Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:2753 
 
Datum uitspraak:13-05-2026
Datum gepubliceerd:13-05-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202405776/1/R3
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Bij besluit van 19 augustus 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een sleufsilo op het perceel achter [locatie 1] in Leutingewolde. In het verleden oefende [persoon] op perceel [locatie 1]-[locatie 2] een agrarisch bedrijf uit. [appellant], zijn broer, verrichtte op het perceel ondergeschikte loonwerkzaamheden. [appellant] heeft in 2022 het agrarisch bedrijf van zijn broer overgenomen. [partij] heeft een deel van de gronden van [persoon] gekocht. Deze gronden liggen aan de noordwestelijke zijde van de gronden die in eigendom zijn van [appellant]. Op de hiervoor genoemde gronden van [appellant] en [partij] rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Noordenveld" (bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf". Op een groot deel van de gronden rust de aanduiding "bouwvlak". Het gaat hier om één bouwvlak, dat in feite gesplitst is; zowel [appellant] als [partij] zijn eigenaar van een deel ervan.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
wabo
 
Uitspraak
202405776/1/R3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Leutingewolde, gemeente Noordenveld,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 26 juli 2024 in zaak nr. 23/1390 in het geding tussen:
[partij], gevestigd in Roderwolde, gemeente Noordenveld
en
het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.
Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een sleufsilo op het perceel achter [locatie 1] in Leutingewolde.
Bij besluit van 15 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 19 augustus 2022 herroepen en alsnog geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen.
Bij uitspraak van 26 juli 2024 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 februari 2023 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft bij besluit van 24 januari 2025 opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist, dat ongegrond verklaard en het besluit van 19 augustus 2022 in stand gelaten.
[appellant] heeft gronden tegen het besluit van 24 januari 2025 ingediend.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak, tegelijk met het hoger beroep in zaak nr. 202401546/1/R3, op zitting behandeld op 27 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door ir. S. Boonstra, rechtsbijstandverlener in Zwolle, en het college vertegenwoordigd door M. de Boer en E. Oosterloo, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. P.J.G.G. Sluyter, advocaat in Assen, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       In het verleden oefende [persoon] op perceel [locatie 1]-[locatie 2] een agrarisch bedrijf uit. [appellant], zijn broer, verrichtte op het perceel ondergeschikte loonwerkzaamheden. [appellant] heeft in 2022 het agrarisch bedrijf van zijn broer overgenomen. [partij] heeft een deel van de gronden van [persoon] gekocht. Deze gronden liggen aan de noordwestelijke zijde van de gronden die in eigendom zijn van [appellant].
3.       Op de hiervoor genoemde gronden van [appellant] en [partij] rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Noordenveld" (bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf". Op een groot deel van de gronden rust de aanduiding "bouwvlak". Het gaat hier om één bouwvlak, dat in feite gesplitst is; zowel [appellant] als [partij] zijn eigenaar van een deel ervan.
4.       [partij] wil op zijn deel van het bouwvlak een sleufsilo bouwen ten behoeve van het agrarisch bedrijf dat hij uitoefent op [locatie 3]. Hoewel het college de omgevingsvergunning aanvankelijk had verleend, heeft het die in heroverweging geweigerd. [partij] is daartegen opgekomen. De rechtbank heeft dat beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd. Daar is [appellant] het niet mee eens.
Relevante regelgeving
5.       Artikel 4.1 luidt:
"De voor 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. uitoefening van het agrarisch bedrijf;
[…]."
Artikel 4.2.4 luidt:
"Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak bedraagt ten hoogste 12 m;
b. mestsilo's, sleufsilo's en tunnelkassen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
[…]."
Artikel 6.1 luidt:
"De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. uitoefening van het agrarisch bedrijf;
[…]."
Beoordeling van het hoger beroep
6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwen van de sleufsilo in strijd is met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Hij voert in dit verband aan dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 4.1 van de planregels. De rechtbank heeft volgens [appellant] niet onderkend dat ingevolge de op de gronden rustende bestemming maar één agrarisch bedrijf is toegestaan, en daarmee ook de agrarische activiteiten van één agrarisch bedrijf. Hij wijst daarvoor op de tekst van artikel 4.1 en de bedoeling van de planwetgever. De rechtbank heeft volgens [appellant] bij de uitleg van artikel 4.1 van de planregels ten onrechte betekenis toegekend aan artikel 6.1 van de planregels.
6.1.    Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.
6.2.    In geschil is of op de gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" de uitoefening van (activiteiten van) meerdere agrarische bedrijven in het bouwvlak zijn toegestaan.
6.3.    Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat binnen het bouwvlak de vestiging van maar één agrarisch bedrijf is toegestaan. Het bouwplan ziet op het in strijd met het bestemmingsplan realiseren van een tweede bedrijf binnen het bouwplan. Het college heeft vervolgens geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen.
6.4.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar haar uitspraak van 25 januari in 2025 zaak nr. 23/408 (het beroep van [appellant] in de handhavingsprocedure inzake grasbalen, zaak nr. 202401546/1/R3) overwogen dat uit de planregels niet volgt dat maar één agrarisch bedrijf per perceel is toegestaan. Zij heeft verder overwogen dat het bouwplan voldoet aan de bouwregels van het bestemmingsplan. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwen van de sleufsilo in strijd is met artikel 4.1 van de planregels.
6.5.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2617, onder 7.4 en 7.5, over het hoger beroep van [appellant] tegen genoemde uitspraak van de rechtbank van 25 januari 2024, overwogen dat op de hier aan de orde zijnde gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak" de uitoefening van (activiteiten van) maar één agrarisch bedrijf is toegestaan. Op deze gronden wordt het agrarisch bedrijf van [appellant] uitgeoefend. Voor deze zaak betekent dit dat de bouw en het gebruik van sleufsilo op die gronden voor het agrarische bedrijf van [partij] daarom in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep van [partij] tegen het besluit van 15 februari 2023 ongegrond.
Het besluit van 24 januari 2025
8.       Bij besluit van 24 januari 2025 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslist op het bezwaar van [partij]. Omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, is aan dat besluit de grondslag ontvallen. Daarom zal de Afdeling dat besluit vernietigen.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
9.       [appellant] heeft op verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
9.1.    De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
9.2.    De Afdeling gaat ervan uit dat het college het bezwaarschrift van [appellant] van 19 september 2022 heeft ontvangen op 20 september 2022. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek van om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom af.
Proceskosten
10.     Het college moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat deze zaak en de zaak van [appellant] met zaak nr. 202401546/1/R3 als samenhangende zaken kunnen worden aangemerkt als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, komt dit erop neer dat het college in beide zaken in totaal één keer de proceskosten in hoger beroep moet vergoeden. De Afdeling heeft het college in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2617, al veroordeeld tot vergoeding van die gemaakte proceskosten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 26 juli 2024 in zaak nr. 23/1390;
III.      verklaart het beroep van [partij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 15 februari 2023 ongegrond;
IV.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld van 24 januari 2024, kenmerk 278818;
V.       gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 279,00 vergoedt;
VI.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pieters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
473
Link naar deze uitspraak