|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:5396 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | ROT 24/8755 | | Rechtsgebied | : | Bestuursstrafrecht | | Indicatie | : | Boetes opgelegd aan slachterij omdat twee kuikens niet waren aangesneden en bij bewustzijn in broeibak gingen. Overtreding niet in geschil. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Deze procedure gaat niet over de vraag of de toezichthouders hadden kunnen of moeten ingrijpen. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres om het slachtproces zo in te richten dat overtredingen worden voorkomen. Verhoging vanwege recidive vindt de rechtbank niet onevenredig. Wel wordt de boete gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | landbouw, natuur en voedselkwaliteit | | | pluimvee | | | | Uitspraak | RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8755
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. V. Simsek),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister
(gemachtigde: mr. E.M.M. Geerligs),
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over twee bestuurlijke boetes die aan eiseres zijn opgelegd vanwege overtredingen van de Wet dieren. Eiseres is het om een aantal redenen niet eens met de hoogte van die boetes. Eiseres krijgt geen gelijk. Wel worden de boetes gematigd omdat de redelijke termijn is overschreden.
Procesverloop
1.1.
Met twee afzonderlijke besluiten van 21 april 2023 heeft de minister eiseres twee bestuurlijke boetes opgelegd van elk € 12.500,-
1.2.
Met een besluit van 8 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft de minister de boetebesluiten gehandhaafd.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseres en de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van de minister, vergezeld door [naam], werkzaam als toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
1.6.
Bij brief van 3 december 2025 heeft de minister de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen. Bij brief van 5 december 2025 heeft eiseres de rechtbank verzocht om niet aan dat verzoek tegemoet te komen.
1.7.
Bij brief van 8 december 2025 heeft de rechtbank partijen laten weten dat de rechtbank heeft beslist dat het onderzoek wordt heropend omdat zij nader wenst te worden geïnformeerd over de kwestie van de noodstopvoorziening (het trekkoord), zoals ter zitting besproken. In de brief is vermeld dat de minister bij brief van 3 december 2025 al uit eigen beweging nadere informatie heeft overgelegd en daarbij het verzoek heeft gedaan het onderzoek te heropenen, en dat de rechtbank ook kennis heeft genomen van de reactie hierop van eiseres van 5 december 2025. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld inhoudelijk te reageren op de door de minister verstrekte nadere informatie.
1.8.
Eiseres heeft dit laatste gedaan bij brief van 22 december 2025.
1.9.
De minister heeft hierop bij brief van 12 januari 2026 gereageerd.
1.10.
Eiseres heeft hierop bij brief van 26 januari 2026 gereageerd.
1.11.
Nadat geen van de partijen te kennen heeft gegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en op 18 februari 2026 het onderzoek gesloten.
Totstandkoming van het besluit
2.
2.1.
De minister heeft zijn besluit gebaseerd op twee rapporten van bevindingen opgemaakt door toezichthouders van de NVWA.
2.2.
In het rapport van bevindingen van 9 november 2022 (2022/174090/139013) is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Bevinding(en):
Datum en tijdstip van de bevinding: 16 juni 2022 omstreeks 10:00 uur. (…)
Tijdens mijn inspectie omstreeks 10:00 uur bevond ik mij in de slachthal, naast de bloedbak op de eerste etage, na het machinale nasnijdmes, na de slachter en na de controleur. Er werd gebruik gemaakt van een reversibele (omkeerbare) bedwelming d.m.v. elektrische waterbad >50 Hz. Bij een dergelijke eenvoudige bedwelming behoort de dood van de dieren in te treden door middel van verbloeding.
Ik zag ter hoogte van de bloedbak op de 1e etage, tijdens een controle van vijf minuten, één kuiken dat niet was aangesneden (zie video 1 en fotobijlage 1). Dit kuiken had géén snijwond in de hals. Het kuiken was na het passeren van het elektrische waterbad niet aangesneden door het automatische mes noch door de slachter die zich net na het automatische mes bevond en ook niet door de controleur (er is één controleur). Het kuiken had zijn ogen open en ik zag dat het kuiken knipperde, dit is een teken van bewustzijn.
