|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:2501 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 15-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_1212_1213 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | PW, intrekking, terugvordering en mede terugvordering van ten onrechte verleende bijstand. Het college heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eisers in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden. Wel gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning, maar onvoldoende aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan het zorgcriterium. Eiseres heeft wel haar inlichtingenverplichting geschonden door geen mededeling te doen van het hoofdverblijf van eiser in haar woning. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het college is opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, waarbij het college de bijstandsuitkering van eiseres kan herzien naar het niveau van de kostendelersnorm met terugvordering van te veel ontvangen bijstand. De rechtbank herroept het primaire besluit tot mede terugvordering van eiser. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | levensonderhoud | | | zuivel | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/1212 en ZWO 25/1213
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres], uit [woonplaats 1], eiseres, en
[eiser], uit [woonplaats 2], eiser,
gezamenlijk eisers,
gemachtigde: mr. L. de Widt,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,
gemachtigde: mr. N.A.M.G. van Rhijn.
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het college het recht op algemene bijstand en bijzondere bijstand van eiseres over de periode van 25 december 2023 tot en met 3 april 2024 terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Tevens beoordeelt de rechtbank of het college terecht de van eiseres teruggevorderde bijstand mede heeft teruggevorderd van eiser.
1.1
Bij besluit van 13 juni 2024 (primair besluit I) heeft het college de bijstand voor levensonderhoud en bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap van eiseres ingetrokken over de periode van 25 december 2023 tot en met 25 april 2024. Bij dit besluit heeft het college van eiseres een bedrag van in totaal € 6.026,66 aan over deze periode ten onrechte betaalde algemene bijstand en bijzondere bijstand teruggevorderd.
Bij besluit van 13 juni 2024 (primair besluit II) heeft het college het van eiseres teruggevorderde bedrag van € 6.026,66 mede teruggevorderd van eiser.
1.2
Eiseres en eiser hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Met de bestreden besluiten (bestreden besluit I, gericht aan eiseres, en bestreden besluit II, gericht aan eiser) van 28 februari 2025, verzonden op 3 maart 2025, heeft het college de bezwaren van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft de periode van terugvordering gewijzigd in de periode van 25 december 2023 tot en met 3 april 2024. Voor het overige heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard met toekenning van vergoeding van de proceskosten van eiseres en eiser in bezwaar.
1.3
Eisers hebben elk beroep ingesteld tegen het aan hen gerichte bestreden besluit. Het beroep van eiseres is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/1213. Het beroep van eiser is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 25/1212. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft de beroepen op 24 juli 2025 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
1.5
Omdat de rechter die de zaak op zitting heeft behandeld in verband met langdurige afwezigheid geen uitspraak kon doen in deze zaak, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak aan een opvolgend rechter toebedeeld. De rechtbank heeft partijen vervolgens meegedeeld dat de opvolgend rechter voorlopig van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaak opnieuw een zitting te houden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld mee te delen of zij behandeling van het beroep op een nadere zitting willen. De rechtbank heeft binnen de gestelde termijn geen bericht ontvangen van partijen. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1
Eiseres heeft bijstand ontvangen voor de kosten van levensonderhoud van de gemeente Enschede. Als gevolg van verhuizing naar Hengelo is haar recht op bijstandsuitkering in Enschede beëindigd en heeft eiseres vanaf 1 juni 2023 bijstand ontvangen van de gemeente Hengelo. Daarnaast heeft zij vanaf 1 juli 2024 bijzondere bijstand ontvangen voor de kosten van bewindvoering en mentorschap.
2.2
Naar aanleiding van een anonieme melding op 25 juli 2023 heeft het college onderzoek ingesteld naar de rechtmatige verstrekking van de aan eiseres toegekende algemene en bijzondere bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn waarnemingen verricht, is eiseres verzocht inlichtingen te verstrekken en heeft er een huisbezoek plaatsgevonden.
De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in het rapport van 15 mei 2024 van de afdeling Handhaving van de gemeente Hengelo. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop".
