeft de omgevingsvergunning terecht verleend.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/3573
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers
(gemachtigde: mr. C. Lubben),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel
(gemachtigde: mr. M. Malicki).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [plaats].


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen van halfverharding. Eisers zijn het niet eens met de beslissing op bezwaar waarin de omgevingsvergunning in stand is gelaten. Zij voeren daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de beslissing op bezwaar.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het besluit van 9 juli 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van half-verharding. Met de beslissing op bezwaar van 8 juli 2025 is het college bij de verleende omgevingsvergunning gebleven.


2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en de derde-partij.




Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?

3. De derde-partij woont aan de [locatie] in [plaats]. Op 2 mei 2024 heeft de derde-partij een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het aanbrengen halfverharding op het perceel, bestaande uit een grindpad van ongeveer 400 m2. De halfverharding wordt voor een deel gerealiseerd naast het perceel van eisers. De aanvraag ziet op de binnenplanse omgevingsplanactiviteit “het uitvoeren van een werk en/of werkzaamheden”.


3.1.
Het Omgevingsplan gemeente Maasdriel is van toepassing. Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die voor 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2016” van toepassing. De halfverharding is voor een deel aangelegd in de bestemming “Wonen” en voor het grootste deel in de bestemming “Agrarisch met Waarden”.



3.2.
Op de gronden met de bestemming “Wonen” is voor de halfverharding geen omgevingsvergunning vereist. Op de gronden met de bestemming “Agrarisch” is volgens artikel 4.6.1. van de planregels een omgevingsvergunning vereist voor:


(…)


g. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, in- en uitritten, alsmede het aanbrengen van oppervlakte verhardingen groter dan 100 m2.


(…)


Uit artikel 4.6.2. van de planregels volgt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend indien:


a. door de uitvoering van de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden als uiteengezet in lid 4.1, sub i en j, waaronder begrepen de openheid en/of functies die het plan beoogt te beschermen;


b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersafwikkeling,


tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.


In artikel 4.1, sub i, van de planregels staat dat de gronden met de agrarische bestemming ook bestemd zijn voor de bescherming, instandhouding en versterking van de landschaps- en natuurwaarden en cultuurhistorische waarden, met name in de vorm van rust, openheid, graslandareaal en relatief hoge grondwaterstanden. In sub j is een bescherming opgenomen voor gronden met de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch – uiterwaard”. Op het perceel ligt deze functieaanduiding niet.



3.3.
Het college heeft op 9 juli 2024 de omgevingsvergunning verleend.



3.4.
Met de beslissing op bezwaar van 8 juli 2025 heeft het college de verleende omgevingsvergunning “herroepen” en de omgevingsvergunning onder verbetering van de motivering alsnog verleend. Het college heeft nader gemotiveerd waarom volgens hem wordt voldaan aan artikel 4.6.2. van de planregels. Het aanleggen van de halfverharding in dit gebied is volgens het college vanuit cultuurhistorisch perspectief denkbaar. Een inrit bij een woonerf is normaal. De halfverharding sluit beter aan bij het landelijke karakter van de omgeving. Dat zorgt volgens het college voor een rustige uitstraling. Omdat de halfverharding geheel op eigen terrein ligt, is er volgens het college geen sprake van een onevenredige afbreuk aan de verkeersafwikkeling.


Heeft het college de omgevingsvergunning terecht verleend?

4. Eisers betogen dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen. Het college is er bij de omgevingsvergunning vanuit gegaan dat de halfverharding en ontsluiting van het perceel al aanwezig was. Dat is volgens eisers niet het geval, zodat het college volgens eisers de in artikel 4.1 onder i van de planregels bedoelde rust onvoldoende heeft afgewogen. Volgens eisers heeft het college ook niet alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat zij vrezen voor overlast. De halfverharding heeft er nooit gelegen. Er was altijd rust en stilte op die plek. De omgevingsvergunning is daarom volgens eisers op onjuiste gronden verleend.



4.1.
Het college is er bij het primaire besluit vanuit gegaan dat het om het legaliseren van reeds bestaande halfverharding gaat. Nadien heeft het college het standpunt ingenomen dat het niet alleen om bestaande halfverharding gaat, maar dat ook nieuwe halfverharding wordt aangelegd. In de beslissing op bezwaar heeft het college dit hersteld. De omgevingsvergunning ziet op het geheel aan halfverharding op het perceel. Het betoog van eisers dat niet alle relevante feiten en omstandigheden zijn betrokken volgt het college daarom niet. De gemeentelijk adviseur cultuurhistorie heeft de aanvraag beoordeeld. Zijn advies is opgenomen in de omgevingsvergunning en luidt:


“Het aanleggen van half-verharding in dit gebied is vanuit cultuurhistorisch perspectief goed denkbaar. Een inrit bij een woonerf is normaal en een half-verharding sluit beter aan bij het landelijke karakter van de omgeving wat voor een rustige uitstraling zorgt. Daarbij loopt de half-verharding binnen het in opgaand groen gehulde erf naar de bijgebouwen wat logisch is en loopt het niet het weiland achter het erf in, waardoor het graslandareaal ook gehandhaafd blijft.”


De verschillende waarden, waaronder rust, zijn volgens het college betrokken en vanuit de planologische mogelijkheden beoordeeld. Het college merkt daarbij op dat ‘rust’ niet hetzelfde is als stilte. Rust in de planologische waarden betekent volgens het college dat het passend moet zijn binnen de omgeving.



4.2.
De rechtbank overweegt dat uit de beslissing op bezwaar volgt dat het college met het primaire besluit inderdaad uitging van de al aanwezige halfverharding. Met de beslissing op bezwaar heeft het college dat hersteld en naar het geheel aan halfverharding gekeken. Eisers hebben niet onderbouwd waarom het college daarbij niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen.



4.3.
De rechtbank overweegt verder dat het primair aan het bestuursorgaan is om uit te leggen wat de planologische waarden inhouden. In dit geval gaat het om landschaps- en natuurwaarden en cultuurhistorische waarden, met name in de vorm van rust, openheid, graslandareaal en relatief hoge grondwaterstanden. De rechtbank oordeelt dat het college ‘rust’ als landschappelijke waarde heeft kunnen uitleggen als passend in de omgeving. Bovendien heeft het college zich in de beslissing op bezwaar gebaseerd op het advies van de adviseur Cultuurhistorie van de gemeente. Uit het advies volgt dat de halfverharding voor een rustige uitstraling zorgt. De rustige uitstraling hebben eisers niet betwist. De rechtbank ziet dus geen aanleiding voor het oordeel dat rust ook moet inhouden dat het stil is en blijft en dat er geen verkeersbewegingen zijn. Omdat aan de voorwaarden van artikel 4.6.2 van de planregels wordt voldaan, moest het college ook overgaan tot verlening van de omgevingsvergunning.



4.4.
De beroepsgrond slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.277, onder a, van het Omgevingsplan gemeente Maasdriel.


Artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Link naar deze uitspraak