Ik zag dat een kuiken dat niet aangesneden was en bij bewustzijn was richting de koppentrekker en de broeibak ging. Ik stelde vast dat de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid bij dit kuiken niet werd aangehouden tot de dood is ingetreden.
Er vindt door het bedrijf, vanaf de positie waar ik het kuiken dat bij bewustzijn was heb gezien tot aan de broeibak, geen controle plaats m.b.t. tekenen van leven van de kuikens alvorens de kuikens de broeibak ingaan.
Dit kuiken dat levend en bij bewustzijn was, zou sterven door verdrinking/verbranding in de broeibak of door het aftrekken van de kop bij de koppentrekker gevolgd door verbloeding. Dat betekent ernstig vermijdbare pijn en lijden. (…).”
2.3.
In het rapport van bevindingen van 9 december 2022 (2022/173870/140025) is onder meer het volgende vermeld:
“(…) Bevinding(en):
Datum en tijdstip van de bevinding: 12 juli 2022 omstreeks 12:21 uur. (…)
Ik wilde gedurende 5 minuten een controle uitvoeren op het correct aansnijden en verbloeden van de kuikens. (…) Ik was nog maar 11 seconden aan het filmen, toen ik een kuiken voorbij zag komen waarvan de hals nog schoon was (geen bloed) en ik geen snede in de hals zag (zie foto 1). Toen ik beter keek, zag ik dat de ogen open waren en het kuiken knipperde met de oogleden, dit is een teken van bewustzijn. Ik heb het kuiken met mijn camera nog een stukje gevolgd en heb daarna de controle direct afgebroken. Ik ben naar de andere kant van de bloedgoot gelopen, waar de koppen van de kuikens eraf worden getrokken. Ik zag hier wederom het kuiken voorbij komen en met de ogen knipperen. Het kuiken leek de kop op te trekken, waardoor het niet door de koppentrekker ging. Ik ben toen direct naar de broeiplukruimte gelopen.
Tijdens het wachten in de broeiplukruimte heb ik mijn stopwatch aangezet, zodat ik een idee zou hebben van wanneer ik het kuiken redelijkerwijs kon verwachten. Na ongeveer 3’26 minuten tijd opnemen, kwam er een pluimveekarkas uit de plukkers waar de kop nog aan zat, waarbij er geen snede in de hals aanwezig was en waarvan de kop donkerrood was omdat deze niet verbloed was (zie foto 2). Ik stelde vast dat het kuiken niet was aangesneden. (…)
Ik stelde vast dat een kuiken dat niet aangesneden was en bij bewustzijn was, de broeibak in ging. Ik stelde vast dat de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid bij dit kuiken niet werd aangehouden tot de dood is ingetreden. Ik stelde tevens vast dat er onvoldoende controle werd uitgevoerd op de afwezigheid van tekenen van leven en bewustzijn. (…)”
2.4.
Op 17 maart 2023 heeft de minister zijn voornemen kenbaar gemaakt om aan eiseres een bestuurlijke boete op te leggen naar aanleiding van het eerste rapport van bevindingen. Op 30 maart 2023 heeft de minister zijn voornemen kenbaar gemaakt om aan eiseres een bestuurlijke boete op te leggen naar aanleiding van het tweede rapport van bevindingen. Eiseres heeft geen zienswijzen op deze voornemens naar voren gebracht.
2.5.