Standpunten van partijen
3.1
Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat aan eiseres over de periode van 25 december 2023 tot en met 3 april 2024 ten onrechte bijstand voor de kosten van levensonderhoud en bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering en mentorschap is verstrekt. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door niet uit eigen beweging tijdig melding te maken van de gezamenlijke huishouding met eiser in deze periode. Het college is van mening dat de over deze periode ten onrechte bijstand voor de kosten van levensonderhoud en bijzondere bijstand is verstrekt tot een bedrag van € 6.026,66. Het college heeft dit bedrag van eiseres teruggevorderd. Omdat eiser hoofdelijk aansprakelijk is voor het teruggevorderde bedrag, heeft het college dit bedrag mede teruggevorderd van eiser.
3.2
Eisers bestrijden -kort samengevat- dat sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Zij zijn dan ook van mening dat eiseres haar inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Het onderzoek is onzorgvuldig geweest en het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. Kort samengevat hebben eisers aangevoerd dat eiser niet het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven had op het adres van eiseres, zodat hij daar niet zijn hoofdverblijf heeft gehad. Van financiële verstrengeling en/of wederzijdse zorg is volgens eisers evenmin sprake geweest. Eiseres voelde zich bij de sociale recherche onder druk gezet. Zij kon niet nagaan wat de strekking was van de vragen en ook niet wat de reikwijdte was van haar antwoorden. Eiseres heeft gewezen op de brief van haar bewindvoerder/mentor. Hieruit blijkt dat zij onder druk soms de gevoelde gewenste antwoorden geeft. Dat verklaart de wijze van verklaren van eiseres. Het college heeft dat geïnterpreteerd als dat eiseres heel goed wist wat ze had moeten melden. Eiseres kon echter niet weten dat ze had moeten melden dat eiser heel regelmatig bij haar bleef overnachten en dat hij in de woning verbleef, als eiseres soms het weekend niet in de woning was.
3.3
Het college heeft in het aangevoerde geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen.
Beoordeling door de rechtbank
4. Het besluit tot intrekking en terugvordering van algemene bijstand en bijzondere bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Het is dan aan het bijstandverlenend orgaan om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
5. Het college dient daarom aannemelijk te maken dat eisers in de hier te beoordelen periode, die loopt van 25 december 2023 tot en met 3 april 2024 een gezamenlijke huishouding voerden.
6. De rechtbank is van oordeel dat het college hier niet in is geslaagd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. De rechtbank overweegt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar. Dit volgt uit artikel 3, derde lid, van de Participatiewet (PW). Er moet dus aan twee cumulatieve criteria worden voldaan: een gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar gelet op de concrete feiten en omstandigheden het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Wederzijdse zorg kan worden aangenomen als van een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen blijkt, maar kan ook worden gebaseerd op andere feiten en omstandigheden als deze voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Bij de beoordeling van de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, moeten de tussen de betrokkenen bestaande relatie, hun subjectieve gevoelens daaromtrent en het motief voor het voeren van de gezamenlijke huishouding buiten beschouwing blijven.
Hoofdverblijf
8. Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan wil er sprake zijn van een gezamenlijke huishouding als hiervoor bedoeld is het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. De onderzoeksbevindingen in het rapport van 15 mei 2024 bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat eisers in de periode in geding gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning op het uitkeringsadres hadden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
8.1
De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.
8.2
Uit het rapport van 15 mei 2024 blijkt het volgende. Eiseres heeft op 4 april 2024 verklaard dat zij sinds mei 2023 op het uitkeringsadres woont. Iets voor de kerstdagen is eiser bij haar gekomen. Hij verbleef alleen de nachten bij haar. Wat hij overdag doet weet eiseres niet. Hij werkt niet. In de ochtend, als eiseres wakker wordt, is hij al weg. Hij komt pas 's avonds op verschillende tijden terug. Dat is niet laat op de avond, maar om een uur of 17:00 à 18:00. Zijn spullen liggen bij eiseres, zoals kleding en zijn toiletartikelen. Zijn kleding ligt op de logeerkamer, waar hij ook slaapt. Zijn toiletartikelen liggen bij haar op de badkamer. Hij heeft ook een fiets in de schuur en andere spullen. Hij rookt ook, dus dat ligt er ook wel. Eiser heeft geen sleutel van de woning, maar als eiseres er niet is, geeft zij hem een sleutel mee. Het is een sleutel voor zowel de voordeur als de achterdeur. Eiseres is de meeste weekenden bij haar broer, soms niet. Eiser is dan wel in haar woning. Hij heeft een 45km-karretje.
