|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:1960 | | | | | Datum uitspraak | : | 24-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-05-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 25/5573 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank oordeelt dat eiser er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling onzorgvuldig en onjuist is. De geduide functies overschrijden de belastbaarheid van eiser, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst niet. Het beroep is ongegrond. | | Trefwoorden | : | tuinbouw | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5573
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. W.A. Postma).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] h.o.d.n. [handelsnaam] uit [plaats] (ex-werkgever)
(gemachtigde: mr. A.J.A.M. Hermans).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank oordeelt dat eiser er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling onzorgvuldig en onjuist is. De geduide functies overschrijden de belastbaarheid van eiser, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst niet. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
1. Eiser is op 22 augustus 2022 uitgevallen voor zijn werk als [functie] bij ex-werkgever voor 38 uur per week en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Op 21 augustus 2024 bereikte eiser het einde van de wachttijd voor de WIA.
2. Met het besluit van 8 november 2024 heeft het Uwv de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering afgewezen, omdat eiser met ingang van 21 augustus 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is, namelijk voor 4,61%. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3. In het besluit van 18 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 0%.
4. Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, vergezeld door [A] (zijn partner), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Ex-werkgever is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Geheimhouding
6. Eiser heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan ex-werkgever te verstrekken. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van eiser om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.
Wet WIA
7. Eiser heeft recht op een WIA-uitkering als hij ten minste 35% arbeidsongeschikt is. Van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is sprake als een verzekerde als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie, maar ook een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
8. Het Uwv mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig.
9. Van belang is verder dat het in deze zaak gaat om een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van eiser per het einde van de wachttijd, in dit geval
21 augustus 2024. Het gaat dus om de medische situatie van eiser op die datum, de zogenoemde datum in geding.
De zorgvuldigheid van het onderzoek
10. Eiser voert aan dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich grotendeels heeft gebaseerd op dossieronderzoek en summiere informatie van de huisarts en de psycholoog. Uit de informatie van de psycholoog bleek dat er herhaalde no-shows waren, terwijl de behandeling niet van de grond is gekomen door omstandigheden buiten de schuld van eiser. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij tijdens de behandelperiode lichamelijke klachten had.
11. De rechtbank overweegt dat eiser is gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 7 juli 2025 en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in aanvulling op het dossier, medische informatie bij de psycholoog en huisarts van eiser heeft opgevraagd, welke informatie bij de beoordeling is betrokken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat informatie van de behandelend sector is gemist, om welke reden de rechtbank geen aanknopingspunten heeft dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Dat de herhaalde no-shows een andere oorzaak zouden hebben, staat naar het oordeel van de rechtbank los van zorgvuldigheid van het onderzoek. De beroepsgrond slaagt niet.
De juistheid van de medische boordeling
12. Eiser voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen verdergaande beperkingen heeft aangenomen. Uit de medische voorgeschiedenis van eiser blijkt volgens hem dat sprake is van een matig ernstige mentale aandoening en meerdere lichamelijke klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de primaire verzekeringsarts opgestelde functionele mogelijkheden lijst (FML) aangepast, maar heeft nagelaten om de klachten van eiser op psychosociaal vlak voldoende te wegen. Hierdoor is onvoldoende rekening gehouden met de daadwerkelijke belastbaarheid van eiser. Eiser is van mening dat, gezien de aard en duur van zijn klachten, alsmede het ontbreken van een structurele behandeling, een urenbeperking en/of duurzaamheid aangewezen zijn. Eiser geeft de rechtbank in overweging om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
13. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft mentale klachten aangenomen en vertaald naar beperkingen in de FML van 11 augustus 2025. In de FML zijn op de volgende gebieden beperkingen aangenomen: storingen en onderbrekingen, deadlines en productiepieken, wisselende uitvoeringsomstandigheden, omgaan met conflicten, leidinggeven en eigen gevoelens uiten. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn deze beperkingen afdoende voor de mentale klachten van eiser, omdat de herhaalde no-shows iets zeggen over de (beperkte) hulpvraag, behandelbehoefte en lijdensdruk. Eiser is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook ruimer belastbaar dan hij op grond van zijn klachten ervaart. Dat komt de rechtbank niet onjuist voor, omdat de psycholoog van eiser schrijft dat er herhaalde no-shows waren, ongeacht de oorzaak, en eiser nadien, na een korte behandeling van zes weken, geen hulp meer heeft gezocht. Omdat eiser niet met medische stukken heeft onderbouwd dat zijn medische situatie door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onderschat, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling onjuist is. Daardoor ziet de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Omdat eiser is aangewezen voor behandeling, waardoor zijn klachten zullen afnemen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geen duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Arbeidskundige beoordeling
14. Tegen de arbeidskundige beoordeling voert eiser aan dat hij door zijn beperkingen niet in staat is om de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies, die aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag zijn gelegd, uit te voeren. Daarnaast voert eiser aan dat in de FML een beperking is opgenomen met betrekking tot stof. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zou er geen signalering zijn hierop, zodat de functies geschikt zijn. Eiser kan zich hier niet in vinden en voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de functies passend zijn.
15. De arbeidskundige beoordeling is gebaseerd op de FML en de rechtbank acht de FML juist, zodat de rechtbank geen twijfel heeft of eiser vanwege zijn medische situatie de functies kan verrichten. Ten aanzien van de door eiser gestelde beperkingen met betrekking tot stof overweegt de rechtbank nog het volgende. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML opgenomen dat eiser niet kan werken in een omgeving met stof die verder gaat dan het normale dagelijks functioneren en dat er geen medische contra-indicatie is voor gezichtsbedekking of vormen van afzuiging. In de geduide functies van wikkelaar, productiemedewerker industrie en medewerker tuinbouw komt geen overschrijding op dit punt voor. De signalering bij de functie van wikkelaar ziet niet op stof, maar op soldeerdamp, zo motiveert de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Bij elke werkplek is volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afzuiging aanwezig en wordt er gewerkt met een soldeerbout met afzuiging op de punt, waardoor er geen knelpunt is op dit aspect. Deze functie heeft het Uwv dan ook aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser ten grondslag mogen leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
16. Omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft eiser geen recht op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor het vergoeden van het griffierecht bestaat daarom geen aanleiding. Ook krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 5 Wet WIA.
Artikel 4 Wet WIA. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|