Bij afzonderlijke besluiten van 21 april 2023 (boetezaaknummer 202202290 en boetezaaknummer 202202515) heeft de minister aan eiseres bestuurlijke boetes van elk € 12.500,- opgelegd vanwege de volgende beboetbare feiten:
1) de bedrijfsexploitant waarborgt niet dat de in bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen. De eenvoudige bedwelming of slacht overeenkomstig artikel 4, vierde lid, werd niet zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert, want de twee halsslagaders of de toevoerende bloedvaten werden niet systematisch doorgesneden. Verdere uitslachting of broeiing vond niet plaats nadat werd vastgesteld dat het dier geen tekenen van leven meer vertoont;
2) de in bijlage I vermelde methoden die niet de onmiddellijke dood tot gevolg hebben, werden niet zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert, zoals verbloeden, en
3) bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten werd er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werd bespaard.
Volgens de minister heeft eiseres daarmee overtredingen begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 5.8, van de Regeling houders van dieren, in verbinding met respectievelijk
1) artikel 15, eerste lid, in verbinding met Bijlage III, punt 3.2, van de Verordening (EG) nr. 1099/2009 (Vo. 1099/2009),
2) artikel 4, eerste lid, van Vo. 1099/2009, en
3) artikel 3, eerste lid, van Vo. 1099/2009.
2.6.
In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor overtredingen als deze vastgesteld op € 2.500,-. De minister heeft in beide gevallen vanwege samenhang tussen de drie feiten volstaan met het opleggen van één boete per constatering. Gelet op de bevindingen door de toezichthouders dat de dieren ernstig vermijdbaar lijden is berokkend, heeft de minister in beide gevallen aanleiding gezien om de standaardboete van € 2.500,- te verdubbelen tot € 5.000,-.
2.7.
Verder heeft de minister de boetes verhoogd tot € 12.500,- omdat sprake is van recidive. Eiseres is namelijk op 20 augustus 2021 (boetezaaknummer 202101189) beboet voor eenzelfde overtreding en er zijn nog geen vijf jaar verlopen sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden. De opgelegde boetes zijn gelijk aan de som van de voor deze overtredingen op te leggen boetes (€ 5.000,-) en de voor die eerdere overtreding opgelegde boete (€ 7.500,-), waarmee de totale boetebedragen worden vastgesteld op elk € 12.500,-.
2.8.
Met het bestreden besluit heeft de minister de boetebesluiten gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres de geconstateerde overtredingen heeft begaan. Volgens eiseres zijn de opgelegde boetes echter onevenredig hoog. Zij heeft in dit kader – samengevat – het volgende aangevoerd. Volgens eiseres is sprake van verminderde verwijtbaarheid. Daarbij is volgens eiseres van belang dat het slachten van kippen een in hoge mate geautomatiseerd proces is. Na het moment van het aansnijden volgen nog een back-up mes en een nacontroleur. Eiseres probeert te voorkomen dat er kuikens zijn die alle aansnijdmomenten missen. Het is echter onvermijdelijk dat dit incidenteel toch gebeurt, hooguit een enkele keer per dag op 170.000 kuikens. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de aanwezige toezichthouders hadden kunnen en moeten ingrijpen. Op verzoek van de minister is op 1 juni 2021 een rood gekleurd trekkoord geïnstalleerd om in geval van nood de slachtlijn te kunnen stoppen. De toezichthouders hadden aan het trekkoord moeten trekken, dan zou de slachtlijn zijn gestopt. Bovendien hadden zij een medewerker van eiseres kunnen waarschuwen. Het is volgens eiseres onbegrijpelijk dat de toezichthouder dit niet heeft gedaan, terwijl eiseres wel wordt verweten dierenleed te hebben veroorzaakt. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat de recidiveregeling onevenredig uitpakt. Zij zal gedurende vijf jaar de processen in de slachterij volstrekt foutloos moeten uitvoeren, voordat een verhoging vanwege recidive niet meer aan de orde kan zijn. Daarom is het praktisch gezien onmogelijk om ooit nog onder verhoging vanwege recidive uit te komen.