Deze verklaring wordt ondersteund door de waarnemingen die zijn verricht van 1 februari 2024 tot en met 4 april 2024 nabij het uitkeringsadres. Daarbij is de 45km-auto, waarin alleen eiser rijdt, regelmatig gezien nabij het uitkeringsadres. Er is gezien dat hij ‘s ochtends tussen 06:05 en 06:30 uur is vertrokken en 's avonds weer is teruggekeerd. Ook is waargenomen dat in de woning 's avonds een man en vrouw op de bank zaten.
De verklaring van eiseres komt ook overeen met de bevindingen tijdens het huisbezoek op het uitkeringsadres op 4 april 2024 in aansluiting aan het verhoor van eiseres. Daarbij is geconstateerd dat in de schuur achter de achterpoort een fiets van eiser staat. Eiseres heeft verklaard dat in de badkamer enkele spullen van eiser staan. In de badkamer zijn scheergerei, deo voor mannen en een tandenborstel van eiser gezien. In de schuur aan het huis zijn een jas, een paar schoenen, een gereedschapskoffer en shag van eiser gezien. Eiseres heeft in de keuken de koelkast laten zien. Eiseres zegt dat ze geen brood eet, maar veel zuivel. Het brood is dan ook van de eiser. De levensmiddelen liggen verder door elkaar. In de woonkamer liggen geen persoonlijke spullen van eiser. Eiseres heeft op de eerste verdieping de slaapkamer van eiser laten zien. Op de kamer staat een 2-persoonsbed met deken en kussen. Op de vloer ligt een stapeltje kleding van eiser en op het bed ligt een telefoon. Eiseres heeft gezegd dat het een oude telefoon van eiser is, die het niet meer doet. In de kast in de slaapkamer van eiseres liggen enkele kledingstukken van eiser.
8.3
Hetgeen hiertegen van de zijde van eiseres is aangevoerd heeft de rechtbank er niet van overtuigd dat in de van belang zijnde periode geen sprake was van een gezamenlijke hoofdverblijf op het uitkeringsadres.
Wederzijdse zorg
9. Het tweede criterium waaraan moet worden voldaan wil er sprake zijn van een gezamenlijke huishouding is dat van wederzijdse verzorging. De onderzoeksbevindingen bieden een ontoereikende grondslag voor het standpunt van het college dat in de te beoordelen periode sprake is geweest van wederzijdse zorg. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
9.1
Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
9.2
Eiseres heeft op 4 april 2024 verklaard dat eiser geen huur betaalt en dat hij gebruik mag maken van de gehele woning behalve van de slaapkamer van eiseres. Hij draagt financieel niet bij in het huishouden. Eiseres heeft haar eigen dingen en hij heeft zijn eigen dingen. Een aantal zaken gebruikt hij wel van eiseres, zoals wc-papier. Eiseres maakt haar eigen afwas schoon en hij doet dat ook. Eiser gebruikt de borden, bestek en kopjes, maar maakt het zelf schoon. Eiseres maakt de hele woning schoon, ook de logeerkamer waar eiser slaapt. De boodschappen halen en betalen eiseres en eiser apart. De boodschappen worden wel gezamenlijk gebruikt, zoals thee. Eiseres haalt soms ook wel boodschappen die eiser haar terugbetaalt. Dat doen ze contant. Eiseres kookt wel voor hen beiden, maar eiser betaalt eiseres dan zijn deel terug. Eiseres is de enige die kookt. Het eten van eiseres en eiser ligt in dezelfde koelkast, niet gescheiden van elkaar. Ze weten wel wat van wie is. Eiseres is de meeste weekenden bij haar broer, soms ook niet. In de weekenden laat eiser de hond van eiseres wel uit. Hij past dan op de hond. Doordeweeks doet eiseres dat zelf. Het is wel eens voorgekomen dat ze elkaar verzorgen bij ziekte. Als eiseres ziek is, doet eiser wel dingen voor haar, als zij daar om vraagt. Andersom zou eiseres dat ook wel doen. Eiser doet ook wel de klusjes in de woning. Eisers ontvangen geen gezamenlijk bezoek en gaan niet samen op bezoek. Eisers zijn nog nooit samen op vakantie of weekendjes weg geweest en uitjes zijn niet voorgekomen. Er zijn geen gezamenlijke schulden.