5. De beroepsgrond dat de boetes onevenredig hoog zijn, slaagt niet. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
6. Dat sprake is van een in hoge mate geautomatiseerd proces, laat onverlet dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is om het slachtproces zo in te richten dat overtredingen worden voorkomen. Doordat de kuikens niet zijn aangesneden, ook niet door de nacontroleur, kan worden aangenomen dat bij deze dieren ernstig lijden is ontstaan. Niet gebleken is dat dit niet te voorkomen zou zijn geweest. In dit verband is van belang dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat de toezichthouder destijds op een plek stond waar het beter te zien was als er een kuiken niet was aangesneden dan op de plek waar destijds de nacontroleur stond, en dat inmiddels gebruik wordt gemaakt van een extra controleur. Het slachtproces is dus sindsdien verbeterd. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van minderde verwijtbaarheid.
7. De stellingen van eiseres over de noodstopvoorziening (het trekkoord) geven evenmin aanleiding voor het oordeel dat de boetes moeten worden gematigd. Weliswaar lijkt het erop dat in juni 2021 inderdaad een noodstopvoorziening is geplaatst (de minister betwist dit in zijn reactie van 12 januari 2026 niet langer), maar het is niet volledig duidelijk geworden of de NVWA hierover adequaat is geïnformeerd. Belangrijker is dat er aanwijzingen bestaan dat de noodstopvoorziening in de zomer van 2022 (toen de overtredingen zijn geconstateerd) nog niet adequaat kon worden gebruikt. Uitgaande daarvan kan alleen daarom al niet worden gezegd dat de toezichthouders aan het trekkoord hadden moeten trekken.
8. Ook los daarvan volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres om het slachtproces zo in te richten dat overtredingen worden voorkomen. Die overtredingen zijn in dit geval niet voorkomen. Deze procedure gaat niet over de vraag of de toezichthouders in deze gevallen hadden kunnen of moeten ingrijpen. Deze procedure gaat ook niet over de vraag of toezichthouders van de NVWA in het algemeen een verantwoordelijkheid hebben om – aangenomen dat die mogelijkheid er is – in een slachtproces in te grijpen als zij daarmee dierenleed kunnen voorkomen. De rechtbank merkt hierover nog op dat het erop lijkt dat het voor zowel (de toezichthouders van) de NVWA als voor eiseres niet volledig duidelijk is onder welke omstandigheden het gebruik van het koord aangewezen is. De rechtbank geeft partijen in overweging hierover met elkaar in gesprek te gaan.
9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de recidiveregeling in dit geval onevenredig uitpakt. De rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat zij een verhoging tot zeven maal het standaard boetebedrag niet onevenredig acht (in dit geval is sprake is van een verhoging tot vijf maal het standaardbedrag). Ook heeft de rechtbank eerder geoordeeld dat de gehanteerde termijn van vijf jaar niet onredelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding in deze zaak tot een ander oordeel te komen. Het is de rechtbank niet gebleken dat het voor eiseres onmogelijk was om overtredingen als deze te voorkomen en daarmee een verhoging van de boetes voor een herhaalde overtreding te voorkomen. De rechtbank wijst ook in dit verband op de verbetering die sinds de overtredingen is doorgevoerd door gebruik te maken van een extra controleur op een geschiktere positie (zie hiervoor in overweging 6).
Ambtshalve beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn
10. Volgens vaste rechtspraak geldt bij bestraffende sancties als uitgangspunt dat de redelijke termijn van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Dit is in de regel het moment van het voornemen tot boeteoplegging. Er vindt een matiging plaats met 5% voor ieder half jaar overschrijding, met een maximum van € 2.500,-. Als de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, handelt de rechtbank naar bevind van zaken.
11. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het uitbrengen van de voornemens op 17 en 30 maart 2023. De redelijke termijn is verstreken op respectievelijk 17 maart 2025 en 30 maart 2025. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn in beide zaken met één jaar en twee maanden overschreden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de beide boetes te matigen met 15% tot een bedrag van € 10.625,-.
Conclusie en gevolgen
12. Uit het voorgaande volgt dat de minister de boetes terecht heeft opgelegd maar dat de boetebedragen moeten worden verlaagd omdat de redelijke termijn is overschreden. Omdat de rechtbank de boetes verlaagt, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en worden de boetebesluiten in zoverre herroepen. De rechtbank zal de boetes vaststellen op € 10.625,-. Het beroep is dus gegrond, maar alleen voor wat betreft de hoogte van de boetes.
12. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht moet worden vergoed. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn vrijwel volledig aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de rechtbank de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) opdragen het griffierecht te vergoeden. Eiseres heeft geen verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Van proceskosten die zijn gemoeid met zo’n verzoek die voor vergoeding in aanmerking komen, is dus geen sprake. Eiseres krijgt dus geen vergoeding voor door haar gemaakte proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 8 augustus 2024, voor zover dat ziet op de hoogte van de boetes;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
herroept de besluiten van 21 april 2023, voor zover die zien op de hoogte van de boetes en stelt de boetes vast op elk € 10.625,-;
bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:46, eerste en derde lid
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Verordening (EG) 1099/2009
Artikel 3, eerste lid
Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard.
Artikel 4, eerste lid
Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden. (…)
Artikel 15, eerste lid
De bedrijfsexploitanten waarborgen dat de in bijlage III opgenomen operationele voorschriften voor slachthuizen in acht worden genomen.
Bijlage III, punt 3.2
Bij eenvoudige bedwelming of slacht overeenkomstig artikel 4, lid 4, worden systematisch de twee halsslagaders of de toevoerende bloedvaten doorgesneden. Elektrische stimulatie vindt alleen plaats nadat is vastgesteld dat het dier bewusteloos is. Verdere uitslachting of broeiing vindt alleen plaats nadat is vastgesteld dat het dier geen tekenen van leven meer vertoont.
Verordening (EU) 2017/625
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „officiële controles” verstaan de activiteiten die worden verricht door de bevoegde autoriteiten of de gemachtigde instanties of natuurlijke personen aan wie overeenkomstig deze verordening bepaalde officiële controletaken zijn gedelegeerd, teneinde te verifiëren of de exploitanten deze verordening en de in artikel 1, lid 2, bedoelde regels naleven.
Wet dieren
Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Artikel 8.8, eerste lid
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.
Regeling houders van dieren
Artikel 5.8
Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, (…) 15, eerste (…) lid (…) van verordening (EG) nr. 1099/2009.
Bijlage Regeling handhaving en overige zaken wet dieren
Regeling houders van dieren Categorie
Artikel 5.8 3
Besluit handhaving en overige zaken wet dieren
Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, en derde lid
1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
c. categorie 3: € 2500;
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.
Artikel 2.3, aanhef en onder b
Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.
Artikel 2.5, eerste lid
Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.
Gelezen in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.
Artikel 2.3, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.
Artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.
In de door de minister overgelegde notulen van het overleg van de NVWA en eiseres op
28 november 2023 staat: “Er is boven bij de bloedgoot een bordes met een noodstop, maar aan dit bordes kun je de hals niet goed zien, kippen hangen hier met rugzijde naartoe. Daarom controleert NVWA aan de andere zijde waar ze met de borstzijde naartoe hangen.” In een door de minister overgelegd Signal-bericht van 18 december 2023 van de “Manager van Team Toezicht Pluimvee 6” staat: “Bij onze controleplek voor niet aangesneden kuikens hangt nu een noodstop (waar ook niet lange collega’s bij kunnen (…)). Als je een niet aangesneden kijken ziet mag je de lijn stoppen door hier aan te trekken.” In de door de minister overgelegde notulen van het overleg van de NVWA en eiseres op 10 januari 2024 staat dat de noodstop is verlengd naar de andere zijde.
Bijvoorbeeld in de uitspraken van 23 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14945 en ECLI:NL:RBROT:2025:14946.
Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 10 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:329. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|