9.3
Uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat eisers hun financiën gescheiden houden. Zij betalen alleen hun eigen boodschappen en houden hun dagelijkse activiteiten gescheiden. Van financiële verstrengeling is geen sprake. Van zorg van de kant van eiser is nagenoeg geen sprake. Hij laat de hond van eiseres uit in het weekend, als zij afwezig is, en eisers verzorgen elkaar bij ziekte. Het college heeft ter zitting bevestigd dat met name het uitlaten van de hond van eiseres door eiser en het elkaar verzorgen bij ziekte zwaar heeft gewogen voor het college bij het aannemen van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank acht dit echter onvoldoende, nu verder vast staat dat van financiële verstrengeling geen sprake is en beiden beamen dat zij ieder hun eigen leven hebben. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat op basis van de observaties die zijn gedaan, het huisbezoek dat is afgelegd en de verhoren die zijn afgenomen bij het college een onderbuikgevoel is ontstaan van een gezamenlijke huishouding, wijst de rechtbank erop dat de vaststelling van wederzijdse zorg moet plaatsvinden op basis van feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn.
9.4
Gelet op het vorenstaande, concludeert de rechtbank dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan het zorgcriterium.
Conclusie en gevolgen
10. Uit 5. tot en met 9.4 volgt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat eisers in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de PW. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van een gezamenlijke huishouding. Dit betekent tevens dat het college ten onrechte de van eiseres teruggevorderde bijstand mede heeft teruggevorderd van eiser.
11. De rechtbank stelt echter vast dat eiseres wel haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van het feit dat eiser zijn hoofdverblijf bij haar had. Ook die omstandigheid is immers van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Indien dit bij het college bekend was geweest, had het college de kostendelersnorm kunnen toepassen.
12. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten, voor zover deze zien op de intrekking, terugvordering en mede terugvordering. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Awb zelf in de zaak van eiser te voorzien door het primaire besluit II te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit II. De rechtbank zal het college opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. Het college kan eiseres in het nieuw te nemen besluit niet langer tegenwerpen dat zij in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met eiser, maar kan wel de bijstandsuitkering van eiseres over die periode herzien naar het niveau van de kostendelersnorm en de als gevolg hiervan te veel betaalde bijstandsuitkering van haar terugvorderen.
13. Omdat de beroepen gegrond zijn moet het UWV het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. De rechtbank beschouwt de zaken op grond van artikel 3, eerste lid, van de Bpb als één zaak, aangezien sprake is van samenhangende zaken. Voor de reiskosten van eisers in verband met het bijwonen van de zitting stelt de rechtbank de vergoeding vast op twee maal € 8,24. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-.
De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Voor de kosten van rechtsbijstand in beroep stelt de rechtbank de vergoeding vast op € 1.868,-. In het bestreden besluit heeft het college al een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.884,48. Omdat aan eisers toevoegingen zijn verleend, moet het college de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 28 februari 2025, voor zover deze betrekking hebben op de intrekking, terugvordering en mede terugvordering;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
- herroept het primaire besluit II (gericht aan eiser) en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit II.
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.884,48 aan proceskosten, te betalen aan de rechtshulpverlener.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1849.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:421. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|